Mathayo 7:1 · New Testament
Oordeel niet: eerst de balk, dan de splinterThe plank and the speck
In de Bergrede waarschuwt Jezus tegen hard en schijnheilig oordelen: met de maat waarmee je meet, word je zelf gemeten. Wie eerst eerlijk naar zichzelf kijkt, kan daarna een ander echt helpen.
Kwa sasa, maelezo ya vifungu na ya vitabu yanapatikana kwa Kiholanzi tu. Maandiko ya Biblia na programu yenyewe yako katika lugha yako; tafsiri za maelezo zinakuja.
Draft: not yet reviewedThis explanation was written with sources, but has not yet been checked by a second reader.Spotted a mistake? Tell us.
The story
Jezus zit op een berg en leert zijn leerlingen hoe je leeft als je bij God hoort. Dan zegt Hij: 'Oordeel niet.' Hij geeft er een grappig voorbeeld bij. Stel je voor: iemand heeft een grote houten balk in zijn oog, maar zegt tegen een ander: 'Wacht, er zit een klein splintertje in jouw oog, ik haal het er wel even uit!' Dat is natuurlijk gek. Jezus bedoelt: we zien snel wat anderen fout doen, maar we vergeten onze eigen fouten. Kijk dus eerst eerlijk naar jezelf. Dan kun je iemand anders helpen, vriendelijk en zonder op hem of haar neer te kijken. Jezus zegt niet dat alles oké is wat mensen doen. Hij zegt: wees niet hard en niet schijnheilig.
A question for you
Teken samen een balk en een splinter. Waarom is het beeld zo grappig? Wat wil Jezus ermee zeggen?
Do it together
Balk-check: denk even stil aan iemand over wie je deze week iets negatiefs dacht of zei. Stel jezelf één eerlijke vraag: wat zegt dit over mij? Wie wil, deelt iets. Sluit af met de gulden regel (7:12).
Often read as
'Niemand mag iets van mij vinden': een schild tegen elke kritiek.
Read in context
Een waarschuwing tegen hard en schijnheilig oordelen. Eerst zelfonderzoek (de balk), dan pas helpen (de splinter). In dezelfde toespraak vraagt Jezus wel om onderscheidingsvermogen (vs 6 en 15–20).
Mathayo 7:1
“Usihukumu ili usije ukahukumiwa.
“Don’t judge, so that you won’t be judged.
Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
Ten verses before and after.
Maak je geen zorgen
25“Kwa hiyo nawaambia, msisumbukie maisha yenu kwamba mtakula nini au mtakunywa nini; au msumbukie miili yenu kwamba mtavaa nini. Je, maisha si zaidi ya chakula, na mwili zaidi ya mavazi? 26Waangalieni ndege wa angani; wao hawapandi wala hawavuni au kuweka ghalani, lakini Baba yenu wa mbinguni huwalisha. Je, ninyi si wa thamani zaidi kuliko hao ndege? 27Ni nani miongoni mwenu ambaye kwa kujitaabisha kwake anaweza kujiongezea hata saa moja zaidi katika maisha yake? 28“Nanyi kwa nini mnajitaabisha kwa ajili ya mavazi? Fikirini maua ya shambani yameavyo. Hayafanyi kazi wala hayafumi. 29Lakini nawaambia, hata Solomoni katika fahari yake yote hakuvikwa vizuri kama mojawapo ya hayo maua. 30Basi ikiwa Mungu huyavika hivi majani ya shambani, ambayo leo yapo na kesho yanatupwa motoni, je, hatawavika ninyi vizuri zaidi, enyi wa imani haba? 31Kwa hiyo msiwe na wasiwasi, mkisema, ‘Tutakula nini?’ au ‘Tutakunywa nini?’ au ‘Tutavaa nini?’ 32Watu wasiomjua Mungu ndio wanaoshindania hayo, lakini Baba yenu wa mbinguni anafahamu kuwa mnahitaji haya yote. 33Lakini utafuteni kwanza Ufalme wa Mungu na haki yake, na haya yote atawapa pia. 34Kwa hiyo msiwe na wasiwasi kuhusu kesho, kwa sababu kesho itajitaabikia yenyewe. Yatosha kwa siku masumbufu yake.
