Ir al contenido
Beta

Línea del tiempo

Una sola historia, de principio a fin

La Biblia es una biblioteca, pero también una gran historia. Síguela a través del tiempo, de la creación a la primera iglesia, y mira cómo todo apunta a Jesús.

Por ahora, las explicaciones de pasajes y libros solo están en neerlandés, y la Biblia aún no está en español: de momento lees la World English Bible en inglés. La app sí está en español; las traducciones llegarán.

Las fechas anteriores a los reyes son inciertas; donde los estudiosos difieren, aparecen ambas posibilidades.

  1. Voor de geschiedschrijving

    In het begin

    Genesis 1–11 vertelt hoe God alles maakt, hoe de mens zich van Hem afkeert, en hoe God toch trouw blijft. Het zijn geen jaartallen maar de fundamenten: wie God is, wie wij zijn en wat er misging.

    1. Het begin

      God maakt hemel en aarde

      God spreekt, en het is er. De mens krijgt een bijzondere plek: gemaakt naar Gods beeld, om voor de aarde te zorgen.

      Genesis 1

      Hilo rojo hacia Jesús

      Het Woord waardoor alles gemaakt is, blijkt een Persoon: Jezus.

      Johannes 1:1–3
    2. Daarna

      De zondeval en de eerste belofte

      Adam en Eva wantrouwen God en eten van de boom. De relatie breekt. Maar God belooft dat een nakomeling van de vrouw de slang de kop zal vermorzelen.

      Genesis 3

      Hilo rojo hacia Jesús

      Wat Adam brak, maakt Christus goed: 'zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen levend worden'.

      1 Korintiërs 15:22
    3. Daarna

      Noach en de ark

      Het kwaad groeit, en God oordeelt met de vloed. Maar Hij redt Noach en zijn gezin, en sluit een verbond met de regenboog als teken.

      Genesis 6–9
    4. Daarna

      De toren van Babel

      Mensen willen een naam maken zonder God. Hij verwart hun taal en verspreidt hen over de aarde.

      Genesis 11

      Hilo rojo hacia Jesús

      Met Pinksteren gebeurt het omgekeerde: mensen uit alle talen horen hetzelfde goede nieuws.

      Handelingen 2:6–11
  2. ca. 2000–1700 v.Chr.

    De aartsvaders

    God kiest één man en zijn familie om door hen alle volken te zegenen. Abraham, Isaak, Jakob en Jozef leven als nomaden in Kanaän en eindigen in Egypte.

    1. ca. 2000 v.Chr.

      God roept Abraham

      Abraham verlaat Ur en Haran op Gods woord. God belooft hem land, een groot volk, en: 'met u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden'.

      Genesis 12

      Hilo rojo hacia Jesús

      Paulus zegt: die zegen voor alle volken komt in Christus.

      Galaten 3:8, 16
    2. Daarna

      Abraham en Isaak op de berg

      God vraagt Abraham zijn zoon te offeren, en houdt hem tegen. 'God zal Zichzelf voorzien van een lam.' Er komt een ram in de plaats.

      Genesis 22

      Hilo rojo hacia Jesús

      Wat van Abraham niet gevraagd werd, deed God zelf: Hij spaarde zijn eigen Zoon niet.

      Romeinen 8:32
    3. Daarna

      Jakob wordt Israël

      Jakob, de bedrieger, worstelt een nacht met God en krijgt een nieuwe naam: Israël. Zijn twaalf zonen worden de twaalf stammen.

      Genesis 32
    4. ca. 1700 v.Chr.

      Jozef in Egypte

      Door zijn broers verkocht, door God verhoogd. Jozef redt zijn familie van de honger. 'Gij hebt kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht.'

      Genesis 50:20
  3. ca. 1450 of ca. 1250 v.Chr.

    Uittocht en woestijn

    Israël wordt slaaf in Egypte. God bevrijdt hen door Mozes, geeft bij de Sinaï zijn wet en trekt veertig jaar met hen door de woestijn. Over de precieze datum verschillen geleerden.

    Escrito: De vijf boeken van Mozes gaan over deze tijd en de tijd ervoor.

