1Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood. 2Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft? 3En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieen bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. 4Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in. 5En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon. 6Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan. 7En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon. 8Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali. 9Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw. 10En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon. 11Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad. 12Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon. 13Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser. 14En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. 15En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen. 16Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar. 17En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon. 18Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar. 19En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon. 20En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon. 21En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina. 22God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder. 23En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen! 24En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe. 25En het geschiedde, Als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land. 26Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, die ik u gediend heb. 27Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft. 28Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal. 29Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is. 30Want het weinige, dat gij voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? 31En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren. 32Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn. 33Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij getuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. 34Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord! 35En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen. 36En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban. 37Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanjen; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan die roeden was. 38En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. 39Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte. 40Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban. 41En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden. 42Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen. 43En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.
1When Rachel saw that she bore Jacob no children, Rachel envied her sister. She said to Jacob, “Give me children, or else I will die.” 2Jacob’s anger was kindled against Rachel, and he said, “Am I in God’s place, who has withheld from you the fruit of the womb?” 3She said, “Behold, my maid Bilhah. Go in to her, that she may bear on my knees, and I also may obtain children by her.” 4She gave him Bilhah her handmaid as wife, and Jacob went in to her. 5Bilhah conceived, and bore Jacob a son. 6Rachel said, “God has judged me, and has also heard my voice, and has given me a son.” Therefore called she his name Dan. 7Bilhah, Rachel’s handmaid, conceived again, and bore Jacob a second son. 8Rachel said, “With mighty wrestlings have I wrestled with my sister, and have prevailed.” She named him Naphtali. 9When Leah saw that she had finished bearing, she took Zilpah, her handmaid, and gave her to Jacob as a wife. 10Zilpah, Leah’s handmaid, bore Jacob a son. 11Leah said, “How fortunate!” She named him Gad. 12Zilpah, Leah’s handmaid, bore Jacob a second son. 13Leah said, “Happy am I, for the daughters will call me happy.” She named him Asher. 14Reuben went in the days of wheat harvest, and found mandrakes in the field, and brought them to his mother, Leah. Then Rachel said to Leah, “Please give me some of your son’s mandrakes.” 15She said to her, “Is it a small matter that you have taken away my husband? Would you take away my son’s mandrakes, also?” Rachel said, “Therefore he will lie with you tonight for your son’s mandrakes.” 16Jacob came from the field in the evening, and Leah went out to meet him, and said, “You must come in to me; for I have surely hired you with my son’s mandrakes.” He lay with her that night. 17God listened to Leah, and she conceived, and bore Jacob a fifth son. 18Leah said, “God has given me my hire, because I gave my handmaid to my husband.” She named him Issachar. 19Leah conceived again, and bore a sixth son to Jacob. 20Leah said, “God has endowed me with a good dowry. Now my husband will live with me, because I have borne him six sons.” She named him Zebulun. 21Afterwards, she bore a daughter, and named her Dinah. 22God remembered Rachel, and God listened to her, and opened her womb. 23She conceived, bore a son, and said, “God has taken away my reproach.” 24She named him Joseph, saying, “May Yahweh add another son to me.” 25When Rachel had borne Joseph, Jacob said to Laban, “Send me away, that I may go to my own place, and to my country. 26Give me my wives and my children for whom I have served you, and let me go; for you know my service with which I have served you.” 27Laban said to him, “If now I have found favor in your eyes, stay here, for I have divined that Yahweh has blessed me for your sake.” 28He said, “Appoint me your wages, and I will give it.” 29He said to him, “You know how I have served you, and how your livestock have fared with me. 30For it was little which you had before I came, and it has increased to a multitude. Yahweh has blessed you wherever I turned. Now when will I provide for my own house also?” 31He said, “What shall I give you?” Jacob said, “You shall not give me anything. If you will do this thing for me, I will again feed your flock and keep it. 32I will pass through all your flock today, removing from there every speckled and spotted one, and every black one among the sheep, and the spotted and speckled among the goats. This will be my hire. 33So my righteousness will answer for me hereafter, when you come concerning my hire that is before you. Every one that is not speckled and spotted among the goats, and black among the sheep, that might be with me, will be counted stolen.” 34Laban said, “Behold, let it be according to your word.” 35That day, he removed the male goats that were streaked and spotted, and all the female goats that were speckled and spotted, every one that had white in it, and all the black ones among the sheep, and gave them into the hand of his sons. 36He set three days’ journey between himself and Jacob, and Jacob fed the rest of Laban’s flocks. 37Jacob took to himself rods of fresh poplar, almond, plane tree, peeled white streaks in them, and made the white appear which was in the rods. 38He set the rods which he had peeled opposite the flocks in the gutters in the watering-troughs where the flocks came to drink. They conceived when they came to drink. 39The flocks conceived before the rods, and the flocks produced streaked, speckled, and spotted. 40Jacob separated the lambs, and set the faces of the flocks toward the streaked and all the black in the flock of Laban: and he put his own droves apart, and didn’t put them into Laban’s flock. 41Whenever the stronger of the flock conceived, Jacob laid the rods in front of the eyes of the flock in the gutters, that they might conceive among the rods; 42but when the flock were feeble, he didn’t put them in. So the feebler were Laban’s, and the stronger Jacob’s. 43The man increased exceedingly, and had large flocks, female servants and male servants, and camels and donkeys.
Versnummers volgen de gekozen vertaling en kunnen in enkele hoofdstukken met één vers verschillen.