Chapter 7
Oordeel niet
1“Usihukumu ili usije ukahukumiwa. 2Kwa maana jinsi unavyowahukumu wengine, ndivyo utakavyohukumiwa, na kwa kipimo kile upimiacho, ndicho utakachopimiwa. 3“Mbona unatazama kibanzi kilicho ndani ya jicho la ndugu yako, na wala huoni boriti iliyo ndani ya jicho lako mwenyewe? 4Au unawezaje kumwambia ndugu yako, ‘Acha nitoe kibanzi kwenye jicho lako,’ wakati kuna boriti kwenye jicho lako mwenyewe? 5Ewe mnafiki, ondoa boriti ndani ya jicho lako kwanza, ndipo utaweza kuona dhahiri jinsi ya kuondoa kibanzi kilicho ndani ya jicho la ndugu yako. 6“Msiwape mbwa vitu vilivyo vitakatifu; wala msitupie nguruwe lulu zenu. Kama mkifanya hivyo, watazikanyagakanyaga na kisha watawageukia na kuwararua vipande vipande.
Vraag, zoek, klop
7“Ombeni nanyi mtapewa; tafuteni nanyi mtapata; bisheni nanyi mtafunguliwa mlango. 8Kwa kuwa kila aombaye hupewa; naye kila atafutaye hupata; na kila abishaye hufunguliwa mlango. 9“Au ni nani miongoni mwenu ambaye mwanawe akimwomba mkate atampa jiwe? 10Au mwanawe akimwomba samaki atampa nyoka? 11Ikiwa ninyi basi mlio waovu mnajua kuwapa watoto wenu vitu vizuri, si zaidi sana Baba yenu aliye mbinguni atawapa vitu vizuri wale wamwombao?
Maak je geen zorgen
25Therefore I tell you, don’t be anxious for your life: what you will eat, or what you will drink; nor yet for your body, what you will wear. Isn’t life more than food, and the body more than clothing? 26See the birds of the sky, that they don’t sow, neither do they reap, nor gather into barns. Your heavenly Father feeds them. Aren’t you of much more value than they? 27“Which of you, by being anxious, can add one momentto his lifespan? 28Why are you anxious about clothing? Consider the lilies of the field, how they grow. They don’t toil, neither do they spin, 29yet I tell you that even Solomon in all his glory was not dressed like one of these. 30But if God so clothes the grass of the field, which today exists, and tomorrow is thrown into the oven, won’t he much more clothe you, you of little faith? 31“Therefore don’t be anxious, saying, ‘What will we eat?’, ‘What will we drink?’ or, ‘With what will we be clothed?’ 32For the Gentiles seek after all these things; for your heavenly Father knows that you need all these things. 33But seek first God’s Kingdom, and his righteousness; and all these things will be given to you as well. 34Therefore don’t be anxious for tomorrow, for tomorrow will be anxious for itself. Each day’s own evil is sufficient.
Chapter 7
Oordeel niet
1“Don’t judge, so that you won’t be judged. 2For with whatever judgment you judge, you will be judged; and with whatever measure you measure, it will be measured to you. 3Why do you see the speck that is in your brother’s eye, but don’t consider the beam that is in your own eye? 4Or how will you tell your brother, ‘Let me remove the speck from your eye;’ and behold, the beam is in your own eye? 5You hypocrite! First remove the beam out of your own eye, and then you can see clearly to remove the speck out of your brother’s eye. 6“Don’t give that which is holy to the dogs, neither throw your pearls before the pigs, lest perhaps they trample them under their feet, and turn and tear you to pieces.
Vraag, zoek, klop
7“Ask, and it will be given you. Seek, and you will find. Knock, and it will be opened for you. 8For everyone who asks receives. He who seeks finds. To him who knocks it will be opened. 9Or who is there among you, who, if his son asks him for bread, will give him a stone? 10Or if he asks for a fish, who will give him a serpent? 11If you then, being evil, know how to give good gifts to your children, how much more will your Father who is in heaven give good things to those who ask him!
