1하나님이여 주께서 우리 열조의 날 곧 옛날에 행하신 일을 저희가 우리에게 이르매 우리 귀로 들었나이다 2주께서 주의 손으로 열방을 쫓으시고 열조를 심으시며 주께서 민족들은 괴롭게 하시고 열조는 번성케 하셨나이다 3저희가 자기 칼로 땅을 얻어 차지함이 아니요 저희 팔이 저희를 구원함도 아니라 오직 주의 오른손과 팔과 얼굴의 빛으로 하셨으니 주께서 저희를 기뻐하신 연고니이다 4하나님이여 주는 나의 왕이시니 야곱에게 구원을 베푸소서 5우리가 주를 의지하여 우리 대적을 누르고 우리를 치려 일어나는 자를 주의 이름으로 밟으리이다 6나는 내 활을 의지하지 아니할 것이라 내 칼도 나를 구원치 못하리이다 7오직 주께서 우리를 우리 대적에게서 구원하시고 우리를 미워하는 자로 수치를 당케 하셨나이다 8우리가 종일 하나님으로 자랑하였나이다 우리가 하나님의 이름을 영영히 감사하리이다(셀라) 9그러나 이제는 주께서 우리를 버려 욕을 당케 하시고 우리 군대와 함께 나아가지 아니하시나이다 10주께서 우리를 대적에게서 돌아서게 하시니 우리를 미워하는 자가 자기를 위하여 탈취하였나이다 11주께서 우리로 먹힐 양 같게 하시고 열방 중에 흩으셨나이다 12주께서 주의 백성을 무료로 파심이여 저희 값으로 이익을 얻지 못하셨나이다 13주께서 우리로 이웃에게 욕을 당케 하시니 둘러 있는 자가 조소하고 조롱하나이다 14주께서 우리로 열방 중에 말거리가 되게 하시며 민족 중에서 머리 흔듦을 당케 하셨나이다 15나의 능욕이 종일 내 앞에 있으며 수치가 내 얼굴을 덮었으니 16나를 비방하고 후욕하는 소리를 인함이요 나의 원수와 보수자의 연고니이다 17이 모든 일이 우리에게 임하였으나 우리가 주를 잊지 아니하며 주의 언약을 어기지 아니하였나이다 18우리 마음이 퇴축지 아니하고 우리 걸음도 주의 길을 떠나지 아니하였으나 19주께서 우리를 시랑의 처소에서 심히 상해하시고 우리를 사망의 그늘로 덮으셨나이다 20우리가 우리 하나님의 이름을 잊어버렸거나 우리 손을 이방 신에게 향하여 폈더면 21하나님이 이를 더듬어 내지 아니하셨으리이까 대저 주는 마음의 비밀을 아시나이다 22우리가 종일 주를 위하여 죽임을 당케 되며 도살할 양 같이 여김을 받았나이다 23주여 깨소서 어찌하여 주무시나이까 일어나시고 우리를 영영히 버리지 마소서 24어찌하여 주의 얼굴을 가리우시고 우리 고난과 압제를 잊으시나이까 25우리 영혼은 진토에 구푸리고 우리 몸은 땅에 붙었나이다 26일어나 우리를 도우소서 주의 인자하심을 인하여 우리를 구속하소서
1We have heard with our ears, God; our fathers have told us, what work you did in their days, in the days of old. 2You drove out the nations with your hand, but you planted them. You afflicted the peoples, but you spread them abroad. 3For they didn’t get the land in possession by their own sword, neither did their own arm save them; but your right hand, and your arm, and the light of your face, because you were favorable to them. 4You are my King, God. Command victories for Jacob! 5Through you, will we push down our adversaries. Through your name, will we tread them under who rise up against us. 6For I will not trust in my bow, neither shall my sword save me. 7But you have saved us from our adversaries, and have shamed those who hate us. 8In God we have made our boast all day long, we will give thanks to your name forever. Selah. 9But now you rejected us, and brought us to dishonor, and don’t go out with our armies. 10You make us turn back from the adversary. Those who hate us take plunder for themselves. 11You have made us like sheep for food, and have scattered us among the nations. 12You sell your people for nothing, and have gained nothing from their sale. 13You make us a reproach to our neighbors, a scoffing and a derision to those who are around us. 14You make us a byword among the nations, a shaking of the head among the peoples. 15All day long my dishonor is before me, and shame covers my face, 16At the taunt of one who reproaches and verbally abuses, because of the enemy and the avenger. 17All this has come on us, yet have we not forgotten you, Neither have we been false to your covenant. 18Our heart has not turned back, neither have our steps strayed from your path, 19Though you have crushed us in the haunt of jackals, and covered us with the shadow of death. 20If we have forgotten the name of our God, or spread out our hands to a strange god; 21won’t God search this out? For he knows the secrets of the heart. 22Yes, for your sake we are killed all day long. We are regarded as sheep for the slaughter. 23Wake up! Why do you sleep, Lord? Arise! Don’t reject us forever. 24Why do you hide your face, and forget our affliction and our oppression? 25For our soul is bowed down to the dust. Our body clings to the earth. 26Rise up to help us. Redeem us for your loving kindness’ sake.
1Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds. 3Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten. 4Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt. 5Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs. 6Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan. 7Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen. 8Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd. 9In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela. 10Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt. 11Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich. 12Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen. 13Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet. 14Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn. 15Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken. 16Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij; 17Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige. 18Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond. 19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad. 20Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt. 21Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid. 22Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten. 23Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen. 24Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. 25Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten? 26Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.