Dagelijks leven
Hoe leefden mensen in de tijd van de Bijbel?
Wat droegen ze, hoe woonden ze, welke sieraden hadden ze en wat maakten ze met hun handen? Kleed iemand aan, kijk binnen in een huis en draai zelf een pot. Zo lees je de verhalen met nieuwe ogen.
Kleed je aan zoals toen
Trek laag na laag aan en lees bij elk kledingstuk wat het was en waar het in de Bijbel opduikt. Of kleed hem als hogepriester.
Help hem zich aan te kleden voor de reis! Tik op de kleren, één voor één.
0 van 5 aan
Tik op een kledingstuk om het aan te trekken. Hier lees je dan wat het was.
Wol, linnen en dure kleuren
Kies een stof of een verf en doop de doek in het vat. Purper en scharlaken waren zo duur dat je kleren lieten zien wie je was.
Wol
van schapen
De meeste kleren waren van wol: warm, sterk en uit elke kudde te halen. Na het scheren werd de wol gewassen, gekaard en gesponnen. De vrouw van Spreuken 31 zoekt wol en vlas en werkt er graag mee.
Wol komt van schapen. Er werden warme mantels van gemaakt.
Ringen, oorbellen en kronen
Sieraden waren geld op zak, een bruidsgeschenk of een teken van gezag. Ze zeggen veel in de verhalen, ook als het misgaat.
De zegelring
Een ring of steen aan een koord met een eigen teken, om in klei of was te drukken: je handtekening. Wie de ring van een ander kreeg, mocht in zijn naam spreken. Farao gaf Jozef zijn ring; de vader gaf zijn teruggekeerde zoon een ring aan zijn vinger.
Een ring met een stempel: je eigen handtekening. De vader gaf zijn verloren zoon een ring. Hij hoorde er weer helemaal bij!
Neusring en armbanden
De knecht van Abraham gaf Rebekka bij de put een gouden neusring en twee zware armbanden: een bruidsgeschenk. Ezechiël gebruikt het beeld voor God, die Jeruzalem versiert als een bruid.
Rebekka kreeg bij de put een gouden neusring en armbanden. Ze mocht met Isaak trouwen.
Kronen
Koningen droegen een kroon van goud, soms met edelstenen. Jezus kreeg een kroon van doornen, als spot. Het Nieuwe Testament belooft wie trouw blijft 'de kroon van het leven', en in Openbaring leggen de oudsten hun kronen neer voor de troon.
Koningen droegen een gouden kroon. Jezus kreeg een kroon van doornen. In de hemel leggen ze hun kronen neer voor God.
Oorringen voor een kalf
Sieraden konden ook verkeerd gebruikt worden. In de woestijn gaf het volk zijn gouden oorringen aan Aäron, en hij goot er een kalf van om te aanbidden. Later begroef Jakobs familie hun oorringen en afgodsbeeldjes onder een eik.
Het volk smolt hun oorringen tot een gouden kalf en ging dat aanbidden. Dat was niet goed.
Schoonheid van binnen
Petrus verbiedt geen sieraden, maar zet ze op hun plaats: 'Laat je schoonheid niet zitten in gevlochten haar, goud of mooie kleren, maar in wat verborgen is in je hart: een zachtmoedige en rustige geest.' God kijkt naar het hart.
Sieraden zijn mooi, maar God kijkt naar je hart. Vriendelijk zijn is het mooiste sieraad.
De parel
Parels kwamen van ver en waren kostbaarder dan goud. Jezus vertelt over een koopman die alles verkoopt voor één parel van grote waarde: zo is het koninkrijk van God. In Openbaring is elke poort van de nieuwe stad één enkele parel.
Een koopman verkocht alles voor één prachtige parel. Zo blij kun je zijn met God!
Het borstschild van de hogepriester
Twaalf edelstenen in vier rijen, op elke steen de naam van een stam. Tik op een steen.
