Jeremia 29:11 · Oude Testament
Plannen voor vrede, na zeventig jaarEen brief uit de verte
Een brief van Jeremia aan Judeeërs die naar Babel zijn weggevoerd: richt je in, zoek het welzijn van de stad en wacht. God belooft terugkeer en toekomst, maar pas na zeventig jaar.
Concept: nog niet nagelezenDeze uitleg is geschreven met bronnen, maar nog niet door een tweede lezer gecontroleerd.Zie je een fout? Meld het.
Het verhaal
Lang geleden werden veel mensen uit Jeruzalem gevangen genomen en meegenomen naar Babel, een groot land ver weg. Ze wilden heel graag terug naar huis. Sommige profeten zeiden: 'Binnen twee jaar zijn jullie thuis!' Maar Jeremia schreef hen een brief met een ander bericht. Hij schreef: bouw huizen, plant tuinen, trouw en zorg goed voor de stad waar je nu woont. Bid zelfs voor die stad. Pas na zeventig jaar mochten ze terug. Dat is langer dan de meeste mensen leven. Midden in die brief staat de bekende zin: 'Ik weet welke plannen Ik voor jullie heb: plannen voor vrede, om jullie een toekomst en hoop te geven.' Het is een belofte voor een hele groep mensen. Ze zegt dat God hen niet vergeten is, ook al duurt het lang.
Vraag voor jou
Stel je voor dat je moet verhuizen naar een land waar je niet wilt wonen. Wat zou je missen? Wat zou helpen om je er toch een beetje thuis te voelen?
Doe samen
Kies samen één klein ding dat je deze week doet voor je straat of buurt: een kaartje bij de buren, een groet, samen zwerfvuil rapen. Noem daarna je gemeente bij naam in een kort gebed.
Vaak gelezen als
Een persoonlijke belofte: God heeft een plan met mijn leven en het komt goed, liefst snel.
In verband gelezen
Een belofte aan een volk in ballingschap, met een wachttijd van zeventig jaar. Eerst komt de opdracht om zich in te richten en het goede te zoeken voor de stad van de vijand.
Jeremia 29:11
Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.
For I know the thoughts that I think toward you, says Yahweh, thoughts of peace, and not of evil, to give you hope and a future.
Tien verzen ervoor en erna.
Brief aan de ballingen in Babel
1Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel. 2(Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan); 3Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, den koning van Babel, zeggende: 4Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; 6Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. 7En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben. 8Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen. 9Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE. 10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. 11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting. 12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. 13En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart. 14En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15Omdat gij zegt: de HEERE heeft ons profeten naar Babel verwekt; 16Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis; 17Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. 18En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben; 19Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE. 20Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden! 21Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.
Brief aan de ballingen in Babel
1Now these are the words of the letter that Jeremiah the prophet sent from Jerusalem to the residue of the elders of the captivity, and to the priests, to the prophets, and to all the people, whom Nebuchadnezzar had carried away captive from Jerusalem to Babylon, 2(after that Jeconiah the king, the queen mother, the eunuchs, the princes of Judah and Jerusalem, the craftsmen, and the smiths, had departed from Jerusalem), 3by the hand of Elasah the son of Shaphan, and Gemariah the son of Hilkiah, (whom Zedekiah king of Judah sent to Babylon to Nebuchadnezzar king of Babylon), saying, 4Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, to all the captivity, whom I have caused to be carried away captive from Jerusalem to Babylon: 5Build houses, and dwell in them; and plant gardens, and eat their fruit. 6Take wives, and father sons and daughters; and take wives for your sons, and give your daughters to husbands, that they may bear sons and daughters; and multiply there, and don’t be diminished. 7Seek the peace of the city where I have caused you to be carried away captive, and pray to Yahweh for it; for in its peace you shall have peace. 8For thus says Yahweh of Armies, the God of Israel: Don’t let your prophets who are in your midst, and your diviners, deceive you; neither listen to your dreams which you cause to be dreamed. 9For they prophesy falsely to you in my name: I have not sent them, says Yahweh. 10For thus says Yahweh, After seventy years are accomplished for Babylon, I will visit you, and perform my good word toward you, in causing you to return to this place. 11For I know the thoughts that I think toward you, says Yahweh, thoughts of peace, and not of evil, to give you hope and a future. 12You shall call on me, and you shall go and pray to me, and I will listen to you. 13You shall seek me, and find me, when you shall search for me with all your heart. 14I will be found by you, says Yahweh, and I will turn again your captivity, and I will gather you from all the nations, and from all the places where I have driven you, says Yahweh; and I will bring you again to the place from where I caused you to be carried away captive.