Maak je geen zorgen
25Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? 26Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? 27Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? 28En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; 29En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze. 30Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen? 31Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? 32Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. 33Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. 34Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.
Chapter 7
Oordeel niet
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden. 3En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? 4Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. 6Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
Vraag, zoek, klop
7Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 9Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven? 10En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven? 11Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!
The text as a unit: Oordeel niet (Mathayo 7:1–6).
1“Usihukumu ili usije ukahukumiwa. 2Kwa maana jinsi unavyowahukumu wengine, ndivyo utakavyohukumiwa, na kwa kipimo kile upimiacho, ndicho utakachopimiwa. 3“Mbona unatazama kibanzi kilicho ndani ya jicho la ndugu yako, na wala huoni boriti iliyo ndani ya jicho lako mwenyewe? 4Au unawezaje kumwambia ndugu yako, ‘Acha nitoe kibanzi kwenye jicho lako,’ wakati kuna boriti kwenye jicho lako mwenyewe? 5Ewe mnafiki, ondoa boriti ndani ya jicho lako kwanza, ndipo utaweza kuona dhahiri jinsi ya kuondoa kibanzi kilicho ndani ya jicho la ndugu yako. 6“Msiwape mbwa vitu vilivyo vitakatifu; wala msitupie nguruwe lulu zenu. Kama mkifanya hivyo, watazikanyagakanyaga na kisha watawageukia na kuwararua vipande vipande.
1“Don’t judge, so that you won’t be judged. 2For with whatever judgment you judge, you will be judged; and with whatever measure you measure, it will be measured to you. 3Why do you see the speck that is in your brother’s eye, but don’t consider the beam that is in your own eye? 4Or how will you tell your brother, ‘Let me remove the speck from your eye;’ and behold, the beam is in your own eye? 5You hypocrite! First remove the beam out of your own eye, and then you can see clearly to remove the speck out of your brother’s eye. 6“Don’t give that which is holy to the dogs, neither throw your pearls before the pigs, lest perhaps they trample them under their feet, and turn and tear you to pieces.
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden. 3En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? 4Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. 6Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
The whole chapter. The passage is lightly tinted.
Oordeel niet
1“Usihukumu ili usije ukahukumiwa. 2Kwa maana jinsi unavyowahukumu wengine, ndivyo utakavyohukumiwa, na kwa kipimo kile upimiacho, ndicho utakachopimiwa. 3“Mbona unatazama kibanzi kilicho ndani ya jicho la ndugu yako, na wala huoni boriti iliyo ndani ya jicho lako mwenyewe? 4Au unawezaje kumwambia ndugu yako, ‘Acha nitoe kibanzi kwenye jicho lako,’ wakati kuna boriti kwenye jicho lako mwenyewe? 5Ewe mnafiki, ondoa boriti ndani ya jicho lako kwanza, ndipo utaweza kuona dhahiri jinsi ya kuondoa kibanzi kilicho ndani ya jicho la ndugu yako. 6“Msiwape mbwa vitu vilivyo vitakatifu; wala msitupie nguruwe lulu zenu. Kama mkifanya hivyo, watazikanyagakanyaga na kisha watawageukia na kuwararua vipande vipande.
Vraag, zoek, klop
7“Ombeni nanyi mtapewa; tafuteni nanyi mtapata; bisheni nanyi mtafunguliwa mlango. 8Kwa kuwa kila aombaye hupewa; naye kila atafutaye hupata; na kila abishaye hufunguliwa mlango. 9“Au ni nani miongoni mwenu ambaye mwanawe akimwomba mkate atampa jiwe? 10Au mwanawe akimwomba samaki atampa nyoka? 11Ikiwa ninyi basi mlio waovu mnajua kuwapa watoto wenu vitu vizuri, si zaidi sana Baba yenu aliye mbinguni atawapa vitu vizuri wale wamwombao? 12Kwa hiyo chochote mnachotaka mtendewe na watu, ninyi nanyi watendeeni vivyo hivyo. Kwa kuwa hii ndiyo Sheria na Manabii.
