1神よ、どうかわたしをあわれんでください。人々がわたしを踏みつけ、あだする人々がひねもすわたしをしえたげます。 2わたしの敵はひねもすわたしを踏みつけ、誇りたかぶって、わたしと戦う者が多いのです。 3わたしが恐れるときは、あなたに寄り頼みます。 4わたしは神によって、そのみ言葉をほめたたえます。わたしは神に信頼するゆえ、恐れることはありません。肉なる者はわたしに何をなし得ましょうか。 5彼らはひねもすわたしの事を妨害し、その思いはことごとくわたしにわざわいします。 6彼らは共に集まって身をひそめ、わたしの歩みに目をとめ、わたしのいのちをうかがい求めます。 7神よ、彼らにその罪を報い、憤りをもってもろもろの民を倒してください。 8あなたはわたしのさすらいを数えられました。わたしの涙をあなたの皮袋にたくわえてください。これは皆あなたの書にしるされているではありませんか。 9わたしが呼び求める日に、わたしの敵は退きます。これによって神がわたしを守られることを知ります。 10わたしは神によってそのみ言葉をほめたたえ、主によってそのみ言葉をほめたたえます。 11わたしは神に信頼するゆえ、恐れることはありません。人はわたしに何をなし得ましょうか。 12神よ、わたしがあなたに立てた誓いは果さなければなりません。わたしは感謝の供え物をあなたにささげます。 13あなたはわたしの魂を死から救い、わたしの足を守って倒れることなく、いのちの光のうちで神の前にわたしを歩ませられたからです。
1Be merciful to me, God, for man wants to swallow me up. All day long, he attacks and oppresses me. 2My enemies want to swallow me up all day long, for they are many who fight proudly against me. 3When I am afraid, I will put my trust in you. 4In God, I praise his word. In God, I put my trust. I will not be afraid. What can flesh do to me? 5All day long they twist my words. All their thoughts are against me for evil. 6They conspire and lurk, watching my steps, they are eager to take my life. 7Shall they escape by iniquity? In anger cast down the peoples, God. 8You number my wanderings. You put my tears into your bottle. Aren’t they in your book? 9Then my enemies shall turn back in the day that I call. I know this, that God is for me. 10In God, I will praise his word. In Yahweh, I will praise his word. 11I have put my trust in God. I will not be afraid. What can man do to me? 12Your vows are on me, God. I will give thank offerings to you. 13For you have delivered my soul from death, and prevented my feet from falling, that I may walk before God in the light of the living.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. 2Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder. 3Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste! 4Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen. 5In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen? 6Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade. 7Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten. 8Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God! 9Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register? 10Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is. 11In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen. 12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen? 13O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden?
Enterキーでこの節に色をつけたり、メモを書いたり、コピーしたりできます。矢印キーで次の節へ移動します。
節番号は選んだ翻訳に従います。いくつかの章では一節ずれることがあります。