1Ó Deus a quem eu louvo, não fiques calado. 2Porque a boca do perverso, e a boca enganadora já se abriram contra mim; falaram de mim com língua falsa. 3E me cercaram com palavras de ódio; e lutaram contra mim sem motivo. 4Fizeram-se contra mim por causa de meu amor; porém eu me mantenho em oração. 5Retribuíram o bem com o mal, e o meu amor com ódio. 6Põe algum perverso contra ele, e que haja um acusador à sua direita. 7Quando for julgado, que saia condenado; e que a oração dele seja considerada como pecado. 8Sejam os dias dele poucos, e que outro tome sua atividade. 9Sejam seus filhos órfãos, e sua mulher seja viúva. 10E que seus filhos andem sem rumo, e mendiguem; e busquem para si longe de suas ruínas. 11Que o credor tome tudo o que ele tem, e estranhos saqueiem seu trabalho. 12Haja ninguém que tenha piedade dele, e haja ninguém que se compadeça de seus órfãos. 13Sejam seus descendentes cortados de vez; e que o nome deles seja apagado da geração seguinte. 14Que a perversidade de seus pais seja lembrada pelo SENHOR, e que o pecado de sua mãe não seja apagado. 15Porém que tais coisas estejam sempre perante o SENHOR, e corte-se a lembrança deles da terra. 16Porque ele não se lembrou de fazer o bem; ao invés disso, perseguiu ao homem humilde e necessitado, e ao de coração quebrado, para o matar. 17Já que ele amou a maldição, então que ela lhe sobrevenha; e já que ele não quis a bênção, que esta se afaste dele. 18E ele seja revestido de maldição, como se lhe fosse sua roupa, como água dentro do seu corpo, e como óleo em seus ossos. 19Que ela seja como uma roupa com que ele se cubra, e como cinto com que ele sempre põe ao seu redor. 20Isto seja o pagamento do SENHOR para os meus adversários, e para os que falam mal contra minha alma. 21Porém tu, Senhor DEUS, me trata bem por causa do teu nome; por ser boa a tua misericórdia, livra-me; 22Porque estou aflito e necessitado; e meu coração está ferido dentro de mim. 23Eu vou como a sombra, que declina; estou sendo sacudido como um gafanhoto. 24Meus joelhos estão fracos de tanto jejuar; minha carne está magra, sem gordura alguma. 25E eu por eles sou humilhado; quando me veem, sacodem suas cabeças. 26Socorre-me, SENHOR Deus meu; salva-me conforme a tua bondade; 27Para que saibam que esta é a tua mão; e que assim tu a fizeste. 28Maldigam eles, mas bendize tu; levantem-se eles, mas sejam envergonhados; e o teu servo se alegre. 29Que meus adversários se vistam de vergonha, e cubram-se com sua própria humilhação, como se fosse uma capa. 30Agradecerei grandemente ao SENHOR com minha boca, e no meio de muitos eu o louvarei; 31Porque ele se põe à direita do necessitado, para o livrar daqueles que atacam a sua alma.
1God of my praise, don’t remain silent, 2for they have opened the mouth of the wicked and the mouth of deceit against me. They have spoken to me with a lying tongue. 3They have also surrounded me with words of hatred, and fought against me without a cause. 4In return for my love, they are my adversaries; but I am in prayer. 5They have rewarded me evil for good, and hatred for my love. 6Set a wicked man over him. Let an adversary stand at his right hand. 7When he is judged, let him come out guilty. Let his prayer be turned into sin. 8Let his days be few. Let another take his office. 9Let his children be fatherless, and his wife a widow. 10Let his children be wandering beggars. Let them be sought from their ruins. 11Let the creditor seize all that he has. Let strangers plunder the fruit of his labor. 12Let there be no one to extend kindness to him, neither let there be anyone to have pity on his fatherless children. 13Let his posterity be cut off. In the generation following let their name be blotted out. 14Let the iniquity of his fathers be remembered by Yahweh. Don’t let the sin of his mother be blotted out. 15Let them be before Yahweh continually, that he may cut off their memory from the earth; 16because he didn’t remember to show kindness, but persecuted the poor and needy man, the broken in heart, to kill them. 17Yes, he loved cursing, and it came to him. He didn’t delight in blessing, and it was far from him. 18He clothed himself also with cursing as with his garment. It came into his inward parts like water, like oil into his bones. 19Let it be to him as the clothing with which he covers himself, for the belt that is always around him. 20This is the reward of my adversaries from Yahweh, of those who speak evil against my soul. 21But deal with me, Yahweh the Lord, for your name’s sake, because your loving kindness is good, deliver me; 22for I am poor and needy. My heart is wounded within me. 23I fade away like an evening shadow. I am shaken off like a locust. 24My knees are weak through fasting. My body is thin and lacks fat. 25I have also become a reproach to them. When they see me, they shake their head. 26Help me, Yahweh, my God. Save me according to your loving kindness; 27that they may know that this is your hand; that you, Yahweh, have done it. 28They may curse, but you bless. When they arise, they will be shamed, but your servant shall rejoice. 29Let my adversaries be clothed with dishonor. Let them cover themselves with their own shame as with a robe. 30I will give great thanks to Yahweh with my mouth. Yes, I will praise him among the multitude. 31For he will stand at the right hand of the needy, to save him from those who judge his soul.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet. 2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong. 3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. 4Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed. 5En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde. 6Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand. 7Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. 8Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt; 9Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe. 10En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken. 11Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven. 12Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij. 13Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht. 14De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd. 15Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde. 16Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden. 17Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem. 18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen. 19Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt. 20Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel. 21Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij. 22Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond. 23Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan. 24Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is. 25Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd. 26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid. 27Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt. 28Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde. 29Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel. 30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen. 31Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.
A numeração dos versículos segue a tradução escolhida e pode variar um versículo em alguns capítulos.