De smalle poort
13“Ingieni kupitia mlango mwembamba, kwa maana lango ni pana na njia ni pana ielekeayo upotevuni, nao ni wengi waingiao kwa kupitia lango hilo. 14Lakini mlango ni mwembamba na njia ni finyu ielekeayo kwenye uzima, nao ni wachache tu waionao.
Bomen en vruchten
15“Jihadharini na manabii wa uongo, wanaowajia wakiwa wamevaa mavazi ya kondoo, lakini ndani ni mbwa mwitu wakali. 16Mtawatambua kwa matunda yao. Je, watu huchuma zabibu kwenye miiba, au tini kwenye michongoma? 17Vivyo hivyo, mti mwema huzaa matunda mazuri, na mti mbaya huzaa matunda mabaya. 18Mti mwema hauwezi kuzaa matunda mabaya, wala mti mbaya hauwezi kuzaa matunda mazuri. 19Kila mti usiozaa matunda mazuri hukatwa na kutupwa motoni. 20Hivyo, mtawatambua kwa matunda yao. 21“Si kila mtu aniambiaye, ‘Bwana, Bwana,’ atakayeingia katika Ufalme wa Mbinguni, bali ni yeye afanyaye mapenzi ya Baba yangu aliye mbinguni. 22Wengi wataniambia siku ile, ‘Bwana, Bwana, hatukutoa unabii kwa jina lako, na kwa jina lako kutoa pepo wachafu na kufanya miujiza mingi?’ 23Ndipo nitakapowaambia wazi, ‘Sikuwajua kamwe. Ondokeni kwangu, ninyi watenda maovu!’
Het huis op de rots
24“Kwa hiyo kila mtu ayasikiaye haya maneno yangu na kuyatenda, ni kama mtu mwenye busara aliyejenga nyumba yake kwenye mwamba. 25Mvua ikanyesha, mafuriko yakaja, na upepo ukavuma ukaipiga hiyo nyumba. Lakini haikuanguka; kwa sababu msingi wake ulikuwa kwenye mwamba. 26Naye kila anayesikia haya maneno yangu wala asiyatende, ni kama mtu mjinga aliyejenga nyumba yake kwenye mchanga. 27Mvua ikanyesha, mafuriko yakaja, nao upepo ukavuma ukaipiga hiyo nyumba, nayo ikaanguka kwa kishindo kikubwa.” 28Yesu alipomaliza kusema maneno haya, makutano ya watu wakashangazwa sana na mafundisho yake, 29kwa sababu alifundisha kama yeye aliye na mamlaka, wala si kama walimu wao wa sheria.
Oordeel niet
1“Don’t judge, so that you won’t be judged. 2For with whatever judgment you judge, you will be judged; and with whatever measure you measure, it will be measured to you. 3Why do you see the speck that is in your brother’s eye, but don’t consider the beam that is in your own eye? 4Or how will you tell your brother, ‘Let me remove the speck from your eye;’ and behold, the beam is in your own eye? 5You hypocrite! First remove the beam out of your own eye, and then you can see clearly to remove the speck out of your brother’s eye. 6“Don’t give that which is holy to the dogs, neither throw your pearls before the pigs, lest perhaps they trample them under their feet, and turn and tear you to pieces.
Vraag, zoek, klop
7“Ask, and it will be given you. Seek, and you will find. Knock, and it will be opened for you. 8For everyone who asks receives. He who seeks finds. To him who knocks it will be opened. 9Or who is there among you, who, if his son asks him for bread, will give him a stone? 10Or if he asks for a fish, who will give him a serpent? 11If you then, being evil, know how to give good gifts to your children, how much more will your Father who is in heaven give good things to those who ask him! 12Therefore whatever you desire for men to do to you, you shall also do to them; for this is the law and the prophets.
De smalle poort
13“Enter in by the narrow gate; for wide is the gate and broad is the way that leads to destruction, and many are those who enter in by it. 14Hownarrow is the gate, and restricted is the way that leads to life! Few are those who find it.