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15Because you have said, Yahweh has raised us up prophets in Babylon; 16thus says Yahweh concerning the king who sits on the throne of David, and concerning all the people who dwell in this city, your brothers who haven’t gone with you into captivity; 17thus says Yahweh of Armies; Behold, I will send on them the sword, the famine, and the pestilence, and will make them like vile figs, that can’t be eaten, they are so bad. 18I will pursue after them with the sword, with the famine, and with the pestilence, and will deliver them to be tossed back and forth among all the kingdoms of the earth, to be an object of horror, and an astonishment, and a hissing, and a reproach, among all the nations where I have driven them; 19because they have not listened to my words, says Yahweh, with which I sent to them my servants the prophets, rising up early and sending them; but you would not hear, says Yahweh. 20Hear therefore Yahweh’s word, all you of the captivity, whom I have sent away from Jerusalem to Babylon. 21Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, concerning Ahab the son of Kolaiah, and concerning Zedekiah the son of Maaseiah, who prophesy a lie to you in my name: Behold, I will deliver them into the hand of Nebuchadnezzar king of Babylon; and he shall kill them before your eyes;
De tekst als eenheid: Brief aan de ballingen in Babel (Jer. 29:1–14).
1Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel. 2(Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan); 3Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, den koning van Babel, zeggende: 4Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; 6Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. 7En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben. 8Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen. 9Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE. 10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. 11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting. 12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. 13En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart. 14En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
1Now these are the words of the letter that Jeremiah the prophet sent from Jerusalem to the residue of the elders of the captivity, and to the priests, to the prophets, and to all the people, whom Nebuchadnezzar had carried away captive from Jerusalem to Babylon, 2(after that Jeconiah the king, the queen mother, the eunuchs, the princes of Judah and Jerusalem, the craftsmen, and the smiths, had departed from Jerusalem), 3by the hand of Elasah the son of Shaphan, and Gemariah the son of Hilkiah, (whom Zedekiah king of Judah sent to Babylon to Nebuchadnezzar king of Babylon), saying, 4Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, to all the captivity, whom I have caused to be carried away captive from Jerusalem to Babylon: 5Build houses, and dwell in them; and plant gardens, and eat their fruit. 6Take wives, and father sons and daughters; and take wives for your sons, and give your daughters to husbands, that they may bear sons and daughters; and multiply there, and don’t be diminished. 7Seek the peace of the city where I have caused you to be carried away captive, and pray to Yahweh for it; for in its peace you shall have peace. 8For thus says Yahweh of Armies, the God of Israel: Don’t let your prophets who are in your midst, and your diviners, deceive you; neither listen to your dreams which you cause to be dreamed. 9For they prophesy falsely to you in my name: I have not sent them, says Yahweh. 10For thus says Yahweh, After seventy years are accomplished for Babylon, I will visit you, and perform my good word toward you, in causing you to return to this place. 11For I know the thoughts that I think toward you, says Yahweh, thoughts of peace, and not of evil, to give you hope and a future. 12You shall call on me, and you shall go and pray to me, and I will listen to you. 13You shall seek me, and find me, when you shall search for me with all your heart. 14I will be found by you, says Yahweh, and I will turn again your captivity, and I will gather you from all the nations, and from all the places where I have driven you, says Yahweh; and I will bring you again to the place from where I caused you to be carried away captive.
Het hele hoofdstuk. De perikoop is lichtjes gekleurd.
Brief aan de ballingen in Babel
1Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel. 2(Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan); 3Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, den koning van Babel, zeggende: 4Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; 6Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. 7En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben. 8Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen. 9Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE. 10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. 11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting. 12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. 13En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart. 14En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15Omdat gij zegt: de HEERE heeft ons profeten naar Babel verwekt; 16Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis; 17Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. 18En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben; 19Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE. 20Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden! 21Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan. 22En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De HEERE stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde; 23Omdat zij een dwaasheid deden in Israel, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de HEERE.
Semaja schrijft terug
24Tot Semaja nu, den Nechelamiet, zult gij spreken, zeggende: 25Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Omdat gij brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, den zoon van Maaseja, den priester, en tot al de priesteren, zeggende: 26De HEERE heeft u tot priester gesteld, in plaats van den priester Jojada, dat gij opzieners zoudt zijn in des HEEREN huis over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis en in den stok. 27Nu dan, waarom hebt gij Jeremia, den Anathothiet, niet gescholden, die zich bij ulieden voor een profeet uitgeeft? 28Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen, en woont daarin en plant hoven, en eet de vrucht daarvan. 29Zefanja nu, de priester, had dezen brief gelezen voor de oren van den profeet Jeremia. 30Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende: 31Zend henen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt de HEERE van Semaja, den Nechelamiet: Omdat Semaja ulieden geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat gij op leugen vertrouwt; 32Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, den Nechelamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal, spreekt de HEERE; want hij heeft een afval gesproken tegen den HEERE.
