1以法莲人对基甸说:「你去与米甸人争战,没有招我们同去,为甚么这样待我们呢?」他们就与基甸大大地争吵。 2基甸对他们说:「我所行的岂能比你们所行的呢?以法莲拾取剩下的葡萄不强过亚比以谢所摘的葡萄吗? 3神已将米甸人的两个首领俄立和西伊伯交在你们手中;我所行的岂能比你们所行的呢?」基甸说了这话,以法莲人的怒气就消了。 4基甸和跟随他的三百人到约旦河过渡,虽然疲乏,还是追赶。 5基甸对疏割人说:「求你们拿饼来给跟随我的人吃,因为他们疲乏了;我们追赶米甸人的两个王西巴和撒慕拿。」 6疏割人的首领回答说:「西巴和撒慕拿已经在你手里,你使我们将饼给你的军兵吗?」 7基甸说:「耶和华将西巴和撒慕拿交在我手之后,我就用野地的荆条和枳棘打伤你们。」 8基甸从那里上到毗努伊勒,对那里的人也是这样说;毗努伊勒人也与疏割人回答他的话一样。 9他向毗努伊勒人说:「我平平安安回来的时候,我必拆毁这楼。」 10那时西巴和撒慕拿,并跟随他们的军队都在加各,约有一万五千人,就是东方人全军所剩下的;已经被杀约有十二万拿刀的。 11基甸就由挪巴和约比哈东边,从住帐棚人的路上去,杀败了米甸人的军兵,因为他们坦然无惧。 12西巴和撒慕拿逃跑;基甸追赶他们,捉住米甸的二王西巴和撒慕拿,惊散全军。 13约阿施的儿子基甸由希列斯坡从阵上回来, 14捉住疏割的一个少年人,问他:「疏割的首领长老是谁?」他就将首领长老七十七个人的名字写出来。 15基甸到了疏割,对那里的人说:「你们从前讥诮我说:『西巴和撒慕拿已经在你手里,你使我们将饼给跟随你的疲乏人吗?』现在西巴和撒慕拿在这里。」 16于是捉住那城内的长老,用野地的荆条和枳棘责打(原文是指教)疏割人; 17又拆了毗努伊勒的楼,杀了那城里的人。 18基甸问西巴和撒慕拿说:「你们在他泊山所杀的人是甚么样式?」回答说:「他们好像你,各人都有王子的样式。」 19基甸说:「他们是我同母的弟兄,我指着永生的耶和华起誓,你们从前若存留他们的性命,我如今就不杀你们了。」 20于是对他的长子益帖说:「你起来杀他们。」但益帖因为是童子,害怕,不敢拔刀。 21西巴和撒慕拿说:「你自己起来杀我们吧!因为人如何,力量也是如何。」基甸就起来,杀了西巴和撒慕拿,夺获他们骆驼项上戴的月牙圈。 22以色列人对基甸说:「你既救我们脱离米甸人的手,愿你和你的儿孙管理我们。」 23基甸说:「我不管理你们,我的儿子也不管理你们,惟有耶和华管理你们。」 24基甸又对他们说:「我有一件事求你们:请你们各人将所夺的耳环给我。」(原来仇敌是以实玛利人,都是戴金耳环的。) 25他们说:「我们情愿给你」,就铺开一件外衣,各人将所夺的耳环丢在其上。 26基甸所要出来的金耳环重一千七百舍客勒金子。此外还有米甸王所戴的月环、耳坠,和所穿的紫色衣服,并骆驼项上的金链子。 27基甸以此制造了一个以弗得,设立在本城俄弗拉。后来以色列人拜那以弗得行了邪淫;这就作了基甸和他全家的网罗。 28这样,米甸人被以色列人制伏了,不敢再抬头。基甸还在的日子,国中太平四十年。 29约阿施的儿子耶路・巴力回去,住在自己家里。 30基甸有七十个亲生的儿子,因为他有许多的妻。 31他的妾住在示剑,也给他生了一个儿子。基甸与他起名叫亚比米勒。 32约阿施的儿子基甸,年纪老迈而死,葬在亚比以谢族的俄弗拉,在他父亲约阿施的坟墓里。 33基甸死后,以色列人又去随从诸巴力行邪淫,以巴力・比利土为他们的神。 34以色列人不记念耶和华―他们的 神,就是拯救他们脱离四围仇敌之手的, 35也不照着耶路・巴力,就是基甸向他们所施的恩惠厚待他的家。
1The men of Ephraim said to him, “Why have you treated us this way, that you didn’t call us, when you went to fight with Midian?” They rebuked him sharply. 2He said to them, “What have I now done in comparison with you? Isn’t the gleaning of the grapes of Ephraim better than the vintage of Abiezer? 3God has delivered into your hand the princes of Midian, Oreb and Zeeb! What was I able to do in comparison with you?” Then their anger was abated toward him, when he had said that. 4Gideon came to the Jordan, and passed over, he, and the three hundred men who were with him, faint, yet pursuing. 5He said to the men of Succoth, “Please give loaves of bread to the people who follow me; for they are faint, and I am pursuing after Zebah and Zalmunna, the kings of Midian.” 6The princes of Succoth said, “Are the hands of Zebah and Zalmunna now in your hand, that we should give bread to your army?” 7Gideon said, “Therefore when Yahweh has delivered Zebah and Zalmunna into my hand, then I will tear your flesh with the thorns of the wilderness and with briers.” 8He went up there to Penuel, and spoke to them in the same way; and the men of Penuel answered him as the men of Succoth had answered. 9He spoke also to the men of Penuel, saying, “When I come again in peace, I will break down this tower.” 10Now Zebah and Zalmunna were in Karkor, and their armies with them, about fifteen thousand men, all who were left of all the army of the children of the east; for there fell one hundred twenty thousand men who drew sword. 11Gideon went up by the way of those who lived in tents on the east of Nobah and Jogbehah, and struck the army; for the army was secure. 12Zebah and Zalmunna fled; and he pursued after them; and he took the two kings of Midian, Zebah and Zalmunna, and confused all the army. 13Gideon the son of Joash returned from the battle from the ascent of Heres. 14He caught a young man of the men of Succoth, and inquired of him: and he described for him the princes of Succoth, and its elders, seventy-seven men. 15He came to the men of Succoth, and said, “See Zebah and Zalmunna, concerning whom you taunted me, saying, ‘Are the hands of Zebah and Zalmunna now in your hand, that we should give bread to your men who are weary?’” 16He took the elders of the city, and thorns of the wilderness and briers, and with them he taught the men of Succoth. 17He broke down the tower of Penuel, and killed the men of the city. 18Then he said to Zebah and Zalmunna, “What kind of men were they whom you killed at Tabor?” They answered, “They were like you. Each one resembled the children of a king.” 19He said, “They were my brothers, the sons of my mother. As Yahweh lives, if you had saved them alive, I would not kill you.” 20He said to Jether his firstborn, “Get up, and kill them!” But the youth didn’t draw his sword; for he was afraid, because he was yet a youth. 