Bomen en vruchten
15“Beware of false prophets, who come to you in sheep’s clothing, but inwardly are ravening wolves. 16By their fruits you will know them. Do you gather grapes from thorns, or figs from thistles? 17Even so, every good tree produces good fruit; but the corrupt tree produces evil fruit. 18A good tree can’t produce evil fruit, neither can a corrupt tree produce good fruit. 19Every tree that doesn’t grow good fruit is cut down, and thrown into the fire. 20Therefore by their fruits you will know them. 21Not everyone who says to me, ‘Lord, Lord,’ will enter into the Kingdom of Heaven; but he who does the will of my Father who is in heaven. 22Many will tell me in that day, ‘Lord, Lord, didn’t we prophesy in your name, in your name cast out demons, and in your name do many mighty works?’ 23Then I will tell them, ‘I never knew you. Depart from me, you who work iniquity.’
Het huis op de rots
24“Everyone therefore who hears these words of mine, and does them, I will liken him to a wise man, who built his house on a rock. 25The rain came down, the floods came, and the winds blew, and beat on that house; and it didn’t fall, for it was founded on the rock. 26Everyone who hears these words of mine, and doesn’t do them will be like a foolish man, who built his house on the sand. 27The rain came down, the floods came, and the winds blew, and beat on that house; and it fell—and great was its fall.” 28When Jesus had finished saying these things, the multitudes were astonished at his teaching, 29for he taught them with authority, and not like the scribes.
Oordeel niet
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden. 3En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? 4Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. 6Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
Vraag, zoek, klop
7Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 9Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven? 10En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven? 11Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden! 12Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.
De smalle poort
13Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; 14Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.
Bomen en vruchten
15Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. 16Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? 17Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. 18Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 20Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen. 21Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. 22Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? 23En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!
Het huis op de rots
24Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; 25En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. 26En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot. 28En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer; 29Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
Where this passage sits in the structure of Mathayo.
- 1–2
Afkomst en geboorte
Stamboom, geboorte en vlucht naar Egypte.
- 3–4
Begin van Jezus' optreden
Doop, verzoeking in de woestijn, de eerste leerlingen.
- 5–7
Toespraak 1: de Bergrede
Hoe leven wie bij Gods koninkrijk hoort: zaligsprekingen, gebed, oordelen, het huis op de rots.
The passage is here
- 8–9
Wonderen en roeping
Genezingen en de roeping van Matteüs.
- 10
Toespraak 2: uitzending
De twaalf worden uitgezonden.
- 11–12
Groeiende tegenstand
Twijfel bij Johannes de Doper, conflict over de sabbat.
- 13
Toespraak 3: gelijkenissen
Zaaier, mosterdzaad, schat in de akker.
- 14–17
Wie is Jezus?
Broodwonderen, belijdenis van Petrus, verheerlijking op de berg.
- 18
Toespraak 4: leven als gemeente
Wie is de grootste, het verloren schaap, vergeving.
- 19–23
Op weg naar Jeruzalem
Intocht, tempel, debatten en scherpe kritiek op de schriftgeleerden.
- 24–25
Toespraak 5: de eindtijd
Waakzaamheid, talenten, het oordeel over de volken.
- 26–28
Lijden, dood en opstanding
Laatste maaltijd, kruisiging, opstanding en de zendingsopdracht.
- 1–2
Afkomst en geboorte
Stamboom, geboorte en vlucht naar Egypte.
- 3–4
Begin van Jezus' optreden
Doop, verzoeking in de woestijn, de eerste leerlingen.
- 5–7
Toespraak 1: de Bergrede
Hoe leven wie bij Gods koninkrijk hoort: zaligsprekingen, gebed, oordelen, het huis op de rots.
The passage is here
- 8–9
Wonderen en roeping
Genezingen en de roeping van Matteüs.
- 10
Toespraak 2: uitzending
De twaalf worden uitgezonden.
- 11–12
Groeiende tegenstand
Twijfel bij Johannes de Doper, conflict over de sabbat.
- 13
Toespraak 3: gelijkenissen
Zaaier, mosterdzaad, schat in de akker.
- 14–17
Wie is Jezus?
Broodwonderen, belijdenis van Petrus, verheerlijking op de berg.
- 18
Toespraak 4: leven als gemeente
Wie is de grootste, het verloren schaap, vergeving.