    1. Uittocht

      De brandende braamstruik

      God spreekt Mozes aan in een struik die niet verbrandt, en noemt zijn naam: 'Ik ben die Ik ben'.

      Exodus 3

      Hilo rojo hacia Jesús

      Jezus neemt die naam op zich: 'Eer Abraham was, ben Ik.'

      Johannes 8:58
    2. Uittocht

      Het eerste Pascha

      Het bloed van een lam aan de deurposten beschermt Israël in de laatste plaag. Daarna laat de farao hen gaan, en God opent de Rode Zee.

      Exodus 12

      Hilo rojo hacia Jesús

      'Ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.' Jezus sterft op het Paasfeest.

      1 Korintiërs 5:7
    3. Drie maanden later

      De tien geboden bij de Sinaï

      God sluit een verbond met zijn bevrijde volk. Eerst de redding, dan de geboden: 'Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte heb geleid.'

      Exodus 20
    4. In de woestijn

      De koperen slang

      Wie gebeten is door een slang en opkijkt naar de koperen slang op de paal, blijft leven.

      Numeri 21

      Hilo rojo hacia Jesús

      'Zoals Mozes de slang verhoogd heeft in de woestijn, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.'

      Johannes 3:14–15
  4. ca. 1400/1200–1050 v.Chr.

    Het land en de rechters

    Onder Jozua trekt Israël Kanaän binnen. Daarna volgt een steeds herhaalde cirkel: het volk dient afgoden, raakt in nood, roept tot God, en Hij stuurt een rechter die redt.

    1. ca. 1400/1200 v.Chr.

      De muren van Jericho

      Geen strijd maar gehoorzaamheid: zeven dagen rond de stad, en de muren vallen. Rachab, een vreemdelinge, wordt gered.

      Jozua 6

      Hilo rojo hacia Jesús

      Rachab staat in het geslachtsregister van Jezus.

      Matteüs 1:5
    2. Rechterentijd

      De cirkel van de rechters

      Gideon, Debora, Simson: telkens redt God, telkens valt het volk terug. 'Een ieder deed wat recht was in zijn ogen.'

      Rechters 2
    3. Rechterentijd

      Ruth en Boaz

      Een Moabitische weduwe kiest voor de God van Israël. Boaz 'lost haar in' en trouwt met haar. Hun achterkleinzoon is David.

      Ruth 4

      Hilo rojo hacia Jesús

      Boaz is een beeld van Christus, de Losser die de prijs betaalt.

      Efeziërs 1:7
  5. ca. 1050–586 v.Chr.

    De koningen en de profeten

    Israël krijgt koningen: Saul, David, Salomo. Daarna scheurt het rijk in tweeën. Profeten waarschuwen koningen en volk, en kijken vooruit naar een Koning die komt.

    Escrito: Veel psalmen (David, ca. 1000), Spreuken en Prediker (verbonden met Salomo), en de profeten Amos, Hosea, Jesaja, Micha en Jeremia.

    1. ca. 1000 v.Chr.

      Gods belofte aan David

      David wil een huis voor God bouwen, maar God belooft David een huis: een zoon wiens koningschap eeuwig zal zijn.

      2 Samuël 7

      Hilo rojo hacia Jesús

      De engel zegt over Jezus: 'God zal Hem de troon van zijn vader David geven.'

      Lucas 1:32–33
    2. ca. 960 v.Chr.

      Salomo wijdt de tempel in

      De tempel in Jeruzalem wordt de plek waar God onder zijn volk woont en waar geofferd wordt.

      1 Koningen 8

      Hilo rojo hacia Jesús

      Jezus noemt zijn lichaam de tempel; in Hem woont God onder ons.

      Johannes 2:19–21
    3. ca. 930 v.Chr.

      Het rijk scheurt

      Na Salomo splitst het land: Israël in het noorden (tien stammen), Juda in het zuiden met Jeruzalem.

      1 Koningen 12
    4. ca. 860 v.Chr.

      Elia op de Karmel

      Eén profeet tegenover 450 profeten van Baäl. Vuur uit de hemel: 'De Heer, die is God!'

      1 Koningen 18
    5. 722 v.Chr.

      Samaria valt

      Assyrië verovert het noordrijk en voert de bevolking weg. De profeten hadden het aangekondigd.

