Jana 3:16 · Nowy Testament
Zo lief had God de wereld: een nachtelijk gesprekRozmowa w nocy
Het bekendste vers van de Bijbel sluit een nachtelijk gesprek af tussen Jezus en Nikodemus, een Joodse leraar. Het legt het beeld van de koperen slang uit en zegt meteen: niet om te veroordelen.
Objaśnienia fragmentów i ksiąg są na razie tylko po niderlandzku, a tekstu Biblii nie ma jeszcze po polsku (na razie czytasz angielską World English Bible). Sama aplikacja jest po polsku; tłumaczenia pojawią się wkrótce.
Szkic: jeszcze niesprawdzonyTo objaśnienie zostało napisane na podstawie źródeł, ale nie sprawdziła go jeszcze druga osoba.Widzisz błąd? Zgłoś go.
Historia
Op een avond, als het al donker is, komt een man naar Jezus. Hij heet Nikodemus. Hij is een belangrijke leraar en weet veel over God, maar hij heeft vragen. Misschien komt hij 's nachts omdat hij niet gezien wil worden. Jezus zegt iets vreemds: 'Je moet opnieuw geboren worden.' Nikodemus snapt er niets van: hoe kan een volwassene opnieuw geboren worden? Jezus bedoelt een nieuw begin dat van God komt. Dan zegt Jezus de zin die veel mensen kennen: 'God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon gaf.' En meteen daarna: 'Niet om de wereld te veroordelen, maar om haar te redden.' Nikodemus gaat weg zonder dat we weten wat hij denkt. Later in het verhaal komt hij terug, en dan staat hij aan Jezus' kant.
Pytanie dla ciebie
Nikodemus kwam 's nachts met zijn vragen. Heb jij een vraag over God die je moeilijk vindt om te stellen?
Zróbcie razem
Maak een 'vragenpot': iedereen schrijft een vraag over God of geloof op een briefje. Stop ze in een pot of doos. De volgende keer trekken jullie er één en praten er samen over. Geen vraag is te gek.
Często czytany jako
Een losse samenvatting van het hele evangelie, op een spandoek of een tegeltje.
Czytany w kontekście
Het antwoord op de vragen van een zoekende leraar die 's nachts komt. Het vers verklaart het beeld van de koperen slang (vs 14–15) en loopt meteen door: God zond zijn Zoon niet om te veroordelen (vs 17).
Jana 3:16
Albowiem tak Bóg umiłował świat, że Syna swego jednorodzonego dał, aby każdy, kto weń wierzy, nie zginął, ale miał żywot wieczny.
For God so loved the world, that he gave his one and only Son, that whoever believes in him should not perish, but have eternal life.
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Dziesięć wersetów przed i po.
6Co się narodziło z ciała, ciało jest, a co się narodziło z Ducha, duch jest. 7Nie dziwuj się, żem ci powiedział: Musicie się znowu narodzić. 8Wiatr, gdzie chce, wieje i głos jego słyszysz, ale nie wiesz, skąd przychodzi i dokąd idzie; takżeć jest każdy, który się narodził z Ducha. 9Odpowiedział Nikodem i rzekł mu: Jakoż to być może? 10Odpowiedział Jezus i rzekł mu: Tyś jest nauczycielem w Izraelu, a tego nie wiesz? 11Zaprawdę, zaprawdę powiadam ci, iż co wiemy, mówimy, a cośmy widzieli, świadczymy: ale świadectwa naszego nie przyjmujecie. 12Jeźliż gdym wam ziemskie rzeczy powiadał, a nie wierzycie, jakoż, będęli wam powiadał niebieskie, uwierzycie? 13A nikt nie wstąpił do nieba, tylko ten, który zstąpił z nieba, Syn człowieczy, który jest w niebie. 14A jako Mojżesz węża na puszczy wywyższył, tak musi być wywyższony Syn człowieczy. 15Aby każdy, kto weń wierzy, nie zginął, ale miał żywot wieczny. 16Albowiem tak Bóg umiłował świat, że Syna swego jednorodzonego dał, aby każdy, kto weń wierzy, nie zginął, ale miał żywot wieczny. 17Boć nie posłał Bóg Syna swego na świat, aby sądził świat, ale aby świat był zbawiony przezeń. 18Kto wierzy weń, nie będzie osądzony; ale kto nie wierzy, już jest osądzony, iż nie uwierzył w imię jednorodzonego Syna Bożego. 19A tenci jest sąd, że światłość przyszła na świat, lecz ludzie bardziej umiłowali ciemność niż światłość; bo były złe uczynki ich. 20Każdy bowiem, kto źle czyni, nienawidzi światłości i nie idzie na światłość, aby nie były zganione uczynki jego. 21Lecz kto czyni prawdę, przychodzi do światłości, aby były jawne uczynki jego, iż w Bogu są uczynione.
