1Pourquoi le Tout-Puissant ne met-il pas des temps en réserve, Et pourquoi ceux qui le connaissent ne voient-ils pas ses jours ? 2On déplace les bornes, On vole des troupeaux, et on les fait paître ; 3On enlève l’âne de l’orphelin, On prend pour gage le bœuf de la veuve ; 4On repousse du chemin les indigents, On force tous les malheureux du pays à se cacher. 5Et voici, comme les ânes sauvages du désert, Ils sortent le matin pour chercher de la nourriture, Ils n’ont que le désert pour trouver le pain de leurs enfants ; 6Ils coupent le fourrage qui reste dans les champs, Ils grappillent dans la vigne de l’impie ; 7Ils passent la nuit dans la nudité, sans vêtement, Sans couverture contre le froid ; 8Ils sont percés par la pluie des montagnes, Et ils embrassent les rochers comme unique refuge. 9On arrache l’orphelin à la mamelle, On prend des gages sur le pauvre. 10Ils vont tout nus, sans vêtement, Ils sont affamés, et ils portent les gerbes ; 11Dans les enclos de l’impie ils font de l’huile, Ils foulent le pressoir, et ils ont soif ; 12Dans les villes s’exhalent les soupirs des mourants, L’âme des blessés jette des cris…. Et Dieu ne prend pas garde à ces infamies ! 13D’autres sont ennemis de la lumière, Ils n’en connaissent pas les voies, Ils n’en pratiquent pas les sentiers. 14L’assassin se lève au point du jour, Tue le pauvre et l’indigent, Et il dérobe pendant la nuit. 15L’œil de l’adultère épie le crépuscule ; Personne ne me verra, dit-il, Et il met un voile sur sa figure. 16La nuit ils forcent les maisons, Le jour ils se tiennent enfermés ; Ils ne connaissent pas la lumière. 17Pour eux, le matin c’est l’ombre de la mort, Ils en éprouvent toutes les terreurs. 18Eh quoi ! l’impie est d’un poids léger sur la face des eaux, Il n’a sur la terre qu’une part maudite, Il ne prend jamais le chemin des vignes ! 19Comme la sécheresse et la chaleur absorbent les eaux de la neige, Ainsi le séjour des morts engloutit ceux qui pèchent ! 20Quoi ! le sein maternel l’oublie, Les vers en font leurs délices, On ne se souvient plus de lui ! L’impie est brisé comme un arbre, 21Lui qui dépouille la femme stérile et sans enfants, Lui qui ne répand aucun bienfait sur la veuve !… 22Non ! Dieu par sa force prolonge les jours des violents, Et les voilà debout quand ils désespéraient de la vie ; 23Il leur donne de la sécurité et de la confiance, Il a les regards sur leurs voies. 24Ils se sont élevés ; et en un instant ils ne sont plus, Ils tombent, ils meurent comme tous les hommes, Ils sont coupés comme la tête des épis. 25S’il n’en est pas ainsi, qui me démentira, Qui réduira mes paroles à néant ?
1“Why aren’t times laid up by the Almighty? Why don’t those who know him see his days? 2There are people who remove the landmarks. They violently take away flocks, and feed them. 3They drive away the donkey of the fatherless, and they take the widow’s ox for a pledge. 4They turn the needy out of the way. The poor of the earth all hide themselves. 5Behold, as wild donkeys in the desert, they go out to their work, seeking diligently for food. The wilderness yields them bread for their children. 6They cut their provender in the field. They glean the vineyard of the wicked. 7They lie all night naked without clothing, and have no covering in the cold. 8They are wet with the showers of the mountains, and embrace the rock for lack of a shelter. 9There are those who pluck the fatherless from the breast, and take a pledge of the poor, 10So that they go around naked without clothing. Being hungry, they carry the sheaves. 11They make oil within the walls of these men. They tread wine presses, and suffer thirst. 12From out of the populous city, men groan. The soul of the wounded cries out, yet God doesn’t regard the folly. 13“These are of those who rebel against the light. They don’t know its ways, nor stay in its paths. 14The murderer rises with the light. He kills the poor and needy. In the night he is like a thief. 15The eye also of the adulterer waits for the twilight, saying, ‘No eye shall see me.’ He disguises his face. 16In the dark they dig through houses. They shut themselves up in the daytime. They don’t know the light. 17For the morning is to all of them like thick darkness, for they know the terrors of the thick darkness. 18“They are foam on the surface of the waters. Their portion is cursed in the earth. They don’t turn into the way of the vineyards. 19Drought and heat consume the snow waters, so does Sheol those who have sinned. 20The womb shall forget him. The worm shall feed sweetly on him. He shall be no more remembered. Unrighteousness shall be broken as a tree. 21He devours the barren who don’t bear. He shows no kindness to the widow. 22Yet God preserves the mighty by his power. He rises up who has no assurance of life. 23God gives them security, and they rest in it. His eyes are on their ways. 24They are exalted; yet a little while, and they are gone. Yes, they are brought low, they are taken out of the way as all others, and are cut off as the tops of the ears of grain. 25If it isn’t so now, who will prove me a liar, and make my speech worth nothing?”
1Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien? 2Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze. 3Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand. 4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands. 5Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren. 6Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af. 7Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude. 8Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen. 9Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand. 10Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen. 11Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig. 12Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds. 13Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden. 14Met het licht staat de moorder op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief. 15Ook neemt het oog des overspelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht. 16In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet. 17Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw. 18Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden. 19De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben. 20De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout. 21De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds. 22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker. 23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen. 24Zij zijn een weinig tijds verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden nedergedrukt; gelijk alle anderen worden zij besloten; en gelijk de top ener aar worden zij afgesneden. 25Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?
Les numéros de versets suivent la traduction choisie et peuvent différer d'un verset dans quelques chapitres.