1神よ、シオンにて、あなたをほめたたえることはふさわしいことである。人はあなたに誓いを果すであろう。 2祈を聞かれる方よ、すべての肉なる者は罪のゆえにあなたに来る。われらのとががわれらに打ち勝つとき、あなたはこれをゆるされる。 4あなたに選ばれ、あなたに近づけられて、あなたの大庭に住む人はさいわいである。われらはあなたの家、あなたの聖なる宮の恵みによって飽くことができる。 5われらの救の神よ、地のもろもろのはてと、遠き海の望みであるあなたは恐るべきわざにより、救をもってわれらに答えられる。 6あなたは大能を帯び、そのみ力によって、もろもろの山を堅く立たせられる。 7あなたは海の響き、大波の響き、もろもろの民の騒ぎを静められる。 8それゆえ、地のはてに住む人々も、あなたのもろもろのしるしを見て恐れる。あなたは朝と夕の出る所をして喜び歌わせられる。 9あなたは地に臨んで、これに水をそそぎ、これを大いに豊かにされる。神の川は水で満ちている。あなたはそのように備えして彼らに穀物を与えられる。 10あなたはその田みぞを豊かにうるおし、そのうねを整え、夕立ちをもってそれを柔らかにし、そのもえ出るのを祝福し、 11またその恵みをもって年の冠とされる。あなたの道にはあぶらがしたたる。 12野の牧場はしたたり、小山は喜びをまとい、 13牧場は羊の群れを着、もろもろの谷は穀物をもっておおわれ、彼らは喜び呼ばわって共に歌う。
1Praise waits for you, God, in Zion. To you shall vows be performed. 2You who hear prayer, to you all men will come. 3Sins overwhelmed me, but you atoned for our transgressions. 4Blessed is one whom you choose, and cause to come near, that he may live in your courts. We will be filled with the goodness of your house, your holy temple. 5By awesome deeds of righteousness, you answer us, God of our salvation. You who are the hope of all the ends of the earth, of those who are far away on the sea; 6Who by his power forms the mountains, having armed yourself with strength; 7who stills the roaring of the seas, the roaring of their waves, and the turmoil of the nations. 8They also who dwell in faraway places are afraid at your wonders. You call the morning’s dawn and the evening with songs of joy. 9You visit the earth, and water it. You greatly enrich it. The river of God is full of water. You provide them grain, for so you have ordained it. 10You drench its furrows. You level its ridges. You soften it with showers. You bless it with a crop. 11You crown the year with your bounty. Your carts overflow with abundance. 12The wilderness grasslands overflow. The hills are clothed with gladness. 13The pastures are covered with flocks. The valleys also are clothed with grain. They shout for joy! They also sing.
1Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester. 2De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. 3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen. 4Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij. 5Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. 6Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee! 7Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht. 8Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken. 9En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen. 10Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed. 11Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel. 12Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid. 13Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.
Enterキーでこの節に色をつけたり、メモを書いたり、コピーしたりできます。矢印キーで次の節へ移動します。
節番号は選んだ翻訳に従います。いくつかの章では一節ずれることがあります。