- 19–23
Op weg naar Jeruzalem
Intocht, tempel, debatten en scherpe kritiek op de schriftgeleerden.
- 24–25
Toespraak 5: de eindtijd
Waakzaamheid, talenten, het oordeel over de volken.
- 26–28
Lijden, dood en opstanding
Laatste maaltijd, kruisiging, opstanding en de zendingsopdracht.
- 1–2
Afkomst en geboorte
Stamboom, geboorte en vlucht naar Egypte.
- 3–4
Begin van Jezus' optreden
Doop, verzoeking in de woestijn, de eerste leerlingen.
- 5–7
Toespraak 1: de Bergrede
Hoe leven wie bij Gods koninkrijk hoort: zaligsprekingen, gebed, oordelen, het huis op de rots.
The passage is here
- 8–9
Wonderen en roeping
Genezingen en de roeping van Matteüs.
- 10
Toespraak 2: uitzending
De twaalf worden uitgezonden.
- 11–12
Groeiende tegenstand
Twijfel bij Johannes de Doper, conflict over de sabbat.
- 13
Toespraak 3: gelijkenissen
Zaaier, mosterdzaad, schat in de akker.
- 14–17
Wie is Jezus?
Broodwonderen, belijdenis van Petrus, verheerlijking op de berg.
- 18
Toespraak 4: leven als gemeente
Wie is de grootste, het verloren schaap, vergeving.
- 19–23
Op weg naar Jeruzalem
Intocht, tempel, debatten en scherpe kritiek op de schriftgeleerden.
- 24–25
Toespraak 5: de eindtijd
Waakzaamheid, talenten, het oordeel over de volken.
- 26–28
Lijden, dood en opstanding
Laatste maaltijd, kruisiging, opstanding en de zendingsopdracht.
Immediate context
What comes before
Vers 1 staat in de Bergrede (Mat. 5–7), die opent met de zaligsprekingen. Net daarvoor gaat het over geven, bidden en vasten 'niet om gezien te worden' (6:1–18), over schatten in de hemel en over zorgen: 'Zoek eerst het koninkrijk' (6:33).
What comes after
Jezus maakt het beeldend: waarom zie je de splinter in het oog van je broer, en niet de balk in je eigen oog? Haal eerst de balk weg, 'dan zul je helder zien' om de splinter weg te halen (7:3–5). Meteen daarna: geef het heilige niet aan de honden (7:6). Verderop: vraag, zoek, klop (7:7–11), de gulden regel (7:12) en 'aan hun vruchten zul je hen herkennen' (7:15–20).
Three layers
Text, background and interpretation
Kept apart, so you can see what the text says, what we know about the background and what is interpretation.
What the text says
Jezus zegt: oordeel niet, zodat er niet over jou geoordeeld wordt. Met het oordeel waarmee je oordeelt en de maat waarmee je meet, word je zelf gemeten. Hij vervolgt met het beeld van de balk en de splinter.
Historical background
Jezus sprak tot toehoorders in Galilea, voor wie de wet van Mozes het kader was. Matteüs schreef later voor een gemeenschap die zelf moest leren omgaan met conflicten en tucht (vgl. Mat. 18:15–17).
Literary background
De Bergrede is de eerste van vijf grote toespraken in Matteüs, die elk eindigen met 'toen Jezus deze woorden beëindigd had'. Hoofdstuk 7 bestaat uit korte eenheden die elk een aspect van gerechtigheid behandelen. De overdrijving (een balk in je oog!) is een typisch stijlmiddel van Jezus, net als de kameel door het oog van een naald.
Interpretation and application
Christenen lezen hier geen verbod op elk moreel oordeel, maar een waarschuwing tegen veroordelen: iemand afschrijven, en daarbij je eigen fouten negeren. Het vraagt eerst zelfonderzoek, dan milde eerlijkheid. Hoe je dat in de praktijk afweegt, bijvoorbeeld bij onrecht, is een blijvende vraag waarover christenen verschillend denken.
This is interpretation, not fact. Traditions sometimes read it differently.