      2 Koningen 17
    6. ca. 700 v.Chr.

      Jesaja ziet de lijdende Knecht

      'Hij is om onze overtredingen verwond… door zijn striemen is ons genezing geworden.'

      Jesaja 53

      Hilo rojo hacia Jesús

      Filippus legt precies deze tekst uit aan de Ethiopiër, en 'verkondigde hem Jezus'.

      Handelingen 8:32–35
    7. 586 v.Chr.

      Jeruzalem en de tempel verwoest

      Babel verovert Juda, verbrandt de tempel en voert het volk weg in ballingschap.

      2 Koningen 25
  6. 586–ca. 430 v.Chr.

    Ballingschap en terugkeer

    Ver van huis leert Israël dat God ook in Babel God is. Na zeventig jaar mogen ze terug, bouwen de tempel en de muren opnieuw, en wachten op wat de profeten beloofden.

    Escrito: Ezechiël, Daniël, Klaagliederen, Haggai, Zacharia, Ezra, Nehemia, Ester en als laatste Maleachi.

    1. ca. 540 v.Chr.

      Daniël in de leeuwenkuil

      Daniël blijft bidden, ook al is het verboden. God sluit de muil van de leeuwen.

      Daniël 6

      Hilo rojo hacia Jesús

      Daniël ziet 'een als eens mensen zoon' die eeuwige heerschappij krijgt; Jezus noemt zich zo.

      Marcus 14:62
    2. 538 v.Chr.

      Kores laat de ballingen gaan

      De Perzische koning Kores verovert Babel en laat de Joden terugkeren om de tempel te herbouwen.

      Ezra 1
    3. ca. 475 v.Chr.

      Ester voor de koning

      In Perzië dreigt een volkerenmoord. Ester riskeert haar leven: 'Wie weet of gij niet voor een tijd als deze tot het koninkrijk gekomen zijt?'

      Ester 4
    4. 445 v.Chr.

      Nehemia bouwt de muur

      In 52 dagen staat de muur van Jeruzalem weer, ondanks spot en tegenwerking.

      Nehemia 6
    5. ca. 430 v.Chr.

      Maleachi: de bode komt

      Het laatste boek van het Oude Testament kondigt een bode aan die de weg bereidt, en dan de Heer zelf.

      Maleachi 3

      Hilo rojo hacia Jesús

      Jezus zegt dat Johannes de Doper die bode is.

      Matteüs 11:10
  7. ca. 430–5 v.Chr.

    Tussen de testamenten

    Vier eeuwen zonder nieuw Bijbelboek, maar niet zonder betekenis. Grieken en Romeinen maken een wereld met één taal en goede wegen: klaar voor het evangelie. 'Toen de volheid van de tijd gekomen is, heeft God zijn Zoon gezonden' (Galaten 4:4).

    1. 332 v.Chr.

      Alexander de Grote

      Alexander verovert het Midden-Oosten. Grieks wordt de taal van handel en cultuur, ook later de taal van het Nieuwe Testament.

    2. 3e–2e eeuw v.Chr.

      De Septuagint

      In Alexandrië wordt het Oude Testament in het Grieks vertaald. De eerste christenen citeren er vaak uit.

    3. 167–164 v.Chr.

      De Makkabeeën

      De Syrische koning Antiochus verbiedt de dienst van God en ontheiligt de tempel. Na een opstand wordt de tempel opnieuw ingewijd.

      Hilo rojo hacia Jesús

      Jezus is in de tempel op het feest dat daaraan herinnert, het feest van de inwijding.

      Johannes 10:22–23
    4. 63 v.Chr.

      Rome neemt het over

      De Romeinse generaal Pompeius verovert Jeruzalem. Vanaf nu is het land een deel van het Romeinse rijk.

    5. 37–4 v.Chr.

      Koning Herodes de Grote

      Rome maakt Herodes koning. Hij bouwt de tempel prachtig uit, en is berucht om zijn wreedheid.

      Matteüs 2
  8. ca. 6/4 v.Chr.–30/33 n.Chr.

    Jezus

    Het middelpunt van de hele geschiedenis. God wordt mens, leeft onder ons, sterft aan een kruis en staat op uit de dood. Alle beloften komen hier samen.

