1もろもろの民よ、これを聞け、すべて世に住む者よ、耳を傾けよ。 2低きも高きも、富めるも貧しきも、共に耳を傾けよ。 3わが口は知恵を語り、わが心は知識を思う。 4わたしは耳をたとえに傾け、琴を鳴らして、わたしのなぞを解き明かそう。 5わたしをしえたげる者の不義がわたしを取り囲む悩みの日に、どうして恐れなければならないのか。 6彼らはおのが富をたのみ、そのたからの多いのを誇る人々である。 7まことに人はだれも自分をあがなうことはできない。そのいのちの価を神に払うことはできない。 8とこしえに生きながらえて、墓を見ないためにそのいのちをあがなうには、あまりに価高くて、それを満足に払うことができないからである。 10まことに賢い人も死に、愚かな者も、獣のような者も、ひとしく滅んで、その富を他人に残すことは人の見るところである。 11たとい彼らはその地を自分の名をもって呼んでも、墓こそ彼らのとこしえのすまい、世々彼らのすみかである。 12人は栄華のうちに長くとどまることはできない、滅びうせる獣にひとしい。 13これぞ自分をたのむ愚かな者どもの成りゆき、自分の分け前を喜ぶ者どもの果である。〔セラ 14彼らは陰府に定められた羊のように死が彼らを牧するであろう。彼らはまっすぐに墓に下り、そのかたちは消えうせ、陰府が彼らのすまいとなるであろう。 15しかし神はわたしを受けられるゆえ、わたしの魂を陰府の力からあがなわれる。〔セラ 16人が富を得るときも、その家の栄えが増し加わるときも、恐れてはならない。 17彼が死ぬときは何ひとつ携え行くことができず、その栄えも彼に従って下って行くことはないからである。 18たとい彼が生きながらえる間、自分を幸福と思っても、またみずから幸な時に、人々から称賛されても、 19彼はついにおのれの先祖の仲間に連なる。彼らは絶えて光を見ることがない。 20人は栄華のうちに長くとどまることはできない。滅びうせる獣にひとしい。
1Hear this, all you peoples. Listen, all you inhabitants of the world, 2both low and high, rich and poor together. 3My mouth will speak words of wisdom. My heart shall utter understanding. 4I will incline my ear to a proverb. I will open my riddle on the harp. 5Why should I fear in the days of evil, when iniquity at my heels surrounds me? 6Those who trust in their wealth, and boast in the multitude of their riches— 7none of them can by any means redeem his brother, nor give God a ransom for him. 8For the redemption of their life is costly, no payment is ever enough, 9That he should live on forever, that he should not see corruption. 10For he sees that wise men die; likewise the fool and the senseless perish, and leave their wealth to others. 11Their inward thought is that their houses will endure forever, and their dwelling places to all generations. They name their lands after themselves. 12But man, despite his riches, doesn’t endure. He is like the animals that perish. 13This is the destiny of those who are foolish, and of those who approve their sayings. Selah. 14They are appointed as a flock for Sheol. Death shall be their shepherd. The upright shall have dominion over them in the morning. Their beauty shall decay in Sheol, far from their mansion. 15But God will redeem my soul from the power of Sheol, for he will receive me. Selah. 16Don’t be afraid when a man is made rich, when the glory of his house is increased. 17For when he dies he shall carry nothing away. His glory shall not descend after him. 18Though while he lived he blessed his soul— and men praise you when you do well for yourself— 19he shall go to the generation of his fathers. They shall never see the light. 20A man who has riches without understanding, is like the animals that perish.
1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld, 3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm! 4Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn. 5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp. 6Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen? 7Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen; 8Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven; 9(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden); 10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien. 11Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten. 12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen. 13De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan. 14Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela. 15Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning. 16Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela. 17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt; 18Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen. 19Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet; 20Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
Enterキーでこの節に色をつけたり、メモを書いたり、コピーしたりできます。矢印キーで次の節へ移動します。
節番号は選んだ翻訳に従います。いくつかの章では一節ずれることがあります。