1神よ、立ちあがって、その敵を散らし、神を憎む者をみ前から逃げ去らせてください。 2煙の追いやられるように彼らを追いやり、ろうの火の前に溶けるように悪しき者を神の前に滅ぼしてください。 3しかし正しい者を喜ばせ、神の前に喜び踊らせ、喜び楽しませてください。 4神にむかって歌え、そのみ名をほめうたえ。雲に乗られる者にむかって歌声をあげよ。その名は主、そのみ前に喜び踊れ。 5その聖なるすまいにおられる神はみなしごの父、やもめの保護者である。 6神は寄るべなき者に住むべき家を与え、めしゅうどを解いて幸福に導かれる。しかしそむく者はかわいた地に住む。 7神よ、あなたが民に先だち出て、荒野を進み行かれたとき、〔セラ 8シナイの主なる神の前に、イスラエルの神なる神の前に、地は震い、天は雨を降らせました。 9神よ、あなたは豊かな雨を降らせて、疲れ衰えたあなたの嗣業の地を回復され、 10あなたの群れは、そのうちにすまいを得ました。神よ、あなたは恵みをもって貧しい者のために備えられました。 11主は命令を下される。おとずれを携えた女たちの大いなる群れは言う、 12「もろもろの軍勢の王たちは逃げ去り、逃げ去った」と。家にとどまる女たちは獲物を分ける、 13たとい彼らは羊のおりの中にとどまるとも。はとの翼は、しろがねをもっておおわれ、その羽はきらめくこがねをもっておおわれる。 14全能者がかしこで王たちを散らされたとき、ザルモンに雪が降った。 15神の山、バシャンの山、峰かさなる山、バシャンの山よ。 16峰かさなるもろもろの山よ、何ゆえ神がすまいにと望まれた山をねたみ見るのか。まことに主はとこしえにそこに住まわれる。 17主は神のいくさ車幾千万をもって、シナイから聖所に来られた。 18あなたはとりこを率い、人々のうちから、またそむく者のうちから贈り物をうけて、高い山に登られた。主なる神がそこに住まわれるためである。 19日々にわれらの荷を負われる主はほむべきかな。神はわれらの救である。〔セラ 20われらの神は救の神である。死からのがれ得るのは主なる神による。 21神はその敵のこうべを打ち砕き、おのがとがの中に歩む者の毛深い頭のいただきを打ち砕かれる。 22主は言われた、「わたしはバシャンから彼らを携え帰り、海の深い所から彼らを携え帰る。 23あなたはその足を彼らの血に浸し、あなたの犬の舌はその分け前を敵から得るであろう」と。 24神よ、人々はあなたのこうごうしい行列を見た。わが神、わが王の、聖所に進み行かれるのを見た。 25歌う者は前に行き、琴をひく者はあとになり、おとめらはその間にあって手鼓を打って言う、 26「大いなる集会で神をほめよ。イスラエルの源から出た者よ、主をほめまつれ」と。 27そこに彼らを導く年若いベニヤミンがおり、その群れの中にユダの君たちがおり、ゼブルンの君たち、ナフタリの君たちがいる。 28神よ、あなたの大能を奮い起してください。われらのために事をなされた神よ、あなたの力をお示しください。 29エルサレムにあるあなたの宮のために、王たちはあなたに贈り物をささげるでしょう。 30葦の中に住む獣、もろもろの民の子牛を率いる雄牛の群れをいましめてください。みつぎ物をむさぼる者たちを足の下に踏みつけ、戦いを好むもろもろの民を散らしてください。 31青銅をエジプトから持ちきたらせ、エチオピヤには急いでその手を神に伸べさせてください。 32地のもろもろの国よ、神にむかって歌え、主をほめうたえ。〔セラ 33いにしえからの天の天に乗られる主にむかってほめうたえ。見よ、主はみ声を出し、力あるみ声を出される。 34力を神に帰せよ。その威光はイスラエルの上にあり、その力は雲の中にある。 35神はその聖所で恐るべく、イスラエルの神はその民に力と勢いとを与えられる。神はほむべきかな。
1Let God arise! Let his enemies be scattered! Let them who hate him also flee before him. 2As smoke is driven away, so drive them away. As wax melts before the fire, so let the wicked perish at the presence of God. 3But let the righteous be glad. Let them rejoice before God. Yes, let them rejoice with gladness. 4Sing to God! Sing praises to his name! Extol him who rides on the clouds: to Yah, his name! Rejoice before him! 5A father of the fatherless, and a defender of the widows, is God in his holy habitation. 6God sets the lonely in families. He brings out the prisoners with singing, but the rebellious dwell in a sun-scorched land. 7God, when you went out before your people, when you marched through the wilderness... Selah. 8The earth trembled. The sky also poured down rain at the presence of the God of Sinai— at the presence of God, the God of Israel. 9You, God, sent a plentiful rain. You confirmed your inheritance, when it was weary. 10Your congregation lived therein. You, God, prepared your goodness for the poor. 11The Lord announced the word. The ones who proclaim it are a great company. 12“Kings of armies flee! They flee!” She who waits at home divides the plunder, 13while you sleep among the camp fires, the wings of a dove sheathed with silver, her feathers with shining gold. 14When the Almighty scattered kings in her, it snowed on Zalmon. 15The mountains of Bashan are majestic mountains. The mountains of Bashan are rugged. 16Why do you look in envy, you rugged mountains, at the mountain where God chooses to reign? Yes, Yahweh will dwell there forever. 17The chariots of God are tens of thousands and thousands of thousands. The Lord is among them, from Sinai, into the sanctuary. 18You have ascended on high. You have led away captives. You have received gifts among men, yes, among the rebellious also, that Yah God might dwell there. 19Blessed be the Lord, who daily bears our burdens, even the God who is our salvation. Selah. 20God is to us a God of deliverance. To Yahweh, the Lord, belongs escape from death. 21But God will strike through the head of his enemies, the hairy scalp of such a one as still continues in his guiltiness. 22The Lord said, “I will bring you again from Bashan, I will bring you again from the depths of the sea; 23That you may crush them, dipping your foot in blood, that the tongues of your dogs may have their portion from your enemies.” 