1하나님이여 나를 보호하소서 내가 주께 피하나이다 2내가 여호와께 아뢰되 주는 나의 주시오니 주 밖에는 나의 복이 없다 하였나이다 3땅에 있는 성도는 존귀한 자니 나의 모든 즐거움이 저희에게 있도다 4다른 신에게 예물을 드리는 자는 괴로움이 더할 것이라 나는 저희가 드리는 피의 전제를 드리지 아니하며 내 입술로 그 이름도 부르지 아니하리로다 5여호와는 나의 산업과 나의 잔의 소득이시니 나의 분깃을 지키시나이다 6내게 줄로 재어 준 구역은 아름다운 곳에 있음이여 나의 기업이 실로 아름답도다 7나를 훈계하신 여호와를 송축할지라 밤마다 내 심장이 나를 교훈하도다 8내가 여호와를 항상 내 앞에 모심이여 그가 내 우편에 계시므로 내가 요동치 아니하리로다 9이러므로 내 마음이 기쁘고 내 영광도 즐거워하며 내 육체도 안전히 거하리니 10이는 내 영혼을 음부에 버리지 아니하시며 주의 거룩한 자로 썩지 않게 하실 것임이니이다 11주께서 생명의 길로 내게 보이시리니 주의 우편에는 영원한 즐거움이 있나이다
1Preserve me, God, for in you do I take refuge. 2My soul, you have said to Yahweh, “You are my Lord. Apart from you I have no good thing.” 3As for the saints who are in the earth, they are the excellent ones in whom is all my delight. 4Their sorrows shall be multiplied who give gifts to another god. Their drink offerings of blood I will not offer, nor take their names on my lips. 5Yahweh assigned my portion and my cup. You made my lot secure. 6The lines have fallen to me in pleasant places. Yes, I have a good inheritance. 7I will bless Yahweh, who has given me counsel. Yes, my heart instructs me in the night seasons. 8I have set Yahweh always before me. Because he is at my right hand, I shall not be moved. 9Therefore my heart is glad, and my tongue rejoices. My body shall also dwell in safety. 10For you will not leave my soul in Sheol, neither will you allow your holy one to see corruption. 11You will show me the path of life. In your presence is fullness of joy. In your right hand there are pleasures forever more.
1Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. 2O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U; 3Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is. 4De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen. 5De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot. 6De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden. 7Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren. 8Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. 9Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. 10Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. 11Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.