    Escrito: De vier evangeliën vertellen dit, geschreven tussen ca. 60 en 95 n.Chr. door ooggetuigen en hun leerlingen.

    1. ca. 6–4 v.Chr.

      Geboren in Bethlehem

      In de stad van David, in een voederbak. Engelen zingen, herders komen kijken. (Onze jaartelling is later een paar jaar verkeerd berekend.)

      Lucas 2

      Hilo rojo hacia Jesús

      Micha had het al gezegd: uit Bethlehem komt de Heerser.

      Micha 5:1
    2. ca. 27–29 n.Chr.

      De doop in de Jordaan

      Johannes doopt Jezus. De Geest daalt neer, en de Vader zegt: 'Gij zijt Mijn geliefde Zoon.' Jezus begint zijn werk.

      Marcus 1
    3. Daarna

      Onderwijs en wonderen

      De Bergrede, gelijkenissen, zieken genezen, zondaars aan tafel. Het koninkrijk van God is dichtbij gekomen.

      Matteüs 5
    4. ca. 30 of 33 n.Chr.

      Gekruisigd onder Pontius Pilatus

      Op het Paasfeest wordt Jezus gekruisigd buiten Jeruzalem. 'Het is volbracht.'

      Johannes 19
    5. De derde dag

      Opgestaan!

      Het graf is leeg. Jezus verschijnt aan Maria, aan de leerlingen, aan meer dan vijfhonderd mensen tegelijk.

      Lucas 24
    6. Veertig dagen later

      Hemelvaart

      Jezus gaat terug naar de Vader, met de opdracht: 'Gij zult Mijn getuigen zijn, tot aan het uiterste der aarde.'

      Handelingen 1
  9. ca. 30–100 n.Chr.

    De eerste kerk

    Vanuit Jeruzalem gaat het goede nieuws de wereld in: naar Samaria, naar de volken, tot in Rome. Brieven aan jonge gemeenten worden het Nieuwe Testament.

    Escrito: De brieven van Paulus (ca. 48–65), Marcus (ca. 65), Matteüs, Lucas en Handelingen (ca. 60–85), Hebreeën, de brieven van Petrus, Jakobus, Judas, en als laatste Johannes en Openbaring (ca. 90–95).

    1. Pinksteren, ca. 30/33

      De Geest wordt uitgestort

      Petrus preekt, en die dag komen zo'n drieduizend mensen tot geloof. De kerk is geboren.

      Handelingen 2
    2. ca. 34 n.Chr.

      Saulus wordt Paulus

      Op weg naar Damascus om christenen op te pakken, ontmoet Saulus de opgestane Jezus. De vervolger wordt apostel.

      Handelingen 9
    3. ca. 46–57 n.Chr.

      De reizen van Paulus

      Paulus trekt door Klein-Azië en Griekenland en sticht gemeenten in onder meer Filippi, Korinthe en Efeze.

      Handelingen 13
    4. ca. 49 n.Chr.

      Het apostelconvent

      Moeten niet-Joden eerst Joods worden? Nee: iedereen wordt gered door de genade van de Heer Jezus.

      Handelingen 15
    5. ca. 60–62 n.Chr.

      Paulus in Rome

      Als gevangene bereikt Paulus Rome, en predikt daar 'met alle vrijmoedigheid, onverhinderd'. Zo eindigt Handelingen.

      Handelingen 28
    6. 64–70 n.Chr.

      Vervolging en de val van de tempel

      Nero vervolgt de christenen in Rome; volgens de traditie sterven Petrus en Paulus daar. In 70 verwoesten de Romeinen de tempel in Jeruzalem, zoals Jezus had gezegd.

      Lucas 21
    7. ca. 95 n.Chr.

      Johannes op Patmos

      De laatste apostel krijgt een visioen van de verheerlijkte Jezus en de nieuwe hemel en aarde. Het laatste boek van de Bijbel.

      Openbaring 21

      Hilo rojo hacia Jesús

      Het verhaal eindigt waar het begon: bij de boom van het leven, nu open voor iedereen.

      Openbaring 22:1–2

Empieza por el principio.

Lee Génesis 1