Brief aan de ballingen in Babel
1Now these are the words of the letter that Jeremiah the prophet sent from Jerusalem to the residue of the elders of the captivity, and to the priests, to the prophets, and to all the people, whom Nebuchadnezzar had carried away captive from Jerusalem to Babylon, 2(after that Jeconiah the king, the queen mother, the eunuchs, the princes of Judah and Jerusalem, the craftsmen, and the smiths, had departed from Jerusalem), 3by the hand of Elasah the son of Shaphan, and Gemariah the son of Hilkiah, (whom Zedekiah king of Judah sent to Babylon to Nebuchadnezzar king of Babylon), saying, 4Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, to all the captivity, whom I have caused to be carried away captive from Jerusalem to Babylon: 5Build houses, and dwell in them; and plant gardens, and eat their fruit. 6Take wives, and father sons and daughters; and take wives for your sons, and give your daughters to husbands, that they may bear sons and daughters; and multiply there, and don’t be diminished. 7Seek the peace of the city where I have caused you to be carried away captive, and pray to Yahweh for it; for in its peace you shall have peace. 8For thus says Yahweh of Armies, the God of Israel: Don’t let your prophets who are in your midst, and your diviners, deceive you; neither listen to your dreams which you cause to be dreamed. 9For they prophesy falsely to you in my name: I have not sent them, says Yahweh. 10For thus says Yahweh, After seventy years are accomplished for Babylon, I will visit you, and perform my good word toward you, in causing you to return to this place. 11For I know the thoughts that I think toward you, says Yahweh, thoughts of peace, and not of evil, to give you hope and a future. 12You shall call on me, and you shall go and pray to me, and I will listen to you. 13You shall seek me, and find me, when you shall search for me with all your heart. 14I will be found by you, says Yahweh, and I will turn again your captivity, and I will gather you from all the nations, and from all the places where I have driven you, says Yahweh; and I will bring you again to the place from where I caused you to be carried away captive.
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15Because you have said, Yahweh has raised us up prophets in Babylon; 16thus says Yahweh concerning the king who sits on the throne of David, and concerning all the people who dwell in this city, your brothers who haven’t gone with you into captivity; 17thus says Yahweh of Armies; Behold, I will send on them the sword, the famine, and the pestilence, and will make them like vile figs, that can’t be eaten, they are so bad. 18I will pursue after them with the sword, with the famine, and with the pestilence, and will deliver them to be tossed back and forth among all the kingdoms of the earth, to be an object of horror, and an astonishment, and a hissing, and a reproach, among all the nations where I have driven them; 19because they have not listened to my words, says Yahweh, with which I sent to them my servants the prophets, rising up early and sending them; but you would not hear, says Yahweh. 20Hear therefore Yahweh’s word, all you of the captivity, whom I have sent away from Jerusalem to Babylon. 21Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, concerning Ahab the son of Kolaiah, and concerning Zedekiah the son of Maaseiah, who prophesy a lie to you in my name: Behold, I will deliver them into the hand of Nebuchadnezzar king of Babylon; and he shall kill them before your eyes; 22and of them shall be taken up a curse by all the captives of Judah who are in Babylon, saying, Yahweh make you like Zedekiah and like Ahab, whom the king of Babylon roasted in the fire; 23because they have worked folly in Israel, and have committed adultery with their neighbors’ wives, and have spoken words in my name falsely, which I didn’t command them; and I am he who knows, and am witness, says Yahweh.
Semaja schrijft terug
24Concerning Shemaiah the Nehelamite you shall speak, saying, 25Thus speaks Yahweh of Armies, the God of Israel, saying, Because you have sent letters in your own name to all the people who are at Jerusalem, and to Zephaniah the son of Maaseiah, the priest, and to all the priests, saying, 26Yahweh has made you priest in the place of Jehoiada the priest, that there may be officers in Yahweh’s house, for every man who is mad, and makes himself a prophet, that you should put him in the stocks and in shackles. 27Now therefore, why have you not rebuked Jeremiah of Anathoth, who makes himself a prophet to you, 28because he has sent to us in Babylon, saying, The captivity is long: build houses, and dwell in them; and plant gardens, and eat their fruit? 29Zephaniah the priest read this letter in the ears of Jeremiah the prophet. 30Then Yahweh’s word came to Jeremiah, saying, 31Send to all them of the captivity, saying, Thus says Yahweh concerning Shemaiah the Nehelamite: Because Shemaiah has prophesied to you, and I didn’t send him, and he has caused you to trust in a lie; 32therefore thus says Yahweh, Behold, I will punish Shemaiah the Nehelamite, and his seed; he shall not have a man to dwell among this people, neither shall he see the good that I will do to my people, says Yahweh, because he has spoken rebellion against Yahweh.
