1耶和华对摩西、亚伦说: 2「你们晓谕以色列人说:人若身患漏症,他因这漏症就不洁净了。 3他患漏症,无论是下流的,是止住的,都是不洁净。 4他所躺的床都为不洁净,所坐的物也为不洁净。 5凡摸那床的,必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 6那坐患漏症人所坐之物的,必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 7那摸患漏症人身体的,必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 8若患漏症人吐在洁净的人身上,那人必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 9患漏症人所骑的鞍子也为不洁净。 10凡摸了他身下之物的,必不洁净到晚上;拿了那物的,必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 11患漏症的人没有用水涮手,无论摸了谁,谁必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 12患漏症人所摸的瓦器就必打破;所摸的一切木器也必用水涮洗。 13「患漏症的人痊愈了,就要为洁净自己计算七天,也必洗衣服,用活水洗身,就洁净了。 14第八天,要取两只斑鸠或是两只雏鸽,来到会幕门口、耶和华面前,把鸟交给祭司。 15祭司要献上一只为赎罪祭,一只为燔祭;因那人患的漏症,祭司要在耶和华面前为他赎罪。 16「人若梦遗,他必不洁净到晚上,并要用水洗全身。 17无论是衣服是皮子,被精所染,必不洁净到晚上,并要用水洗。 18若男女交合,两个人必不洁净到晚上,并要用水洗澡。 19「女人行经,必污秽七天;凡摸她的,必不洁净到晚上。 20女人在污秽之中,凡她所躺的物件都为不洁净,所坐的物件也都不洁净。 21凡摸她床的,必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 22凡摸她所坐甚么物件的,必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 23在女人的床上,或在她坐的物上,若有别的物件,人一摸了,必不洁净到晚上。 24男人若与那女人同房,染了她的污秽,就要七天不洁净;所躺的床也为不洁净。 25「女人若在经期以外患多日的血漏,或是经期过长,有了漏症,她就因这漏症不洁净,与她在经期不洁净一样。 26她在患漏症的日子所躺的床、所坐的物都要看为不洁净,与她月经的时候一样。 27凡摸这些物件的,就为不洁净,必不洁净到晚上,并要洗衣服,用水洗澡。 28女人的漏症若好了,就要计算七天,然后才为洁净。 29第八天,要取两只斑鸠或是两只雏鸽,带到会幕门口给祭司。 30祭司要献一只为赎罪祭,一只为燔祭;因那人血漏不洁,祭司要在耶和华面前为她赎罪。 31「你们要这样使以色列人与他们的污秽隔绝,免得他们玷污我的帐幕,就因自己的污秽死亡。」 32这是患漏症和梦遗而不洁净的, 33并有月经病的和患漏症的,无论男女,并人与不洁净女人同房的条例。
1Yahweh spoke to Moses and to Aaron, saying, 2“Speak to the children of Israel, and tell them, ‘When any man has a discharge from his body, because of his discharge he is unclean. 3This shall be his uncleanness in his discharge: whether his body runs with his discharge, or his body has stopped from his discharge, it is his uncleanness. 4“‘Every bed whereon he who has the discharge lies shall be unclean; and everything he sits on shall be unclean. 5Whoever touches his bed shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 6He who sits on anything whereon the man who has the discharge sat shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 7“‘He who touches the body of him who has the discharge shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 8“‘If he who has the discharge spits on him who is clean, then he shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 9“‘Whatever saddle he who has the discharge rides on shall be unclean. 10Whoever touches anything that was under him shall be unclean until the evening. He who carries those things shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 11“‘Whoever he who has the discharge touches, without having rinsed his hands in water, he shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 12“‘The earthen vessel, which he who has the discharge touches, shall be broken; and every vessel of wood shall be rinsed in water. 13“‘When he who has a discharge is cleansed of his discharge, then he shall count to himself seven days for his cleansing, and wash his clothes; and he shall bathe his flesh in running water, and shall be clean. 14“‘On the eighth day he shall take two turtledoves, or two young pigeons, and come before Yahweh to the door of the Tent of Meeting, and give them to the priest: 15and the priest shall offer them, the one for a sin offering, and the other for a burnt offering. The priest shall make atonement for him before Yahweh for his discharge. 16“‘If any man has an emission of semen, then he shall bathe all his flesh in water, and be unclean until the evening. 17Every garment, and every skin, whereon the semen is, shall be washed with water, and be unclean until the evening. 18If a man lies with a woman and there is an emission of semen, they shall both bathe themselves in water, and be unclean until the evening. 19“‘If a woman has a discharge, and her discharge in her flesh is blood, she shall be in her impurity seven days: and whoever touches her shall be unclean until the evening. 20“‘Everything that she lies on in her impurity shall be unclean. Everything also that she sits on shall be unclean. 21Whoever touches her bed shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 22Whoever touches anything that she sits on shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 23If it is on the bed, or on anything whereon she sits, when he touches it, he shall be unclean until the evening. 24“‘If any man lies with her, and her monthly flow is on him, he shall be unclean seven days; and every bed whereon he lies shall be unclean. 25“‘If a woman has a discharge of her blood many days not in the time of her period, or if she has a discharge beyond the time of her period; all the days of the discharge of her uncleanness shall be as in the days of her period: she is unclean. 26Every bed whereon she lies all the days of her discharge shall be to her as the bed of her period: and everything whereon she sits shall be unclean, as the uncleanness of her period. 27Whoever touches these things shall be unclean, and shall wash his clothes, and bathe himself in water, and be unclean until the evening. 28“‘But if she is cleansed of her discharge, then she shall count to herself seven days, and after that she shall be clean. 29On the eighth day she shall take two turtledoves, or two young pigeons, and bring them to the priest, to the door of the Tent of Meeting. 