1여호와여 왕이 주의 힘을 인하여 기뻐하며 주의 구원을 인하여 크게 즐거워하리이다 2그 마음의 소원을 주셨으며 그 입술의 구함을 거절치 아니하셨나이다(셀라) 3주의 아름다운 복으로 저를 영접하시고 정금 면류관을 그 머리에 씌우셨나이다 4저가 생명을 구하매 주께서 주셨으니 곧 영영한 장수로소이다 5주의 구원으로 그 영광을 크게 하시고 존귀와 위엄으로 저에게 입히시나이다 6저로 영영토록 지극한 복을 받게 하시며 주의 앞에서 기쁘고 즐겁게 하시나이다 7왕이 여호와를 의지하오니 지극히 높으신 자의 인자함으로 요동치 아니하리이다 8네 손이 네 모든 원수를 발견함이여 네 오른손이 너를 미워하는 자를 발견하리로다 9네가 노할 때에 저희로 풀무 같게 할 것이라 어호와께서 진노로 저희를 삼키시리니 불이 저희를 소멸하리로다 10네가 저희 후손을 땅에서 멸함이여 저희 자손을 인생 중에서 끊으리로다 11대저 저희는 너를 해하려 하여 계교를 품었으나 이루지 못하도다 12네가 저희로 돌아서게 함이여 그 얼굴을 향하여 활시위를 당기리로다 13여호와여 주의 능력으로 높임을 받으소서 우리가 주의 권능을 노래하고 칭송하겠나이다
1The king rejoices in your strength, Yahweh! How greatly he rejoices in your salvation! 2You have given him his heart’s desire, and have not withheld the request of his lips. Selah. 3For you meet him with the blessings of goodness. You set a crown of fine gold on his head. 4He asked life of you, you gave it to him, even length of days forever and ever. 5His glory is great in your salvation. You lay honor and majesty on him. 6For you make him most blessed forever. You make him glad with joy in your presence. 7For the king trusts in Yahweh. Through the loving kindness of the Most High, he shall not be moved. 8Your hand will find out all of your enemies. Your right hand will find out those who hate you. 9You will make them as a fiery furnace in the time of your anger. Yahweh will swallow them up in his wrath. The fire shall devour them. 10You will destroy their descendants from the earth, their posterity from among the children of men. 11For they intended evil against you. They plotted evil against you which cannot succeed. 12For you will make them turn their back, when you aim drawn bows at their face. 13Be exalted, Yahweh, in your strength, so we will sing and praise your power.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil! 3Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Sela. 4Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud. 5Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos. 6Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd. 7Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht. 8Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen. 9Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden. 10Gij zult hen zetten als een vurige oven ter tijd uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren. 11Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen. 12Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen. 13Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen. Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.