1(大卫的训诲诗,交与伶长。调用麻哈拉。)愚顽人心里说:没有 神。他们都是邪恶,行了可憎恶的罪孽;没有一个人行善。 2神从天上垂看世人,要看有明白的没有?有寻求他的没有? 3他们各人都退后,一同变为污秽;并没有行善的,连一个也没有。 4作孽的没有知识吗?他们吞吃我的百姓如同吃饭一样,并不求告 神。 5他们在无可惧怕之处就大大害怕,因为 神把那安营攻击你之人的骨头散开了。你使他们蒙羞,因为 神弃绝了他们。 6但愿以色列的救恩从锡安而出。 神救回他被掳的子民那时,雅各要快乐,以色列要欢喜。
1The fool has said in his heart, “There is no God.” They are corrupt, and have done abominable iniquity. There is no one who does good. 2God looks down from heaven on the children of men, to see if there are any who understood, who seek after God. 3Every one of them has gone back. They have become filthy together. There is no one who does good, no, not one. 4Have the workers of iniquity no knowledge, who eat up my people as they eat bread, and don’t call on God? 5There they were in great fear, where no fear was, for God has scattered the bones of him who encamps against you. You have put them to shame, because God has rejected them. 6Oh that the salvation of Israel would come out of Zion! When God brings back his people from captivity, then Jacob shall rejoice, and Israel shall be glad.
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath. 2De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet. 3God heeft van den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. 4Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een. 5Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan. 6Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen. Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.
节数按所选译本编排,在少数章节中可能相差一节。