Waar deze passage staat in de opbouw van Jeremia.
- 1
Roeping
Jeremia wordt jong geroepen: 'om uit te rukken en af te breken, om te bouwen en te planten.'
- 2–25
Oordeel over Juda en Jeruzalem
Aanklachten, waarschuwingen en Jeremia's eigen klachten tegen God.
- 26–29
Botsing met andere profeten
Jeremia tegenover profeten die snelle redding beloven, met de brief aan de ballingen.
Hier staat de passage
- 30–33
Boek van de troost
Belofte van herstel en een nieuw verbond, 'in hun hart geschreven'.
- 34–45
De val van Jeruzalem
Verhalen over Jeremia's gevangenschap, de verwoesting en de vlucht naar Egypte.
- 46–51
Uitspraken over de volken
Oordeel over Egypte, de buurvolken en ten slotte Babel zelf.
- 52
Historisch slot
De val van Jeruzalem nog eens verteld, en koning Jojachin die in Babel vrijkomt.
- 1
Roeping
Jeremia wordt jong geroepen: 'om uit te rukken en af te breken, om te bouwen en te planten.'
- 2–25
Oordeel over Juda en Jeruzalem
Aanklachten, waarschuwingen en Jeremia's eigen klachten tegen God.
- 26–29
Botsing met andere profeten
Jeremia tegenover profeten die snelle redding beloven, met de brief aan de ballingen.
Hier staat de passage
- 30–33
Boek van de troost
Belofte van herstel en een nieuw verbond, 'in hun hart geschreven'.
- 34–45
De val van Jeruzalem
Verhalen over Jeremia's gevangenschap, de verwoesting en de vlucht naar Egypte.
- 46–51
Uitspraken over de volken
Oordeel over Egypte, de buurvolken en ten slotte Babel zelf.
- 52
Historisch slot
De val van Jeruzalem nog eens verteld, en koning Jojachin die in Babel vrijkomt.
Directe context
Wat eraan voorafgaat
In hoofdstuk 28 belooft de profeet Hananja dat de ballingen binnen twee jaar thuis zijn. Jeremia spreekt dat tegen. Daarna stuurt hij deze brief naar wie in 597 v.Chr. met koning Jojachin naar Babel werd weggevoerd: bouw huizen, plant tuinen, trouw, en bid voor Babel (29:4–7). Luister niet naar wie snelle redding belooft. Pas 'als zeventig jaar voor Babel vol zijn' (29:10) komt de terugkeer.
Wat erop volgt
God belooft dat wie Hem zoekt, Hem zal vinden, en dat Hij het volk zal terugbrengen (29:12–14). Daarna volgt oordeel over wie in Jeruzalem achterbleef en over twee profeten in Babel die leugens vertelden (29:15–23). Het hoofdstuk eindigt met Semaja, die vanuit Babel een brief tegen Jeremia stuurt (29:24–32).
Drie lagen
Tekst, achtergrond en duiding
Uit elkaar gehouden, zodat je ziet wat de tekst zegt, wat we over de achtergrond weten en wat interpretatie is.
Wat de tekst zegt
God zegt dat Hij de plannen kent die Hij voor zijn volk heeft: plannen voor vrede en niet voor onheil, om hun toekomst en hoop te geven. De zin staat midden in een brief met praktische opdrachten en een duidelijke tijdsaanduiding.
Historische achtergrond
In 597 v.Chr. voerde de Babylonische koning Nebukadnessar koning Jojachin, zijn hof, ambachtslui en priesters weg naar Babel. Jeruzalem stond nog; de verwoesting volgde in 587/586 v.Chr. In die tussentijd verwachtten velen een snelle terugkeer, gevoed door profeten als Hananja. Jeremia schreef een brief die met een officieel gezantschap meereisde (29:3).
Literaire achtergrond
Hoofdstukken 27–29 vormen een eenheid over ware en valse profetie. De brief (29:4–23) is opgebouwd als opdracht (vs 4–7), waarschuwing (vs 8–9) en belofte (vs 10–14). Vers 11 is dus het slot van een argument, geen losse spreuk. Het woord 'shalom' (vrede, welzijn) komt in vers 7 drie keer voor en keert terug in vers 11.
