1以萨迦的儿子是陀拉、普瓦、雅述(在创世记四十六章十三节是约伯)、伸仑,共四人。 2陀拉的儿子是乌西、利法雅、耶勒、雅买、易伯散、示母利,都是陀拉的族长,是大能的勇士。到大卫年间,他们的人数共有二万二千六百名。 3乌西的儿子是伊斯拉希;伊斯拉希的儿子是米迦勒、俄巴底亚、约珥、伊示雅,共五人,都是族长。 4他们所率领的,按着宗族出战的军队,共有三万六千人,因为他们的妻和子众多。 5他们的族弟兄在以萨迦各族中都是大能的勇士,按着家谱计算共有八万七千人。 6便雅悯的儿子是比拉、比结、耶叠,共三人。 7比拉的儿子是以斯本、乌西、乌薛、耶利摩、以利,共五人,都是族长,是大能的勇士。按着家谱计算,他们的子孙共有二万二千零三十四人。 8比结的儿子是细米拉、约阿施、以利以谢、以利约乃、暗利、耶利摩、亚比雅、亚拿突、亚拉篾。这都是比结的儿子。 9他们都是族长,是大能的勇士。按着家谱计算,他们的子孙共有二万零二百人。 10耶叠的儿子是比勒罕;比勒罕的儿子是耶乌施、便雅悯、以忽、基拿拿、细坦、他施、亚希沙哈。 11这都是耶叠的儿子,都是族长,是大能的勇士;他们的子孙能上阵打仗的,共有一万七千二百人。 12还有以珥的儿子书品、户品,并亚黑的儿子户伸。 13拿弗他利的儿子是雅薛、沽尼、耶色、沙龙。这都是辟拉的子孙。 14玛拿西的儿子亚斯列是他妾亚兰人所生的,又生了基列之父玛吉。 15玛吉娶的妻是户品、书品的妹子,名叫玛迦。玛拿西的次子名叫西罗非哈;西罗非哈但有几个女儿。 16玛吉的妻玛迦生了一个儿子,起名叫毗利施。毗利施的兄弟名叫示利施;示利施的儿子是乌兰和利金。 17乌兰的儿子是比但。这都是基列的子孙。基列是玛吉的儿子,玛吉是玛拿西的儿子。 18基列的妹子哈摩利吉生了伊施荷、亚比以谢、玛拉。 19〈示米大的儿子是亚现、示剑、利克希、阿尼安。〉 20以法莲的儿子是书提拉;书提拉的儿子是比列;比列的儿子是他哈;他哈的儿子是以拉大;以拉大的儿子是他哈; 21他哈的儿子是撒拔;撒拔的儿子是书提拉。以法莲又生以谢、以列;这二人因为下去夺取迦特人的牲畜,被本地的迦特人杀了。 22他们的父亲以法莲为他们悲哀了多日,他的弟兄都来安慰他。 23以法莲与妻同房,他妻就怀孕生了一子,以法莲因为家里遭祸,就给这儿子起名叫比利亚。 24他的女儿名叫舍伊拉,就是建筑上伯・和仑、下伯・和仑与乌羡・舍伊拉的。 25比利亚的儿子是利法和利悉。利悉的儿子是他拉;他拉的儿子是他罕; 26他罕的儿子是拉但;拉但的儿子是亚米忽;亚米忽的儿子是以利沙玛; 27以利沙玛的儿子是嫩;嫩的儿子是约书亚。 28以法莲人的地业和住处是伯特利与其村庄;东边拿兰,西边基色与其村庄;示剑与其村庄,直到迦萨与其村庄; 29还有靠近玛拿西人的境界,伯・善与其村庄;他纳与其村庄;米吉多与其村庄;多珥与其村庄。以色列儿子约瑟的子孙住在这些地方。 30亚设的儿子是音拿、亦施瓦、亦施韦、比利亚,还有他们的妹子西拉。 31比利亚的儿子是希别、玛结;玛结是比撒威的父亲。 32希别生雅弗勒、朔默、何坦,和他们的妹子书雅。 33雅弗勒的儿子是巴萨、宾哈、亚施法。这都是雅弗勒的儿子。 34朔默的儿子是亚希、罗迦、耶户巴、亚兰。 35朔默兄弟希连的儿子是琐法、音那、示利斯、亚抹。 36琐法的儿子是书亚、哈尼弗、书阿勒、比利、音拉、 37比悉、河得、珊玛、施沙、益兰、比拉。 38益帖的儿子是耶孚尼、毗斯巴、亚拉。 39乌拉的儿子是亚拉、汉尼业、利写。 40这都是亚设的子孙,都是族长,是精壮大能的勇士,也是首领中的头目,按着家谱计算,他们的子孙能出战的共有二万六千人。
1Of the sons of Issachar: Tola, and Puah, Jashub, and Shimron, four. 2The sons of Tola: Uzzi, and Rephaiah, and Jeriel, and Jahmai, and Ibsam, and Shemuel, heads of their fathers’ houses, of Tola; mighty men of valor in their generations: their number in the days of David was twenty-two thousand six hundred. 3The sons of Uzzi: Izrahiah. The sons of Izrahiah: Michael, and Obadiah, and Joel, Isshiah, five; all of them chief men. 4With them, by their generations, after their fathers’ houses, were bands of the army for war, thirty-six thousand; for they had many wives and sons. 5Their brothers among all the families of Issachar, mighty men of valor, reckoned in all by genealogy, were eighty-seven thousand. 6The sons of Benjamin: Bela, and Becher, and Jediael, three. 7The sons of Bela: Ezbon, and Uzzi, and Uzziel, and Jerimoth, and Iri, five; heads of fathers’ houses, mighty men of valor; and they were reckoned by genealogy twenty-two thousand thirty-four. 8The sons of Becher: Zemirah, and Joash, and Eliezer, and Elioenai, and Omri, and Jeremoth, and Abijah, and Anathoth, and Alemeth. All these were the sons of Becher. 9They were reckoned by genealogy, after their generations, heads of their fathers’ houses, mighty men of valor, twenty thousand two hundred. 10The sons of Jediael: Bilhan. The sons of Bilhan: Jeush, and Benjamin, and Ehud, and Chenaanah, and Zethan, and Tarshish, and Ahishahar. 11All these were sons of Jediael, according to the heads of their fathers’ households, mighty men of valor, seventeen thousand and two hundred, who were able to go out in the army for war. 12Shuppim also, and Huppim, the sons of Ir, Hushim, the sons of Aher. 13The sons of Naphtali: Jahziel, and Guni, and Jezer, and Shallum, the sons of Bilhah. 14The sons of Manasseh: Asriel, whom his concubine the Aramitess bore: she bore Machir the father of Gilead: 15and Machir took a wife of Huppim and Shuppim, whose sister’s name was Maacah; and the name of the second was Zelophehad: and Zelophehad had daughters. 16Maacah the wife of Machir bore a son, and she named him Peresh; and the name of his brother was Sheresh; and his sons were Ulam and Rakem. 17The sons of Ulam: Bedan. These were the sons of Gilead the son of Machir, the son of Manasseh. 18His sister Hammolecheth bore Ishhod, and Abiezer, and Mahlah. 19The sons of Shemida were Ahian, and Shechem, and Likhi, and Aniam. 20The sons of Ephraim: Shuthelah, and Bered his son, and Tahath his son, and Eleadah his son, and Tahath his son, 21and Zabad his son, and Shuthelah his son, and Ezer, and Elead, whom the men of Gath who were born in the land killed, because they came down to take away their livestock. 22Ephraim their father mourned many days, and his brothers came to comfort him. 23He went in to his wife, and she conceived, and bore a son, and he named him Beriah, because it went evil with his house. 24His daughter was Sheerah, who built Beth Horon the lower and the upper, and Uzzen Sheerah. 