Naar de inhoud
Bèta

Psalmen 131

Dit hoofdstuk hoort bij: Boek V

1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. 2Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij. 3Israel hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.

Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.