1인자들아 너희가 당연히 공의를 말하겠거늘 어찌 잠잠하느뇨 너희가 정직히 판단하느뇨 2오히려 너희가 중심에 악을 행하며 땅에서 너희 손의 강포를 달아주는도다 3악인은 모태에서부터 멀어졌음이여 나면서부터 곁길로 나아가 거짓을 말하는도다 4저희의 독은 뱀의 독 같으며 저희는 귀를 막은 귀머거리 독사 같으니 5곧 술사가 아무리 공교한 방술을 행할지라도 그 소리를 듣지 아니하는 독사로다 6하나님이여 저희 입에서 이를 꺾으소서 여호와여 젊은 사자의 어금니를 꺾어 내시며 7저희로 급히 흐르는 물 같이 사라지게 하시며 겨누는 살이 꺽임 같게 하시며 8소멸하여 가는 달팽이 같게 하시며 만기되지 못하여 출생한 자가 일광을 보지 못함 같게 하소서 9가시나무 불이 가마를 더웁게 하기 전에 저가 생 것과 불붙는 것을 회리바람으로 제하여 버리시리로다 10의인은 악인의 보복 당함을 보고 기뻐함이여 그 발을 악인의 피에 씻으리로다 11때에 사람의 말이 진실로 의인에게 갚음이 있고 진실로 땅에서 판단하시는 하나님이 계시다 하리로다
1Do you indeed speak righteousness, silent ones? Do you judge blamelessly, you sons of men? 2No, in your heart you plot injustice. You measure out the violence of your hands in the earth. 3The wicked go astray from the womb. They are wayward as soon as they are born, speaking lies. 4Their poison is like the poison of a snake; like a deaf cobra that stops its ear, 5which doesn’t listen to the voice of charmers, no matter how skillful the charmer may be. 6Break their teeth, God, in their mouth. Break out the great teeth of the young lions, Yahweh. 7Let them vanish like water that flows away. When they draw the bow, let their arrows be made blunt. 8Let them be like a snail which melts and passes away, like the stillborn child, who has not seen the sun. 9Before your pots can feel the heat of the thorns, he will sweep away the green and the burning alike. 10The righteous shall rejoice when he sees the vengeance. He shall wash his feet in the blood of the wicked; 11so that men shall say, “Most certainly there is a reward for the righteous. Most certainly there is a God who judges the earth.”
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth. 2Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen? 3Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde. 4De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan. 5Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt; 6Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan. 7O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE! 8Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren. 9Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen. 10Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen. 11De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.