1以色列人出去与非利士人打仗,安营在以便以谢;非利士人安营在亚弗。 2非利士人向以色列人摆阵。两军交战的时候,以色列人败在非利士人面前;非利士人在战场上杀了他们的军兵约有四千人。 3百姓回到营里,以色列的长老说:「耶和华今日为何使我们败在非利士人面前呢?我们不如将耶和华的约柜从示罗抬到我们这里来,好在我们中间救我们脱离敌人的手。」 4于是百姓打发人到示罗,从那里将坐在二基路伯上万军之耶和华的约柜抬来。以利的两个儿子何弗尼、非尼哈与 神的约柜同来。 5耶和华的约柜到了营中,以色列众人就大声欢呼,地便震动。 6非利士人听见欢呼的声音,就说:「在希伯来人营里大声欢呼,是甚么缘故呢?」随后就知道耶和华的约柜到了营中。 7非利士人就惧怕起来,说:「有神到了他们营中」;又说:「我们有祸了!向来不曾有这样的事。 8我们有祸了!谁能救我们脱离这些大能之神的手呢?从前在旷野用各样灾殃击打埃及人的,就是这些神。 9非利士人哪,你们要刚强,要作大丈夫,免得作希伯来人的奴仆,如同他们作你们的奴仆一样。你们要作大丈夫,与他们争战。」 10非利士人和以色列人打仗,以色列人败了,各向各家奔逃,被杀的人甚多,以色列的步兵仆倒了三万。 11神的约柜被掳去,以利的两个儿子何弗尼、非尼哈也都被杀了。 12当日,有一个便雅悯人从阵上逃跑,衣服撕裂,头蒙灰尘,来到示罗。 13到了的时候,以利正在道旁坐在自己的位上观望,为 神的约柜心里担忧。那人进城报信,合城的人就都呼喊起来。 14以利听见呼喊的声音就问说:「这喧嚷是甚么缘故呢?」那人急忙来报信给以利。 15那时以利九十八岁了,眼目发直,不能看见。 16那人对以利说:「我是从阵上来的,今日我从阵上逃回。」以利说:「我儿,事情怎样?」 17报信的回答说:「以色列人在非利士人面前逃跑,民中被杀的甚多!你的两个儿子何弗尼、非尼哈也都死了,并且 神的约柜被掳去。」 18他一提 神的约柜,以利就从他的位上往后跌倒,在门旁折断颈项而死;因为他年纪老迈,身体沉重。以利作以色列的士师四十年。 19以利的儿妇、非尼哈的妻怀孕将到产期,她听见 神的约柜被掳去,公公和丈夫都死了,就猛然疼痛,曲身生产; 20将要死的时候,旁边站着的妇人们对她说:「不要怕!你生了男孩子了。」她却不回答,也不放在心上。 21她给孩子起名叫以迦博,说:「荣耀离开以色列了!」这是因 神的约柜被掳去,又因她公公和丈夫都死了。 22她又说:「荣耀离开以色列,因为 神的约柜被掳去了。」
1The word of Samuel came to all Israel. Now Israel went out against the Philistines to battle, and encamped beside Ebenezer: and the Philistines encamped in Aphek. 2The Philistines put themselves in array against Israel: and when they joined battle, Israel was struck before the Philistines; and they killed of the army in the field about four thousand men. 3When the people had come into the camp, the elders of Israel said, “Why has Yahweh struck us today before the Philistines? Let us get the ark of the covenant of Yahweh out of Shiloh to us, that it may come among us, and save us out of the hand of our enemies.” 4So the people sent to Shiloh; and they brought from there the ark of the covenant of Yahweh of Armies, who sits above the cherubim: and the two sons of Eli, Hophni and Phinehas, were there with the ark of the covenant of God. 5When the ark of the covenant of Yahweh came into the camp, all Israel shouted with a great shout, so that the earth rang again. 6When the Philistines heard the noise of the shout, they said, “What does the noise of this great shout in the camp of the Hebrews mean?” They understood that Yahweh’s ark had come into the camp. 7The Philistines were afraid, for they said, “God has come into the camp.” They said, “Woe to us! For there has not been such a thing before. 8Woe to us! Who shall deliver us out of the hand of these mighty gods? These are the gods that struck the Egyptians with all kinds of plagues in the wilderness. 9Be strong, and behave like men, O you Philistines, that you not be servants to the Hebrews, as they have been to you. Strengthen yourselves like men, and fight!” 10The Philistines fought, and Israel was struck, and they fled every man to his tent: and there was a very great slaughter; for there fell of Israel thirty thousand footmen. 11The ark of God was taken; and the two sons of Eli, Hophni and Phinehas, were slain. 12There ran a man of Benjamin out of the army, and came to Shiloh the same day, with his clothes torn, and with earth on his head. 13When he came, behold, Eli was sitting on his seat by the road watching; for his heart trembled for the ark of God. When the man came into the city, and told it, all the city cried out. 14When Eli heard the noise of the crying, he said, “What does the noise of this tumult mean?” The man hurried, and came and told Eli. 15Now Eli was ninety-eight years old; and his eyes were set, so that he could not see. 16The man said to Eli, “I am he who came out of the army, and I fled today out of the army.” He said, “How did the matter go, my son?” 17He who brought the news answered, “Israel has fled before the Philistines, and there has been also a great slaughter among the people. Your two sons also, Hophni and Phinehas, are dead, and the ark of God has been captured.” 18When he made mention of the ark of God, Eli fell from off his seat backward by the side of the gate; and his neck broke, and he died; for he was an old man, and heavy. He had judged Israel forty years. 