24They have seen your processions, God, even the processions of my God, my King, into the sanctuary. 25The singers went before, the minstrels followed after, in the midst of the ladies playing with tambourines, 26“Bless God in the congregations, even the Lord in the assembly of Israel!” 27There is little Benjamin, their ruler, the princes of Judah, their council, the princes of Zebulun, and the princes of Naphtali. 28Your God has commanded your strength. Strengthen, God, that which you have done for us. 29Because of your temple at Jerusalem, kings shall bring presents to you. 30Rebuke the wild animal of the reeds, the multitude of the bulls, with the calves of the peoples. Being humbled, may it bring bars of silver. Scatter the nations that delight in war. 31Princes shall come out of Egypt. Ethiopia shall hurry to stretch out her hands to God. 32Sing to God, you kingdoms of the earth! Sing praises to the Lord! Selah. 33To him who rides on the heaven of heavens, which are of old; behold, he utters his voice, a mighty voice. 34Ascribe strength to God! His excellency is over Israel, his strength is in the skies. 35You are awesome, God, in your sanctuaries. The God of Israel gives strength and power to his people. Praise be to God!
1Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester. 2God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden. 3Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht. 4Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn. 5Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakken velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht. 6Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid. 7Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre. 8O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela. 9Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinai, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israel. 10Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden. 11Uw hoop woonde daarin; Gij bereiddet ze door Uw goedheid voor den ellendige, o God! 12De HEERE gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar. 13De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit. 14Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud. 15Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon. 16De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg. 17Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid. 18Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid! 19Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God! 20Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela. 21Die God is ons een God van volkomene Zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood. 22Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt. 23De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan; Ik zal wederbrengen uit de diepten der zee; 24Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen. 25O God! zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom. 26De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden. 27Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israel! 28Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali. 29Uw God heeft uw sterkte geboden; sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt! 30Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen. 31Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken; en dien, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. 32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. 33Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela. 34Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte. 35Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel, en Zijn sterkte in de bovenste wolken. O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israels, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God!
Enterキーでこの節に色をつけたり、メモを書いたり、コピーしたりできます。矢印キーで次の節へ移動します。
節番号は選んだ翻訳に従います。いくつかの章では一節ずれることがあります。