25Rephah was his son, and Resheph, and Telah his son, and Tahan his son, 26Ladan his son, Ammihud his son, Elishama his son, 27Nun his son, Joshua his son. 28Their possessions and habitations were Bethel and its towns, and eastward Naaran, and westward Gezer, with its towns; Shechem also and its towns, to Azzah and its towns; 29and by the borders of the children of Manasseh, Beth Shean and its towns, Taanach and its towns, Megiddo and its towns, Dor and its towns. In these lived the children of Joseph the son of Israel. 30The sons of Asher: Imnah, and Ishvah, and Ishvi, and Beriah, and Serah their sister. 31The sons of Beriah: Heber, and Malchiel, who was the father of Birzaith. 32Heber became the father of Japhlet, and Shomer, and Hotham, and Shua their sister. 33The sons of Japhlet: Pasach, and Bimhal, and Ashvath. These are the children of Japhlet. 34The sons of Shemer: Ahi, and Rohgah, Jehubbah, and Aram. 35The sons of Helem his brother: Zophah, and Imna, and Shelesh, and Amal. 36The sons of Zophah: Suah, and Harnepher, and Shual, and Beri, and Imrah, 37Bezer, and Hod, and Shamma, and Shilshah, and Ithran, and Beera. 38The sons of Jether: Jephunneh, and Pispa, and Ara. 39The sons of Ulla: Arah, and Hanniel, and Rizia. 40All these were the children of Asher, heads of the fathers’ houses, choice and mighty men of valor, chief of the princes. The number of them reckoned by genealogy for service in war was twenty-six thousand men.
1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier. 2De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en Jeriel, en Jachmai, en Jibsam, en Samuel; hoofden van de huizen hunner vaderen, van Thola, kloeke helden in hun geslachten; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd. 3En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden. 4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen. 5En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde. 6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie. 7En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziel, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig. 8De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliezer, en Eljoenai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher. 9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd. 10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar. 11Alle dezen waren kinderen van Jediael, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde. 12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher. 13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha. 14De kinderen van Manasse waren Asriel, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead. 15Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters. 16En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem. 17De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse. 18Belangende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiezer, en Mahela. 19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam. 20En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath; 21En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen. 22Daarom droeg Efraim, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten. 23Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis. 24Zijn dochter nu was Seera, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-Seera. 25En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan; 26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama; 27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua. 28En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naaran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen. 29En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Thaanach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israel, gewoond. 30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster. 31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith. 32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster. 33De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet. 34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram. 35En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal. 36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra, 37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera. 38De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara. 39En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniel, en Rizja. 40Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.
节数按所选译本编排,在少数章节中可能相差一节。