Duiding en toepassing
Veel christenen lezen de tekst ook als woord voor vandaag: God is trouw aan zijn mensen, ook in een situatie die ze niet kozen. In verband gelezen gaat die trouw vaak via wachten en via het zoeken van het goede op de plek waar je bent, niet via een snelle uitweg. Toepassing op het eigen leven kan dus, maar dan als deel van een gemeenschap en met die lange adem.
Dit is interpretatie, geen feit. Tradities lezen dit soms anders.
Waar onderzoekers verschillen
- Of de 'zeventig jaar' letterlijk bedoeld zijn (bv. van ca. 605 tot 538 v.Chr., of tot de herbouw van de tempel in 516) of als rond getal voor een mensenleven, wordt verschillend gezien.
- De Griekse versie van Jeremia (Septuagint) heeft op enkele plaatsen in dit hoofdstuk een kortere tekst. Hoe het boek gegroeid is, blijft onderwerp van onderzoek.
Gezinsmoment
Samen lezen, ongeveer tien minuten
Voor een gezin, een koppel of een paar vrienden. Kies de vragen die bij jullie passen.
1Lees samen
Jer. 29:4–7, Jer. 29:10–11
In de Bijbelvertaling van je taal. Lees gerust langzaam; de uitleg hieronder is in gewone taal.
4Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; 6Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. 7En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben. 10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. 11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.
2Begrijp samen
Lang geleden werden veel mensen uit Jeruzalem gevangen genomen en meegenomen naar Babel, een groot land ver weg. Ze wilden heel graag terug naar huis. Sommige profeten zeiden: 'Binnen twee jaar zijn jullie thuis!' Maar Jeremia schreef hen een brief met een ander bericht. Hij schreef: bouw huizen, plant tuinen, trouw en zorg goed voor de stad waar je nu woont. Bid zelfs voor die stad. Pas na zeventig jaar mochten ze terug. Dat is langer dan de meeste mensen leven. Midden in die brief staat de bekende zin: 'Ik weet welke plannen Ik voor jullie heb: plannen voor vrede, om jullie een toekomst en hoop te geven.' Het is een belofte voor een hele groep mensen. Ze zegt dat God hen niet vergeten is, ook al duurt het lang.
3Praat samen
- Kinderen
Stel je voor dat je moet verhuizen naar een land waar je niet wilt wonen. Wat zou je missen? Wat zou helpen om je er toch een beetje thuis te voelen?
- Tieners
God zegt 'wacht zeventig jaar' en tegelijk 'zoek het goede voor de stad'. Hoe blijf je hoopvol als iets heel lang duurt?
- Volwassenen
Waar leef ik in een situatie die ik niet koos? Wat zou 'de vrede van die stad zoeken' daar concreet betekenen?
- Kinderen
4Doe samen
ActieKies samen één klein ding dat je deze week doet voor je straat of buurt: een kaartje bij de buren, een groet, samen zwerfvuil rapen. Noem daarna je gemeente bij naam in een kort gebed.
Verdiep jeVoor ouders, om vooraf te lezen
In de Statenvertaling staat in vers 11 'de gedachten, die Ik over u denk'; nieuwere vertalingen kiezen 'plannen'. Het Hebreeuwse woord kan beide betekenen: het gaat om wat God van plan is met zijn volk.
De tegenstelling met Hananja (hoofdstuk 28) is de sleutel. Hananja brak het houten juk van Jeremia's nek en beloofde bevrijding binnen twee jaar. Jeremia's antwoord was een ijzeren juk: de ballingschap zal duren. De brief in hoofdstuk 29 maakt duidelijk dat echte hoop soms betekent dat je de korte oplossing loslaat.
Opvallend is de opdracht om te bidden voor Babel (vs 7). Het welzijn van de ballingen hangt samen met het welzijn van de stad die hen onderdrukt. Christenen lezen hier ook hun eigen roeping in: Petrus noemt gelovigen 'vreemdelingen' die in hun omgeving het goede doen (1 Petr. 2:11–12). Voor veel kerken is 'zoek de vrede van de stad' een reden om zich in te zetten voor hun buurt.
Later leest Daniël 'in de boeken' over de zeventig jaar van Jeremia en begint te bidden (Dan. 9:2). Ook 2 Kronieken 36:21 verwijst ernaar. Het getal werd dus al in de Bijbel zelf opnieuw geïnterpreteerd.
Bo's quiz
Weet jij het nog? Drie vragen over het verhaal.