1OYE, oh Jehová, justicia; está atento á mi clamor; escucha mi oración hecha sin labios de engaño. 2De delante de tu rostro salga mi juicio; vean tus ojos la rectitud. 3Tú has probado mi corazón, hasme visitado de noche; me has apurado, y nada inicuo hallaste: heme propuesto que mi boca no ha de propasarse. 4Para las obras humanas, por la palabra de tus labios yo me he guardado de las vías del destructor. 5Sustenta mis pasos en tus caminos, porque mis pies no resbalen. 6Yo te he invocado, por cuanto tú me oirás, oh Dios: inclina á mí tu oído, escucha mi palabra. 7Muestra tus estupendas misericordias, tú que salvas á los que en ti confían de los que se levantan contra tu diestra. 8Guárdame como lo negro de la niñeta del ojo, escóndeme con la sombra de tus alas, 9De delante de los malos que me oprimen, de mis enemigos que me cercan por la vida. 10Cerrados están con su grosura; con su boca hablan soberbiamente. 11Nuestros pasos nos han cercado ahora: puestos tienen sus ojos para echarnos por tierra. 12Parecen al león que desea hacer presa, y al leoncillo que está escondido. 13Levántate, oh Jehová; prevén su encuentro, póstrale: libra mi alma del malo con tu espada; 14De los hombres con tu mano, oh Jehová, de los hombres de mundo, cuya parte es en esta vida, y cuyo vientre hinches de tu tesoro: hartan sus hijos, y dejan el resto á sus chiquitos. 15Yo en justicia veré tu rostro: seré saciado cuando despertare á tu semejanza.
1Hear, Yahweh, my righteous plea; Give ear to my prayer, that doesn’t go out of deceitful lips. 2Let my sentence come out of your presence. Let your eyes look on equity. 3You have proved my heart. You have visited me in the night. You have tried me, and found nothing. I have resolved that my mouth shall not disobey. 4As for the works of men, by the word of your lips, I have kept myself from the ways of the violent. 5My steps have held fast to your paths. My feet have not slipped. 6I have called on you, for you will answer me, God. Turn your ear to me. Hear my speech. 7Show your marvelous loving kindness, you who save those who take refuge by your right hand from their enemies. 8Keep me as the apple of your eye. Hide me under the shadow of your wings, 9from the wicked who oppress me, my deadly enemies, who surround me. 10They close up their callous hearts. With their mouth they speak proudly. 11They have now surrounded us in our steps. They set their eyes to cast us down to the earth. 12He is like a lion that is greedy of his prey, as it were a young lion lurking in secret places. 13Arise, Yahweh, confront him. Cast him down. Deliver my soul from the wicked by your sword; 14from men by your hand, Yahweh, from men of the world, whose portion is in this life. You fill the belly of your cherished ones. Your sons have plenty, and they store up wealth for their children. 15As for me, I shall see your face in righteousness. I shall be satisfied, when I awake, with seeing your form.
1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken. 2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen. 3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. 4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers; 5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen. 6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede. 7Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan! 8Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen, 9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen. 10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk. 11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende. 12Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen. 13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze; 14Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter. 15Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
La numeración de los versículos sigue la traducción elegida y en algunos capítulos puede diferir en un versículo.