1Mia Sinjoro, Vi estis por ni loĝejo De generacio al generacio. 2Antaŭ ol la montoj naskiĝis Kaj Vi kreis la teron kaj la mondon, Kaj de eterne ĝis eterne, Vi estas Dio. 3Vi venigas homon al polvo; Kaj Vi diras: Revenu, homidoj. 4Ĉar mil jaroj estas en Viaj okuloj Kiel la hieraŭa tago, kiu pasis, Kaj kiel nokta gardoparto. 5Vi forfluigas ilin torente, ili estas kiel sonĝo; Matene ili renoviĝas kiel herbo: 6Matene ĝi floras kaj ĝermas, Vespere ĝi dehakiĝas kaj sekiĝas. 7Jes, ni pereas de Via kolero, Kaj de Via kolerego ni neniiĝas. 8Vi metis niajn malbonagojn antaŭ Vin, Nian kaŝitaĵon antaŭ la lumon de Via vizaĝo. 9Ĉar ĉiuj niaj tagoj pasis sub Via kolero, Malaperis niaj jaroj, kiel sono. 10La daŭro de nia vivo estas sepdek jaroj, Kaj ĉe forteco okdek jaroj; Kaj ilia tuta majesto estas penado kaj suferado, Ĉar ĝi forkuras rapide kaj ni forflugas. 11Kiu scias la forton de Via kolero, Vian timindecon kaj Vian indignon? 12Instruu nin kalkuli niajn tagojn, Por ke ni akiru saĝan koron. 13Returnu Vin, ho Eternulo! Kiel longe? Kaj kompatu Viajn sklavojn. 14Satigu nin matene per Via boneco; Kaj ni kantos kaj ĝojos en la daŭro de nia tuta vivo. 15Ĝojigu nin tiel longe, kiel Vi nin premis, Tiom da jaroj, kiom ni vidis mizeron. 16Al Viaj sklavoj aperu Viaj faroj, Kaj Via beleco al iliaj infanoj. 17Kaj la favoro de la Eternulo, nia Dio, estu super ni; Kaj la faron de niaj manoj fortikigu al ni, Kaj fortikigu la faron de niaj manoj.
1Lord, you have been our dwelling place for all generations. 2Before the mountains were born, before you had formed the earth and the world, even from everlasting to everlasting, you are God. 3You turn man to destruction, saying, “Return, you children of men.” 4For a thousand years in your sight are just like yesterday when it is past, like a watch in the night. 5You sweep them away as they sleep. In the morning they sprout like new grass. 6In the morning it sprouts and springs up. By evening, it is withered and dry. 7For we are consumed in your anger. We are troubled in your wrath. 8You have set our iniquities before you, our secret sins in the light of your presence. 9For all our days have passed away in your wrath. We bring our years to an end as a sigh. 10The days of our years are seventy, or even by reason of strength eighty years; yet their pride is but labor and sorrow, for it passes quickly, and we fly away. 11Who knows the power of your anger, your wrath according to the fear that is due to you? 12So teach us to number our days, that we may gain a heart of wisdom. 13Relent, Yahweh! How long? Have compassion on your servants! 14Satisfy us in the morning with your loving kindness, that we may rejoice and be glad all our days. 15Make us glad for as many days as you have afflicted us, for as many years as we have seen evil. 16Let your work appear to your servants; your glory to their children. 17Let the favor of the Lord our God be on us; establish the work of our hands for us; yes, establish the work of our hands.
1Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht. 2Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. 3Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen! 4Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak. 5Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; 6In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort. 7Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt. 8Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns. 9Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte. 10Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen. 11Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? 12Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. 13Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten. 14Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. 15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben. 16Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen. 17En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
Premu Enen por marki ĉi tiun verson, aldoni noton aŭ kopii ĝin. La sagoklavoj iras al la sekva verso.
La versnumeroj sekvas la elektitan tradukon kaj povas malsami je unu verso en kelkaj ĉapitroj.