1내가 말하기를 나의 행위를 조심하여 내 혀로 범죄치 아니하리니 악인이 내 앞에 있을 때에 내가 내 입에 자갈을 먹이리라 하였도다 2내가 잠잠하여 선한 말도 발하지 아니하니 나의 근심이 더 심하도다 3내 마음이 내 속에서 뜨거워서 묵상할 때에 화가 발하니 나의 혀로 말하기를 4여호와여 나의 종말과 연한의 어떠함을 알게 하사 나로 나의 연약함을 알게 하소서 5주께서 나의 날을 손 넓이 만큼 되게 하시매 나의 일생이 주의 앞에는 없는 것 같사오니 사람마다 그 든든히 선 때도 진실로 허사뿐이니이다(셀라) 6진실로 각 사람은 그림자 같이 다니고 헛된 일에 분요하며 재물을 쌓으나 누가 취할는지 알지 못하나이다 7주여 내가 무엇을 바라리요 나의 소망은 주께 있나이다 8나를 모든 죄과에서 건지시며 우매한 자에게 욕을 보지 않게 하소서 9내가 잠잠하고 입을 열지 아니하옴은 주께서 이를 행하신 연고니이다 10주의 징책을 나에게서 옮기소서 주의 손이 치심으로 내가 쇠망하였나이다 11주께서 죄악을 견책하사 사람을 징계하실 때에 그 영화를 좀 먹음 같이 소멸하게 하시니 참으로 각 사람은 허사뿐이니이다(셀라) 12여호와여 나의 기도를 들으시며 나의 부르짖음에 귀를 기울이소서 내가 눈물 흘릴 때에 잠잠하지 마옵소서 대저 나는 주께 객이 되고 거류자가 됨이 나의 모든 열조 같으니이다 13주는 나를 용서하사 내가 떠나 없어지기 전에 나의 건강을 회복시키소서
1I said, “I will watch my ways, so that I don’t sin with my tongue. I will keep my mouth with a bridle while the wicked is before me.” 2I was mute with silence. I held my peace, even from good. My sorrow was stirred. 3My heart was hot within me. While I meditated, the fire burned: I spoke with my tongue: 4“Yahweh, show me my end, what is the measure of my days. Let me know how frail I am. 5Behold, you have made my days hand breadths. My lifetime is as nothing before you. Surely every man stands as a breath.” Selah. 6“Surely every man walks like a shadow. Surely they busy themselves in vain. He heaps up, and doesn’t know who shall gather. 7Now, Lord, what do I wait for? My hope is in you. 8Deliver me from all my transgressions. Don’t make me the reproach of the foolish. 9I was mute. I didn’t open my mouth, because you did it. 10Remove your scourge away from me. I am overcome by the blow of your hand. 11When you rebuke and correct man for iniquity, You consume his wealth like a moth. Surely every man is but a breath.” Selah. 12“Hear my prayer, Yahweh, and give ear to my cry. Don’t be silent at my tears. For I am a stranger with you, a foreigner, as all my fathers were. 13Oh spare me, that I may recover strength, before I go away, and exist no more.”
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun. 2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is. 3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard. 4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong: 5HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij. 6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela. 7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal. 8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U. 9Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen. 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan. 11Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand. 12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela. 13Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.