1とがは悪しき者にむかい、その心のうちに言う。その目の前に神を恐れる恐れはない。 2彼は自分の不義があらわされないため、また憎まれないために、みずからその目でおもねる。 3その口の言葉はよこしまと欺きである。彼は知恵を得ることと、善を行う事とをやめた。 4彼はその床の上でよこしまな事をたくらみ、よからぬ道に身をおいて、悪をきらわない。 5主よ、あなたのいつくしみは天にまで及び、あなたのまことは雲にまで及ぶ。 6あなたの義は神の山のごとく、あなたのさばきは大きな淵のようだ。主よ、あなたは人と獣とを救われる。 7神よ、あなたのいつくしみはいかに尊いことでしょう。人の子らはあなたの翼のかげに避け所を得、 8あなたの家の豊かなのによって飽き足りる。あなたはその楽しみの川の水を彼らに飲ませられる。 9いのちの泉はあなたのもとにあり、われらはあなたの光によって光を見る。 10どうか、あなたを知る者に絶えずいつくしみを施し、心の直き者に絶えず救を施してください。 11高ぶる者の足がわたしを踏み、悪しき者の手がわたしを追い出すことをゆるさないでください。 12悪を行う者はそこに倒れ、彼らは打ち伏せられて、起きあがることはできない。
1An oracle is within my heart about the disobedience of the wicked: “There is no fear of God before his eyes.” 2For he flatters himself in his own eyes, too much to detect and hate his sin. 3The words of his mouth are iniquity and deceit. He has ceased to be wise and to do good. 4He plots iniquity on his bed. He sets himself in a way that is not good. He doesn’t abhor evil. 5Your loving kindness, Yahweh, is in the heavens. Your faithfulness reaches to the skies. 6Your righteousness is like the mountains of God. Your judgments are like a great deep. Yahweh, you preserve man and animal. 7How precious is your loving kindness, God! The children of men take refuge under the shadow of your wings. 8They shall be abundantly satisfied with the abundance of your house. You will make them drink of the river of your pleasures. 9For with you is the spring of life. In your light shall we see light. 10Oh continue your loving kindness to those who know you, your righteousness to the upright in heart. 11Don’t let the foot of pride come against me. Don’t let the hand of the wicked drive me away. 12There the workers of iniquity are fallen. They are thrust down, and shall not be able to rise.
1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester. 2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen. 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is. 4De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen. 5Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet. 6O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. 7Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten. 8Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen. 9Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten. 10Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht. 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart. 12De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven. Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.
Enterキーでこの節に色をつけたり、メモを書いたり、コピーしたりできます。矢印キーで次の節へ移動します。
節番号は選んだ翻訳に従います。いくつかの章では一節ずれることがあります。