1主よ、わたしはあなたに呼ばわります。すみやかにわたしをお助けください。わたしがあなたに呼ばわるとき、わが声に耳を傾けてください。 2わたしの祈を、み前にささげる薫香のようにみなし、わたしのあげる手を、夕べの供え物のようにみなしてください。 3主よ、わが口に門守を置いて、わがくちびるの戸を守ってください。 4悪しき事にわが心を傾けさせず、不義を行う人々と共に悪しきわざにあずからせないでください。また彼らのうまき物を食べさせないでください。 5正しい者にいつくしみをもってわたしを打たせ、わたしを責めさせてください。しかし悪しき者の油をわがこうべにそそがせないでください。わが祈は絶えず彼らの悪しきわざに敵しているからです。 6彼らはおのれを罪に定める者にわたされるとき、主のみ言葉のまことなることを学ぶでしょう。 7人が岩を裂いて地の上に打ち砕くように、彼らの骨は陰府の口にまき散らされるでしょう。 8しかし主なる神よ、わが目はあなたに向かっています。わたしはあなたに寄り頼みます。わたしを助けるものもないままに捨ておかないでください。 9わたしを守って、彼らがわたしのために設けたわなと、悪を行う者のわなとをのがれさせてください。 10わたしがのがれると同時に、悪しき者をおのれの網に陥らせてください。
1Yahweh, I have called on you. Come to me quickly! Listen to my voice when I call to you. 2Let my prayer be set before you like incense; the lifting up of my hands like the evening sacrifice. 3Set a watch, Yahweh, before my mouth. Keep the door of my lips. 4Don’t incline my heart to any evil thing, to practice deeds of wickedness with men who work iniquity. Don’t let me eat of their delicacies. 5Let the righteous strike me, it is kindness; let him reprove me, it is like oil on the head; don’t let my head refuse it; Yet my prayer is always against evil deeds. 6Their judges are thrown down by the sides of the rock. They will hear my words, for they are well spoken. 7“As when one plows and breaks up the earth, our bones are scattered at the mouth of Sheol.” 8For my eyes are on you, Yahweh, the Lord. In you, I take refuge. Don’t leave my soul destitute. 9Keep me from the snare which they have laid for me, from the traps of the workers of iniquity. 10Let the wicked fall together into their own nets, while I pass by.
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep. 2Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer. 3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen. 4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen. 5De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden. 6Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren. 7Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had. 8Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet. 9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid. 10Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.
Enterキーでこの節に色をつけたり、メモを書いたり、コピーしたりできます。矢印キーで次の節へ移動します。
節番号は選んだ翻訳に従います。いくつかの章では一節ずれることがあります。