Tik op een steen om te zien welke het is en welke naam erop staat.
Op elke steen staat een naam. De hogepriester droeg ze op zijn hart: zo draagt God zijn mensen bij zich.
Welke stenen precies bedoeld zijn, weten we niet zeker: de Hebreeuwse namen zijn oud en de vertalingen verschillen. De volgorde van de namen geeft Exodus voor het borstschild niet; hier staan ze naar hun geboorte, zoals op de schouderstenen (Exodus 28:10). In Openbaring 21 komen vergelijkbare stenen terug in de fundamenten van het nieuwe Jeruzalem.
Een kijkje in een huis
Een huis zoals archeologen er veel vonden in Israël: beneden de dieren en de voorraad, een open erf in het midden, en op het platte dak leef je mee. Tik op een nummer, of speel het zoekspel.
Kijk in het huis! Waar slapen de dieren? Waar bakken ze brood? Speel het zoekspel.
De tekening is een reconstructie: huizen verschilden per streek en per eeuw.
Het platte dak
Balken, takken en een dikke laag aangestampte klei: het dak was plat, en je leefde erop. Je droogde er vlas en vijgen, sliep er op warme nachten en bad er, zoals Petrus in Joppe. Er moest een muurtje omheen, zodat niemand eraf viel. Vier vrienden groeven er een gat in en lieten hun verlamde vriend zakken, recht voor Jezus.
Op het platte dak kon je slapen, bidden en spelen. Vier vrienden maakten er een gat in voor hun zieke vriend!
Tenten, poorten en woningen
De tent van de aartsvaders
Abraham, Isaak en Jakob woonden in tenten van geitenhaar en trokken met hun kudden rond. Abraham zat bij de ingang van zijn tent toen drie bezoekers kwamen. Hebreeën: hij woonde als vreemdeling in tenten, op weg naar een stad die God bouwt.
De stadspoort
De poort was meer dan een ingang: in de ruimtes ernaast zaten de oudsten, werd recht gesproken en werden zaken gesloten. Boaz regelde daar het huwelijk met Ruth. 'Haat het kwaad, heb het goede lief en laat het recht gelden in de poort.'
Een huis in de muur
In sommige steden stonden huizen tegen of in de stadsmuur. Rachab woonde zo in Jericho, en liet de verspieders door haar raam aan een touw naar beneden.
Op de rots gebouwd
In een land met droge rivierbeddingen die na een stortbui ineens volstromen, wist iedereen: bouw je huis niet op het zand. Jezus: wie mijn woorden hoort en ernaar doet, lijkt op iemand die zijn huis op de rots bouwde.
Veel kamers
'In het huis van mijn Vader zijn veel kamers.' Een familiehuis groeide mee met de familie: er werd een kamer bijgebouwd als een zoon trouwde. Velen lezen Jezus' woorden tegen die achtergrond: Hij gaat een plaats klaarmaken, er is ruimte voor wie bij Hem hoort.
Hij zette zijn tent op
'Het Woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond', letterlijk: zijn tent onder ons opgeslagen. Johannes denkt aan de tabernakel, de tent waarin God bij zijn volk woonde.
Klei, hout, steen en draad
Bijna alles werd met de hand gemaakt, vaak thuis. Jezus was bouwvakker, Paulus tentmaker, Petrus visser. Probeer zelf de draaischijf en het weefgetouw.
Aan de draaischijf
Vorm een pot. Mislukt hij? Dan maakt de pottenbakker er iets nieuws van.
Jeremia ging naar het huis van de pottenbakker. De pot die hij maakte mislukte in zijn handen, maar de pottenbakker gooide de klei niet weg: hij maakte er een andere pot van, zoals hij goed vond. 'Zoals klei in de hand van de pottenbakker, zo zijn jullie in mijn hand', zegt God. Paulus gebruikt hetzelfde beeld in Romeinen 9.
De pot van de pottenbakker mislukte. Hij gooide hem niet weg, maar maakte er iets nieuws van. Zo is God met ons.
