1하나님이여 내 기도에 귀를 기울이시고 내가 간구할 때에 숨지 마소서 2내게 굽히사 응답하소서 내가 근심으로 편치 못하여 탄식하오니 3이는 원수의 소리와 악인의 압제의 연고라 저희가 죄악으로 내게 더하며 노하여 나를 핍박하나이다 4내 마음이 내 속에서 심히 아파하며 사망의 위험이 내게 미쳤도다 5두려움과 떨림이 내게 이르고 황공함이 나를 덮었도다 6나의 말이 내가 비둘기 같이 날개가 있으면 날아가서 편히 쉬리로다 7내가 멀리 날아가서 광야에 거하리로다(셀라) 8내가 피난처에 속히 가서 푹풍과 광품을 피하리라 하였도다 9내가 성내에서 강포와 분쟁을 보았사오니 주여 저희를 멸하소서 저희 혀를 나누소서 10저희가 주야로 성벽 위에 두루 다니니 성중에는 죄악과 잔해함이 있으며 11악독이 그 중에 있고 압박과 궤사가 그 거리를 떠나지 않도다 12나를 책망한 자가 원수가 아니라 원수일진대 내가 참았으리라 나를 대하여 자기를 높이는 자가 나를 미워하는 자가 아니라 미워하는 자일진대 내가 그를 피하여 숨었으리라 13그가 곧 너로다 나의 동류, 나의 동무요 나의 가까운 친우로다 14우리가 같이 재미롭게 의논하며 무리와 함께 하여 하나님의 집안에서 다녔도다 15사망이 홀연히 저희에게 임하며 산 채로 음부에 내려갈지어다 이는 악독이 저희 거처에 있고 저희 가운데 있음이로다 16나는 하나님께 부르짖으리니 여호와께서 나를 구원하시리로다 17저녁과 아침과 정오에 내가 근심하여 탄식하리니 여호와께서 내 소리를 들으시리로다 18나를 대적하는 자 많더니 나를 치는 전쟁에서 저가 내 생명을 구속하사 평안하게 하셨도다 19태고부터 계신 하나님이 들으시고(셀라) 변치 아니하며 하나님을 경외치 아니하는 자에게 보응하시리로다 20저는 손을 들어 자기와 화목한 자를 치고 그 언약을 배반하였도다 21그 입은 우유기름보다 미끄러워도 그 마음은 전쟁이요 그 말은 기름보다 유하여도 실상은 뽑힌 칼이로다 22네 짐을 여호와께 맡겨 버리라 너를 붙드시고 의인의 요동함을 영영히 허락지 아니하시리로다 23하나님이여 주께서 저희로 파멸의 웅덩이에 빠지게 하시리이다 피를 흘리게 하며 속이는 자들은 저희 날의 반도 살지 못할 것이나 나는 주를 의지하리이다
1Listen to my prayer, God. Don’t hide yourself from my supplication. 2Attend to me, and answer me. I am restless in my complaint, and moan, 3Because of the voice of the enemy, Because of the oppression of the wicked. For they bring suffering on me. In anger they hold a grudge against me. 4My heart is severely pained within me. The terrors of death have fallen on me. 5Fearfulness and trembling have come on me. Horror has overwhelmed me. 6I said, “Oh that I had wings like a dove! Then I would fly away, and be at rest. 7Behold, then I would wander far off. I would lodge in the wilderness.” Selah. 8“I would hurry to a shelter from the stormy wind and storm.” 9Confuse them, Lord, and confound their language, for I have seen violence and strife in the city. 10Day and night they prowl around on its walls. Malice and abuse are also within her. 11Destructive forces are within her. Threats and lies don’t depart from her streets. 12For it was not an enemy who insulted me, then I could have endured it. Neither was it he who hated me who raised himself up against me, then I would have hidden myself from him. 13But it was you, a man like me, my companion, and my familiar friend. 14We took sweet fellowship together. We walked in God’s house with company. 15Let death come suddenly on them. Let them go down alive into Sheol. For wickedness is in their dwelling, in their midst. 16As for me, I will call on God. Yahweh will save me. 17Evening, morning, and at noon, I will cry out in distress. He will hear my voice. 18He has redeemed my soul in peace from the battle that was against me, although there are many who oppose me. 19God, who is enthroned forever, will hear, and answer them. Selah. They never change, who don’t fear God. 20He raises his hands against his friends. He has violated his covenant. 21His mouth was smooth as butter, but his heart was war. His words were softer than oil, yet they were drawn swords. 22Cast your burden on Yahweh, and he will sustain you. He will never allow the righteous to be moved. 23But you, God, will bring them down into the pit of destruction. Bloodthirsty and deceitful men shall not live out half their days, but I will trust in you.
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking. 3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier; 4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij. 5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen. 6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij; 7Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht. 8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela. 9Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm. 10Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad. 11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar. 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat. 13Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. 14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! 15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods. 16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen. 17Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen. 18Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen. 19Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest. 20God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen. 21Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond. 22Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden. 23Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.