21Then Zebah and Zalmunna said, “Rise and fall on us; for as the man is, so is his strength.” Gideon arose, and killed Zebah and Zalmunna, and took the crescents that were on their camels’ necks. 22Then the men of Israel said to Gideon, “Rule over us, both you, and your son, and your son’s son also; for you have saved us out of the hand of Midian.” 23Gideon said to them, “I will not rule over you, neither shall my son rule over you. Yahweh shall rule over you.” 24Gideon said to them, “I would make a request of you, that you would give me every man the earrings of his plunder.” (For they had golden earrings, because they were Ishmaelites.) 25They answered, “We will willingly give them.” They spread a garment, and every man threw the earrings of his plunder into it. 26The weight of the golden earrings that he requested was one thousand and seven hundred shekels of gold, besides the crescents, and the pendants, and the purple clothing that was on the kings of Midian, and besides the chains that were about their camels’ necks. 27Gideon made an ephod of it, and put it in his city, even in Ophrah: and all Israel played the prostitute after it there; and it became a snare to Gideon, and to his house. 28So Midian was subdued before the children of Israel, and they lifted up their heads no more. The land had rest forty years in the days of Gideon. 29Jerubbaal the son of Joash went and lived in his own house. 30Gideon had seventy sons conceived from his body; for he had many wives. 31His concubine who was in Shechem, she also bore him a son, and he named him Abimelech. 32Gideon the son of Joash died in a good old age, and was buried in the tomb of Joash his father, in Ophrah of the Abiezrites. 33As soon as Gideon was dead, the children of Israel turned again, and played the prostitute after the Baals, and made Baal Berith their god. 34The children of Israel didn’t remember Yahweh their God, who had delivered them out of the hand of all their enemies on every side; 35neither did they show kindness to the house of Jerubbaal, Gideon, according to all the goodness which he had shown to Israel.
1Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. 2Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? 3God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak. 4Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende. 5En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna. 6Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven? 7Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen. 8En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden. 9Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen. 10Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. 11En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. 12En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger. 13Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon, 14Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. 15Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven? 16En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan. 17En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad. 18Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen. 19Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden! 20En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was. 21Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren. 22Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt. 23Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen. 24Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren. 25En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof. 26En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren. 27En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik. 28Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon. 29En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis. 30Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. 31En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech. 32En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets. 33En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God. 34En de kinderen Israels dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom. 35En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.
节数按所选译本编排,在少数章节中可能相差一节。