Aan het weefgetouw
Kies een kleur en schiet de spoel door de draden. Rij na rij groeit jouw patroon.
0 van 12 rijen
Een staand weefgetouw: de scheringdraden hangen strak, verzwaard met stenen, en de spoel met de inslagdraad gaat er om beurten voor en achter langs. Job klaagt dat zijn dagen sneller gaan dan een weversspoel. Hoe snel wordt jouw doek?
Kies een kleur en schiet de spoel erdoor. Over, onder, over, onder: zo wordt het een doek!
Waar alles van gemaakt was
Klei
Potten, lampen, kruiken, ovens en zelfs dakbedekking: alles van klei. Scherven zijn wat archeologen het meest vinden. Paulus: 'We dragen deze schat in aarden potten', zodat duidelijk is dat de kracht van God komt.
Van klei maakte je potten, kruiken en lampjes. God is als een pottenbakker en wij zijn de klei.
Hout
Hout was schaars en kostbaar: deuren, dakbalken, ploegen, jukken. Jozef en Jezus worden 'tekton' genoemd, meestal vertaald als timmerman; het woord betekent bouwvakker in hout of steen. Jezus' jukken 'zitten zacht'.
Jezus en Jozef werkten met hout en steen. Ze maakten deuren, ploegen en jukken.
Steen
Huizen, muren, molenstenen, graven en de grote stenen van de tempel. De steen die de bouwers afkeurden, is de hoeksteen geworden. Petrus: jullie zijn levende stenen, samen gebouwd tot een huis voor God.
Van stenen bouwde je huizen. Petrus zegt: jullie zijn levende stenen in Gods huis.
Brons
Koper en tin samen: voor potten, wapens, het altaar en het wasbekken van de tabernakel. Mozes maakte een bronzen slang op een paal, en wie ernaar keek, bleef leven. Jezus: zo moet ook de Mensenzoon verhoogd worden.
Mozes maakte een slang van brons op een stok. Wie ernaar keek, werd beter.
IJzer
IJzer was harder dan brons. In de tijd van Saul hadden de Filistijnen de smeden, en moest Israël bij hen zijn ploegen laten slijpen. De profeten zien een dag dat zwaarden tot ploegijzers worden omgesmeed.
Van ijzer maakte je ploegen. Op een dag smeden we alle zwaarden om tot ploegen!
Goud en zilver
Goud en zilver werden gezuiverd in een smeltkroes: het vuur haalt de onzuiverheid eruit. Zo beschrijft de Bijbel hoe God mensen louterde. Petrus: je geloof is kostbaarder dan goud dat door vuur wordt beproefd.
Goud werd in het vuur heel zuiver gemaakt. Zo maakt God ons geloof sterk.
Spinnen en weven
Bijna elke familie spon en weefde zelf: wol en vlas werden draad, draad werd doek op een staand weefgetouw. Bezalel en Oholiab kregen wijsheid van God voor het weefwerk van de tabernakel. 'U hebt mij geweven in de schoot van mijn moeder.'
Van draad maakte je doek op een weefgetouw. God heeft jou ook gemaakt, draadje voor draadje.
Leer
Gelooide huiden werden riemen, sandalen, zakken voor water en wijn, en tenten. Paulus verdiende zijn brood als tentmaker, samen met Aquila en Priscilla, zodat hij niemand tot last was. Jezus: nieuwe wijn doe je niet in oude leren zakken.
Paulus maakte tenten van leer en stof. Zo verdiende hij zijn eten.
Netten
Vissers op het meer van Galilea knoopten netten van linnen draad en herstelden ze na elke nacht. Jacobus en Johannes zaten hun netten te repareren toen Jezus hen riep. Na de opstanding zat het net zo vol, 153 vissen, en het scheurde niet.
Vissers maakten netten van touw. Jezus zei: kom, Ik maak jullie vissers van mensen!