30The priest shall offer the one for a sin offering, and the other for a burnt offering; and the priest shall make atonement for her before Yahweh for the uncleanness of her discharge. 31“‘Thus you shall separate the children of Israel from their uncleanness, so they will not die in their uncleanness, when they defile my tabernacle that is in their midst.’” 32This is the law of him who has a discharge, and of him who has an emission of semen, so that he is unclean thereby; 33and of her who has her period, and of a man or woman who has a discharge, and of him who lies with her who is unclean.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 2Spreekt tot de kinderen Israels, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn. 3Dit nu zal zijn onreinigheid om zijn vloed zijn: zo zijn vlees zijn vloed uitzevert, of zijn vlees van zijn vloed zich verstopt, dat is zijn onreinigheid. 4Alle leger, waarop hij, die den vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. 5Een ieder ook, die zijn leger zal aanroeren, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond. 6En die op dat tuig zit, waarop hij, die den vloed heeft, gezeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond. 7En die het vlees desgenen, die den vloed heeft, aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 8Als ook hij, die den vloed heeft, op een reine zal gespogen hebben, dan zal hij zijn klederen wassen, en zal zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 9Insgelijks alle zadel, waarop hij, die den vloed heeft, zal gereden hebben, zal onrein zijn. 10En al wie iets aanroert, dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan den avond; en die hetzelve draagt, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 11Daartoe een ieder, wien hij, die den vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zonder zijn handen met water gespoeld te hebben, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 12Ook het aarden vat, hetwelk hij, die den vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zal gebroken worden; maar alle houten vat zal met water gespoeld worden. 13Als hij nu, die den vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn klederen wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn. 14En op den achtsten dag zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen; en zal voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst komen, en zal ze den priester geven. 15En de priester zal die bereiden, een ten zondoffer, en een ten brandoffer; zo zal de priester over hem voor het aangezicht des HEEREN, vanwege zijn vloed, verzoening doen. 16Verder een man, als van hem het zaad des bijliggens zal uitgegaan zijn, die zal zijn ganse vlees met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 17Ook alle kleed, en alle vel, aan hetwelk het zaad des bijliggens wezen zal, dat zal met water gewassen worden, en onrein zijn tot aan den avond. 18Mitsgaders de vrouw, als een man met het zaad des bijliggens bij haar gelegen zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 19Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan den avond. 20En al hetgeen, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; mitsgaders alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn. 21En al wie haar leger aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 22Ook al wie enig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 23Zelfs indien het op het leger geweest zal zijn, of op het tuig, waarop zij zat, als hij dat aanroerde, hij zal onrein zijn tot aan den avond. 24Insgelijks zo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn. 25Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten den tijd harer afzondering, van den vloed haars bloeds vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven hare afzondering, zij zal al den dagen van den vloed harer onreinigheid, als in de dagen harer afzondering onrein zijn. 26Alle leger, waarop zij al de dagen haars vloeds gelegen zal hebben, zal haar zijn als het leger harer afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinigheid harer afzondering. 27En zo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 28Maar als zij van haar vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn. 29En op den achtsten dag zal zij voor zich twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, en zij zal die tot den priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst. 30Dan zal de priester een ten zondoffer en een ten brandoffer bereiden; en de priester zal voor haar, van den vloed harer onreinigheid, verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN. 31Alzo zult gij de kinderen Israels afzonderen van hun onreinigheid; opdat zij in hun onreinigheid niet sterven, als zij Mijn tabernakel, die in het midden van hen is, verontreinigen zouden. 32Dit is de wet desgenen, die den vloed heeft, en van wien het zaad der bijligging uitgaat; zodat hij daardoor onrein wordt; 33Mitsgaders van een zwakke vrouw in haar afzondering, en van degene, die van zijn vloed is vloeiende, voor een man, en voor een vrouw; en voor een man, die bij een onreine zal gelegen hebben.
节数按所选译本编排,在少数章节中可能相差一节。