1Et sept femmes saisiront en ce jour un seul homme, et diront : Nous mangerons notre pain, Et nous nous vêtirons de nos habits ; Fais-nous seulement porter ton nom ! Enlève notre opprobre ! 2En ce temps-là, le germe de l’Éternel Aura de la magnificence et de la gloire, Et le fruit du pays aura de l’éclat et de la beauté Pour les réchappés d’Israël. 3Et les restes de Sion, les restes de Jérusalem, Seront appelés saints, Quiconque à Jérusalem sera inscrit parmi les vivants, 4Après que le Seigneur aura lavé les ordures des filles de Sion, Et purifié Jérusalem du sang qui est au milieu d’elle, Par le souffle de la justice et par le souffle de la destruction. 5L’Éternel établira, sur toute l’étendue de la montagne de Sion Et sur ses lieux d’assemblées, Une nuée fumante pendant le jour, Et un feu de flammes éclatantes pendant la nuit ; Car tout ce qui est glorieux sera mis à couvert. 6Il y aura un abri pour donner de l’ombre contre la chaleur du jour, Pour servir de refuge et d’asile contre l’orage et la pluie.
1Seven women shall take hold of one man in that day, saying, “We will eat our own bread, and wear our own clothing: only let us be called by your name. Take away our reproach.” 2In that day, Yahweh’s branch will be beautiful and glorious, and the fruit of the land will be the beauty and glory of the survivors of Israel. 3It will happen, that he who is left in Zion, and he who remains in Jerusalem, shall be called holy, even everyone who is written among the living in Jerusalem; 4when the Lord shall have washed away the filth of the daughters of Zion, and shall have purged the blood of Jerusalem from its midst, by the spirit of justice, and by the spirit of burning. 5Yahweh will create over the whole habitation of Mount Zion, and over her assemblies, a cloud and smoke by day, and the shining of a flaming fire by night; for over all the glory will be a canopy. 6There will be a pavilion for a shade in the daytime from the heat, and for a refuge and for a shelter from storm and from rain.
1En te dien dage zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze klederen zullen wij bekleed zijn, laat ons alleenlijk naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg. 2Te dien dage zal des HEEREN SPRUIT zijn tot sieraad en tot heerlijkheid, en de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israel. 3En het zal geschieden, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een iegelijk, die geschreven is ten leven te Jeruzalem; 4Als de Heere zal afgewassen hebben den drek der dochteren van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit derzelver midden, door den Geest des oordeels, en door den Geest der uitbranding. 5En de HEERE zal over alle woning van den berg Sions, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. 6En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen den vloed en tegen den regen.
Les numéros de versets suivent la traduction choisie et peuvent différer d'un verset dans quelques chapitres.