1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed. 3Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela. 4Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep. 5Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela. 6Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE. 7Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE! 8Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen.
1Answer me when I call, God of my righteousness. Give me relief from my distress. Have mercy on me, and hear my prayer. 2You sons of men, how long shall my glory be turned into dishonor? Will you love vanity, and seek after falsehood? Selah. 3But know that Yahweh has set apart for himself him who is godly: Yahweh will hear when I call to him. 4Stand in awe, and don’t sin. Search your own heart on your bed, and be still. Selah. 5Offer the sacrifices of righteousness. Put your trust in Yahweh. 6Many say, “Who will show us any good?” Yahweh, let the light of your face shine on us. 7You have put gladness in my heart, more than when their grain and their new wine are increased. 8In peace I will both lay myself down and sleep, for you, Yahweh alone, make me live in safety.
Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.