1耶和华如此说:你们当守公平,行公义;因我的救恩临近,我的公义将要显现。 2谨守安息日而不干犯,禁止己手而不作恶;如此行、如此持守的人便为有福。 3与耶和华联合的外邦人不要说:耶和华必定将我从他民中分别出来。太监也不要说:我是枯树。 4因为耶和华如此说:那些谨守我的安息日,拣选我所喜悦的事,持守我约的太监, 5我必使他们在我殿中,在我墙内,有记念,有名号,比有儿女的更美。我必赐他们永远的名,不能剪除。 6还有那些与耶和华联合的外邦人,要事奉他,要爱耶和华的名,要作他的仆人―就是凡守安息日不干犯,又持守他(原文是我)约的人。 7我必领他们到我的圣山,使他们在祷告我的殿中喜乐。他们的燔祭和平安祭,在我坛上必蒙悦纳,因我的殿必称为万民祷告的殿。 8主耶和华,就是招聚以色列被赶散的,说:在这被招聚的人以外,我还要招聚别人归并他们。 9田野的诸兽都来吞吃吧!林中的诸兽也要如此。 10他看守的人是瞎眼的,都没有知识,都是哑巴狗,不能叫唤;但知做梦,躺卧,贪睡, 11这些狗贪食,不知饱足。这些牧人不能明白―各人偏行己路,各从各方求自己的利益。 12他们说:来吧!我去拿酒,我们饱饮浓酒;明日必和今日一样,就是宴乐无量极大之日。
1Thus says Yahweh, “Keep justice, and do righteousness; for my salvation is near to come, and my righteousness to be revealed. 2Blessed is the man who does this, and the son of man who holds it fast; who keeps the Sabbath from profaning it, and keeps his hand from doing any evil.” 3Neither let the foreigner, who has joined himself to Yahweh, speak, saying, “Yahweh will surely separate me from his people”; neither let the eunuch say, “Behold, I am a dry tree.” 4For thus says Yahweh, “To the eunuchs who keep my Sabbaths, and choose the things that please me, and hold fast my covenant: 5to them I will give in my house and within my walls a memorial and a name better than of sons and of daughters; I will give them an everlasting name, that shall not be cut off. 6Also the foreigners who join themselves to Yahweh, to minister to him, and to love Yahweh’s name, to be his servants, everyone who keeps the Sabbath from profaning it, and holds fast my covenant; 7even them will I bring to my holy mountain, and make them joyful in my house of prayer: their burnt offerings and their sacrifices shall be accepted on my altar; for my house shall be called a house of prayer for all peoples.” 8The Lord Yahweh, who gathers the outcasts of Israel, says, “Yet will I gather others to him, besides his own who are gathered.” 9All you animals of the field, come to devour, all you animals in the forest. 10His watchmen are blind, they are all without knowledge; they are all mute dogs, they can’t bark; dreaming, lying down, loving to slumber. 11Yes, the dogs are greedy, they can never have enough; and these are shepherds who can’t understand: they have all turned to their own way, each one to his gain, from every quarter. 12“Come,” say they, “I will get wine, and we will fill ourselves with strong drink; and tomorrow shall be as this day, great beyond measure.”
1Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden. 2Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen. 3En de vreemde, die zich tot den HEERE gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom. 4Want alzo zegt de HEERE van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond; 5Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden. 6En de vreemden, die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden; 7Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken. 8De Heere HEERE, Die de verdrevenen van Israel vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, nevens hen, die tot hem vergaderd zijn. 9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud! 10Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief. 11En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elkeen naar zijn gewin, elk uit zijn einde. 12Komt herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker.
节数按所选译本编排,在少数章节中可能相差一节。