1Korfavoru min, ho Dio, laŭ Via boneco; Laŭ Via granda kompatemeco elstreku miajn pekojn. 2Lavu min tute pure de mia krimo, Kaj purigu min de mia peko. 3Ĉar miajn kulpojn mi konsciadas; Kaj mia peko estas ĉiam antaŭ mi. 4Antaŭ Vi sola mi pekis, Kaj mi faris tion, kio estas malbona antaŭ Viaj okuloj; Tial Vi estas justa en Via vorto Kaj pura en Via juĝo. 5Mi estas ja naskita en krimo; Kaj en peko gravediĝis per mi mia patrino. 6Vi amas ja veron en la koro, Kaj en kaŝiteco Vi aperigas al mi saĝon. 7Senpekigu min per hisopo, kaj mi fariĝos pura; Lavu min, kaj mi estos pli blanka ol neĝo. 8Aŭdigu al mi ĝojon kaj gajecon, Kaj regajiĝos la ostoj, kiujn Vi batis. 9Kaŝu Vian vizaĝon de miaj pekoj, Kaj ĉiujn miajn krimojn elstreku. 10Koron puran kreu al mi, ho Dio, Kaj spiriton fidelan novigu en mi. 11Ne forpuŝu min de Via vizaĝo, Kaj Vian sanktan spiriton ne forprenu de mi. 12Redonu al mi la ĝojon de Via helpo; Kaj spirito bonfara fortikigu min. 13Mi instruos al la krimuloj Vian vojon; Kaj pekuloj revenos al Vi. 14Liberigu min de sango, ho Dio, Dio de mia savo; Mia lango kantos Vian justecon. 15Ho, mia Sinjoro, malfermu miajn lipojn; Kaj mia buŝo rakontos Vian gloron. 16Ĉar Vi ne deziras oferdonon, alie mi ĝin donus; Brulofero ne plaĉas al Vi. 17Oferdonoj al Dio estas spirito suferanta; Koron suferantan kaj humilan Vi, ho Dio, ne malŝatas. 18Bonfaru al Cion laŭ Via favoro, Konstruu la murojn de Jerusalem; 19Tiam plaĉos al Vi oferdonoj de pieco, brulofero kaj plenofero; Tiam oni metos sur Vian altaron junajn bovojn.
1Have mercy on me, God, according to your loving kindness. According to the multitude of your tender mercies, blot out my transgressions. 2Wash me thoroughly from my iniquity. Cleanse me from my sin. 3For I know my transgressions. My sin is constantly before me. 4Against you, and you only, have I sinned, and done that which is evil in your sight; that you may be proved right when you speak, and justified when you judge. 5Behold, I was born in iniquity. In sin my mother conceived me. 6Behold, you desire truth in the inward parts. You teach me wisdom in the inmost place. 7Purify me with hyssop, and I will be clean. Wash me, and I will be whiter than snow. 8Let me hear joy and gladness, That the bones which you have broken may rejoice. 9Hide your face from my sins, and blot out all of my iniquities. 10Create in me a clean heart, O God. Renew a right spirit within me. 11Don’t throw me from your presence, and don’t take your holy Spirit from me. 12Restore to me the joy of your salvation. Uphold me with a willing spirit. 13Then I will teach transgressors your ways. Sinners shall be converted to you. 14Deliver me from the guilt of bloodshed, O God, the God of my salvation. My tongue shall sing aloud of your righteousness. 15Lord, open my lips. My mouth shall declare your praise. 16For you don’t delight in sacrifice, or else I would give it. You have no pleasure in burnt offering. 17The sacrifices of God are a broken spirit. A broken and contrite heart, O God, you will not despise. 18Do well in your good pleasure to Zion. Build the walls of Jerusalem. 19Then you will delight in the sacrifices of righteousness, in burnt offerings and in whole burnt offerings. Then they will offer bulls on your altar.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan. 3Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. 4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. 5Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. 6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten. 7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. 8Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend. 9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. 10Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt. 11Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden. 12Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. 13Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij. 14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij. 15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren. 16Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen. 17Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen. 18Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen. 19De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. ] [ (Psalms 51:21) Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar.
Premu Enen por marki ĉi tiun verson, aldoni noton aŭ kopii ĝin. La sagoklavoj iras al la sekva verso.
La versnumeroj sekvas la elektitan tradukon kaj povas malsami je unu verso en kelkaj ĉapitroj.