1そのとががゆるされ、その罪がおおい消される者はさいわいである。 2主によって不義を負わされず、その霊に偽りのない人はさいわいである。 3わたしが自分の罪を言いあらわさなかった時は、ひねもす苦しみうめいたので、わたしの骨はふるび衰えた。 4あなたのみ手が昼も夜も、わたしの上に重かったからである。わたしの力は、夏のひでりによってかれるように、かれ果てた。〔セラ 5わたしは自分の罪をあなたに知らせ、自分の不義を隠さなかった。わたしは言った、「わたしのとがを主に告白しよう」と。その時あなたはわたしの犯した罪をゆるされた。〔セラ 6このゆえに、すべて神を敬う者はあなたに祈る。大水の押し寄せる悩みの時にもその身に及ぶことはない。 7あなたはわたしの隠れ場であって、わたしを守って悩みを免れさせ、救をもってわたしを囲まれる。〔セラ 8わたしはあなたを教え、あなたの行くべき道を示し、わたしの目をあなたにとめて、さとすであろう。 9あなたはさとりのない馬のようであってはならない。また騾馬のようであってはならない。彼らはくつわ、たづなをもっておさえられなければ、あなたに従わないであろう。 10悪しき者は悲しみが多い。しかし主に信頼する者はいつくしみで囲まれる。 11正しき者よ、主によって喜び楽しめ、すべて心の直き者よ、喜びの声を高くあげよ。
1Blessed is he whose disobedience is forgiven, whose sin is covered. 2Blessed is the man to whom Yahweh doesn’t impute iniquity, in whose spirit there is no deceit. 3When I kept silence, my bones wasted away through my groaning all day long. 4For day and night your hand was heavy on me. My strength was sapped in the heat of summer. Selah. 5I acknowledged my sin to you. I didn’t hide my iniquity. I said, I will confess my transgressions to Yahweh, and you forgave the iniquity of my sin. Selah. 6For this, let everyone who is godly pray to you in a time when you may be found. Surely when the great waters overflow, they shall not reach to him. 7You are my hiding place. You will preserve me from trouble. You will surround me with songs of deliverance. Selah. 8I will instruct you and teach you in the way which you shall go. I will counsel you with my eye on you. 9Don’t be like the horse, or like the mule, which have no understanding, who are controlled by bit and bridle, or else they will not come near to you. 10Many sorrows come to the wicked, but loving kindness shall surround him who trusts in Yahweh. 11Be glad in Yahweh, and rejoice, you righteous! Shout for joy, all you who are upright in heart!
1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. 2Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. 4Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. 5Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. 6Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken. 7Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela. 8Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. 9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake. 10De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen. 11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
Enterキーでこの節に色をつけたり、メモを書いたり、コピーしたりできます。矢印キーで次の節へ移動します。
節番号は選んだ翻訳に従います。いくつかの章では一節ずれることがあります。