1这从以东的波斯拉来,穿红衣服,装扮华美,能力广大,大步行走的是谁呢?就是我,是凭公义说话,以大能施行拯救。 2你的装扮为何有红色?你的衣服为何像踹酒榨的呢? 3我独自踹酒榨;众民中无一人与我同在。我发怒将他们踹下,发烈怒将他们践踏。他们的血溅在我衣服上,并且污染了我一切的衣裳。 4因为,报仇之日在我心中;救赎我民之年已经来到。 5我仰望,见无人帮助;我诧异,没有人扶持。所以,我自己的膀臂为我施行拯救;我的烈怒将我扶持。 6我发怒,踹下众民;发烈怒,使他们沉醉,又将他们的血倒在地上。 7我要照耶和华一切所赐给我们的,提起他的慈爱和美德,并他向以色列家所施的大恩;这恩是照他的怜恤和丰盛的慈爱赐给他们的。 8他说:他们诚然是我的百姓,不行虚假的子民;这样,他就作了他们的救主。 9他们在一切苦难中,他也同受苦难;并且他面前的使者拯救他们;他以慈爱和怜悯救赎他们;在古时的日子常保抱他们,怀搋他们。 10他们竟悖逆,使主的圣灵担忧。他就转作他们的仇敌,亲自攻击他们。 11那时,他们(原文是他)想起古时的日子―摩西和他百姓,说:将百姓和牧养他全群的人从海里领上来的在哪里呢?将他的圣灵降在他们中间的在哪里呢? 12使他荣耀的膀臂在摩西的右手边行动,在他们前面将水分开,要建立自己永远的名, 13带领他们经过深处,如马行走旷野,使他们不致绊跌的在哪里呢? 14耶和华的灵使他们得安息,彷佛牲畜下到山谷;照样,你也引导你的百姓,要建立自己荣耀的名。 15求你从天上垂顾,从你圣洁荣耀的居所观看。你的热心和你大能的作为在哪里呢?你爱慕的心肠和怜悯向我们止住了。 16亚伯拉罕虽然不认识我们,以色列也不承认我们,你却是我们的父。耶和华啊,你是我们的父;从万古以来,你名称为「我们的救赎主」。 17耶和华啊,你为何使我们走差离开你的道,使我们心里刚硬、不敬畏你呢?求你为你仆人,为你产业支派的缘故,转回来。 18你的圣民不过暂时得这产业;我们的敌人已经践踏你的圣所。 19我们好像你未曾治理的人,又像未曾得称你名下的人。
1Who is this who comes from Edom, with dyed garments from Bozrah? this who is glorious in his clothing, marching in the greatness of his strength? “It is I who speak in righteousness, mighty to save.” 2Why are you red in your clothing, and your garments like him who treads in the wine vat? 3“I have trodden the wine press alone; and of the peoples there was no man with me: yes, I trod them in my anger, and trampled them in my wrath; and their lifeblood is sprinkled on my garments, and I have stained all my clothing. 4For the day of vengeance was in my heart, and the year of my redeemed has come. 5I looked, and there was no one to help; and I wondered that there was no one to uphold: therefore my own arm brought salvation to me; and my wrath, it upheld me. 6I trod down the peoples in my anger, and made them drunk in my wrath, and I poured out their lifeblood on the earth.” 7I will make mention of the loving kindnesses of Yahweh and the praises of Yahweh, according to all that Yahweh has bestowed on us, and the great goodness toward the house of Israel, which he has bestowed on them according to his mercies, and according to the multitude of his loving kindnesses. 8For he said, “Surely, they are my people, children who will not deal falsely:” so he was their Savior. 9In all their affliction he was afflicted, and the angel of his presence saved them: in his love and in his pity he redeemed them; and he bore them, and carried them all the days of old. 10But they rebelled, and grieved his holy Spirit: therefore he was turned to be their enemy, and he himself fought against them. 11Then he remembered the days of old, Moses and his people, saying, Where is he who brought them up out of the sea with the shepherds of his flock? where is he who put his holy Spirit in their midst? 12who caused his glorious arm to go at the right hand of Moses? who divided the waters before them, to make himself an everlasting name? 13who led them through the depths, as a horse in the wilderness, so that they didn’t stumble? 14As the livestock that go down into the valley, the Spirit of Yahweh caused them to rest; so you led your people, to make yourself a glorious name. 15Look down from heaven, and see from the habitation of your holiness and of your glory: where are your zeal and your mighty acts? the yearning of your heart and your compassion is restrained toward me. 16For you are our Father, though Abraham doesn’t know us, and Israel does not acknowledge us: you, Yahweh, are our Father; our Redeemer from everlasting is your name. 17O Yahweh, why do you make us to err from your ways, and harden our heart from your fear? Return for your servants’ sake, the tribes of your inheritance. 18Your holy people possessed it but a little while: our adversaries have trodden down your sanctuary. 19We have become as they over whom you never bear rule, as those who were not called by your name.
1Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. 2Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt? 3Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. 4Want de dag der wraak was in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten was gekomen. 5En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund, 6En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen. 7Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, den veelvoudigen lof des HEEREN, naar alles, wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israel, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid Zijner goedertierenheden. 8Want Hij zeide: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen zullen? Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland. 9In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds. 10Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben Zijn Heiligen Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden. 11Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders Zijner kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heiligen Geest in het midden van hen stelde? 12Die den arm Zijner heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hunlieder aangezichten kliefde opdat Hij Zich een eeuwigen Naam maakte? 13Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, struikelden zij niet. 14Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des HEEREN rust gegeven. Alzo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U een heerlijken Naam zoudt maken. 15Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in. 16Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israel kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. 17HEERE! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels. 18Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartijders hebben Uw heiligdom vertreden. 19Wij zijn geworden als die, over welke Gij van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd.
节数按所选译本编排,在少数章节中可能相差一节。