19His daughter-in-law, Phinehas’ wife, was with child, near to be delivered. When she heard the news that the ark of God was taken, and that her father-in-law and her husband were dead, she bowed herself and gave birth; for her pains came on her. 20About the time of her death the women who stood by her said to her, “Don’t be afraid; for you have given birth to a son.” But she didn’t answer, neither did she regard it. 21She named the child Ichabod, saying, “The glory has departed from Israel”; because the ark of God was taken, and because of her father-in-law and her husband. 22She said, “The glory has departed from Israel; for the ark of God is taken.”
1En het woord van Samuel geschiedde aan gans Israel. En Israel toog uit, den Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haezer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek. 2En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israel te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zo werd Israel voor der Filistijnen aangezicht geslagen; want zij sloegen in de slagorden in het veld omtrent vier duizend man. 3Als het volk wederom in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israel: Waarom heeft ons de HEERE heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds des HEEREN, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden. 4Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark des verbonds des HEEREN der heirscharen, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark des verbonds van God. 5En het geschiedde, als de ark des verbonds des HEEREN in het leger kwam, zo juichte gans Israel met een groot gejuich, alzo dat de aarde dreunde. 6Als nu de Filistijnen de stem van het juichen hoorden, zo zeiden zij: Wat is de stem van dit grote juichen in het leger der Hebreen? Toen vernamen zij, dat de ark des HEEREN in het leger gekomen was. 7Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want dergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied! 8Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben, bij de woestijn. 9Zijt sterk, en weest mannen, gij Filistijnen, opdat gij de Hebreen niet misschien dient, gelijk als zij ulieden gediend hebben; zo zijt mannen, en strijdt. 10Toen streden de Filistijnen, en Israel werd geslagen, en zij vloden een iegelijk in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israel vielen dertig duizend voetvolks. 11En de ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 12Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo denzelfden dag; en zijn klederen waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd. 13En als hij kwam, ziet, zo zat Eli op een stoel aan de zijde van den weg, uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de ark Gods. Als die man kwam, om zulks te verkondigen in de stad, toen schreeuwde de ganse stad. 14En als Eli de stem des geroeps hoorde, zo zeide hij: Wat is de stem dezer beroerte? Toen haastte zich die man, en hij kwam en boodschapte het aan Eli. 15(Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijn ogen stonden stijf, dat hij niet zien kon.) 16En die man zeide tot Eli: Ik ben het, die uit de slagorden kom, en ik ben heden uit de slagorden gevloden. Hij dan zeide: Wat is er geschied, mijn zoon? 17Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zeide: Israel is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark Gods is genomen. 18En het geschiedde, als hij van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israel veertig jaren. 19En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark Gods genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeen overvielen haar. 20En omtrent den tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet, en nam het niet ter harte. 21En zij noemde het jongsken Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israel! Omdat de ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil. 22En zij zeide: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israel, want de ark Gods is genomen.
节数按所选译本编排,在少数章节中可能相差一节。