1神よ、わたしの叫びを聞いてください。わたしの祈に耳を傾けてください。 2わが心のくずおれるとき、わたしは地のはてからあなたに呼ばわります。わたしを導いてわたしの及びがたいほどの高い岩にのぼらせてください。 3あなたはわたしの避け所、敵に対する堅固なやぐらです。 4わたしをとこしえにあなたの幕屋に住まわせ、あなたの翼の陰にのがれさせてください。〔セラ 5神よ、あなたはわたしのもろもろの誓いを聞き、み名を恐れる者に賜わる嗣業をわたしに与えられました。 6どうか王のいのちを延ばし、そのよわいをよろずよに至らせてください。 7彼をとこしえに神の前に王たらしめ、いつくしみとまこととに命じて彼を守らせてください。 8そうすればわたしはとこしえにみ名をほめうたい、日ごとにわたしのもろもろの誓いを果すでしょう。
1Hear my cry, God. Listen to my prayer. 2From the end of the earth, I will call to you, when my heart is overwhelmed. Lead me to the rock that is higher than I. 3For you have been a refuge for me, a strong tower from the enemy. 4I will dwell in your tent forever. I will take refuge in the shelter of your wings. Selah. 5For you, God, have heard my vows. You have given me the heritage of those who fear your name. 6You will prolong the king’s life; his years shall be for generations. 7He shall be enthroned in God’s presence forever. Appoint your loving kindness and truth, that they may preserve him. 8So I will sing praise to your name forever, that I may fulfill my vows daily.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed. 3Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. 4Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand. 5Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela. 6Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen. 7Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; 8Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.
Enterキーでこの節に色をつけたり、メモを書いたり、コピーしたりできます。矢印キーで次の節へ移動します。
節番号は選んだ翻訳に従います。いくつかの章では一節ずれることがあります。