Where scholars differ
- Of Matteüs (samen met Lucas) een gemeenschappelijke bron met uitspraken van Jezus gebruikte ('Q'), of Lucas Matteüs kende, is een open vraag. Lucas 6:37–42 heeft een verwante tekst in een andere volgorde.
- Vers 6 ('geef het heilige niet aan de honden') is een van de moeilijkste verzen van de Bergrede; uitleggers zijn het niet eens over wie met 'honden' en 'zwijnen' bedoeld wordt en waarom het hier staat.
Family moment
Reading together, about ten minutes
For a family, a couple or a few friends. Pick the questions that suit you.
1Read together
Mathayo 7:1–5
In your language's Bible translation. Feel free to read slowly; the explanation below is in plain words.
1“Usihukumu ili usije ukahukumiwa. 2Kwa maana jinsi unavyowahukumu wengine, ndivyo utakavyohukumiwa, na kwa kipimo kile upimiacho, ndicho utakachopimiwa. 3“Mbona unatazama kibanzi kilicho ndani ya jicho la ndugu yako, na wala huoni boriti iliyo ndani ya jicho lako mwenyewe? 4Au unawezaje kumwambia ndugu yako, ‘Acha nitoe kibanzi kwenye jicho lako,’ wakati kuna boriti kwenye jicho lako mwenyewe? 5Ewe mnafiki, ondoa boriti ndani ya jicho lako kwanza, ndipo utaweza kuona dhahiri jinsi ya kuondoa kibanzi kilicho ndani ya jicho la ndugu yako.
2Understand together
Jezus zit op een berg en leert zijn leerlingen hoe je leeft als je bij God hoort. Dan zegt Hij: 'Oordeel niet.' Hij geeft er een grappig voorbeeld bij. Stel je voor: iemand heeft een grote houten balk in zijn oog, maar zegt tegen een ander: 'Wacht, er zit een klein splintertje in jouw oog, ik haal het er wel even uit!' Dat is natuurlijk gek. Jezus bedoelt: we zien snel wat anderen fout doen, maar we vergeten onze eigen fouten. Kijk dus eerst eerlijk naar jezelf. Dan kun je iemand anders helpen, vriendelijk en zonder op hem of haar neer te kijken. Jezus zegt niet dat alles oké is wat mensen doen. Hij zegt: wees niet hard en niet schijnheilig.
3Talk together
- Children
Teken samen een balk en een splinter. Waarom is het beeld zo grappig? Wat wil Jezus ermee zeggen?
- Teens
Wat is het verschil tussen iemand veroordelen en iemand eerlijk zeggen dat iets niet oké is? Heb je een voorbeeld?
- Adults
Welke 'maat' gebruik ik voor anderen die ik voor mezelf niet gebruik: thuis, op het werk, online?
- Children
4Do together
ReflectionBalk-check: denk even stil aan iemand over wie je deze week iets negatiefs dacht of zei. Stel jezelf één eerlijke vraag: wat zegt dit over mij? Wie wil, deelt iets. Sluit af met de gulden regel (7:12).
Go deeperFor parents, to read beforehand
Het Griekse werkwoord 'krinō' kan 'onderscheiden', 'beoordelen' en 'veroordelen' betekenen. De context bepaalt het. Vers 5 ('dan zul je helder zien om de splinter weg te halen') laat zien dat Jezus corrigeren niet uitsluit, maar het volgorde en toon geeft.
Paulus gebruikt dezelfde gedachte bij het avondmaal: 'Maar de mens beproeve zichzelf' (1 Kor. 11:28). Eerst eerlijk naar jezelf kijken, dan pas samen aan tafel: zo leert de kerk dit al eeuwen.
Lucas plaatst hetzelfde materiaal in de veldrede (Luc. 6:37–42) en voegt toe: 'laat vrij, en je zult vrijgelaten worden; geef, en je zal gegeven worden.' Bij Lucas ligt de nadruk meer op vrijgevigheid.
In Matteüs 18:15–17 staat een concrete werkwijze voor als iemand in de gemeente iets verkeerds doet: eerst onder vier ogen. Dat laat zien dat 'oordeel niet' niet betekent dat je elkaar niet mag aanspreken.
Bo's quiz
Do you remember? Three questions about the story.