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22Potem przyszedł Jezus i uczniowie jego do Judzkiej ziemi, i tam przemieszkiwał z nimi i chrzcił. 23Chrzcił też i Jan w Enon, blisko Salim; bo tam było wiele wód, a ludzie przychodzili i chrzcili się. 24Bo jeszcze Jan nie był podany do więzienia. 25Wszczęła się tedy gadka między uczniami Janowymi i między Żydami o oczyszczaniu. 26I przyszli do Jana i rzekli mu: Mistrzu! ten, który był z tobą za Jordanem, któremuś ty dał świadectwo, ten oto chrzci, a wszyscy idą do niego.
6That which is born of the flesh is flesh. That which is born of the Spirit is spirit. 7Don’t marvel that I said to you, ‘You must be born anew.’ 8The windblows where it wants to, and you hear its sound, but don’t know where it comes from and where it is going. So is everyone who is born of the Spirit.” 9Nicodemus answered him, “How can these things be?” 10Jesus answered him, “Are you the teacher of Israel, and don’t understand these things? 11Most certainly I tell you, we speak that which we know, and testify of that which we have seen, and you don’t receive our witness. 12If I told you earthly things and you don’t believe, how will you believe if I tell you heavenly things? 13No one has ascended into heaven, but he who descended out of heaven, the Son of Man, who is in heaven. 14As Moses lifted up the serpent in the wilderness, even so must the Son of Man be lifted up, 15that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 16For God so loved the world, that he gave his one and only Son, that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 17For God didn’t send his Son into the world to judge the world, but that the world should be saved through him. 18He who believes in him is not judged. He who doesn’t believe has been judged already, because he has not believed in the name of the one and only Son of God. 19This is the judgment, that the light has come into the world, and men loved the darkness rather than the light; for their works were evil. 20For everyone who does evil hates the light, and doesn’t come to the light, lest his works would be exposed. 21But he who does the truth comes to the light, that his works may be revealed, that they have been done in God.”
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22After these things, Jesus came with his disciples into the land of Judea. He stayed there with them, and baptized. 23John also was baptizing in Enon near Salim, because there was much water there. They came, and were baptized. 24For John was not yet thrown into prison. 25There arose therefore a questioning on the part of John’s disciples with some Jews about purification. 26They came to John, and said to him, “Rabbi, he who was with you beyond the Jordan, to whom you have testified, behold, the same baptizes, and everyone is coming to him.”
6Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. 9Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet? 11Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan. 12Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen? 13En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is. 14En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 15Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. 18Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. 19En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. 20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. 21Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte. 23En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. 24Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. 26En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.
Tekst jako całość: Jezus en Nikodemus (J 3:1–21).
1A był niektóry człowiek z Faryzeuszów, imieniem Nikodem, książę żydowski. 2Ten przyszedł do Jezusa w nocy i rzekł mu: Mistrzu! wiemy, żeś przyszedł od Boga nauczycielem; bo nikt tych cudów czynić nie może, które ty czynisz, jeźliby Bóg z nim nie był. 3Odpowiedział Jezus i rzekł mu: Zaprawdę, zaprawdę powiadam ci: Jeźli się kto nie narodzi znowu, nie może widzieć królestwa Bożego. 4Rzekł do niego Nikodem: Jakoż się może człowiek narodzić, będąc stary? izali powtóre może wnijść w żywot matki swojej i narodzić się? 5Odpowiedział Jezus: Zaprawdę, zaprawdę powiadam ci: Jeźliby się kto nie narodził z wody i z Ducha, nie może wnijść do królestwa Bożego. 6Co się narodziło z ciała, ciało jest, a co się narodziło z Ducha, duch jest. 7Nie dziwuj się, żem ci powiedział: Musicie się znowu narodzić. 8Wiatr, gdzie chce, wieje i głos jego słyszysz, ale nie wiesz, skąd przychodzi i dokąd idzie; takżeć jest każdy, który się narodził z Ducha. 9Odpowiedział Nikodem i rzekł mu: Jakoż to być może? 10Odpowiedział Jezus i rzekł mu: Tyś jest nauczycielem w Izraelu, a tego nie wiesz? 11Zaprawdę, zaprawdę powiadam ci, iż co wiemy, mówimy, a cośmy widzieli, świadczymy: ale świadectwa naszego nie przyjmujecie. 12Jeźliż gdym wam ziemskie rzeczy powiadał, a nie wierzycie, jakoż, będęli wam powiadał niebieskie, uwierzycie? 13A nikt nie wstąpił do nieba, tylko ten, który zstąpił z nieba, Syn człowieczy, który jest w niebie. 14A jako Mojżesz węża na puszczy wywyższył, tak musi być wywyższony Syn człowieczy. 15Aby każdy, kto weń wierzy, nie zginął, ale miał żywot wieczny. 16Albowiem tak Bóg umiłował świat, że Syna swego jednorodzonego dał, aby każdy, kto weń wierzy, nie zginął, ale miał żywot wieczny. 17Boć nie posłał Bóg Syna swego na świat, aby sądził świat, ale aby świat był zbawiony przezeń. 18Kto wierzy weń, nie będzie osądzony; ale kto nie wierzy, już jest osądzony, iż nie uwierzył w imię jednorodzonego Syna Bożego. 19A tenci jest sąd, że światłość przyszła na świat, lecz ludzie bardziej umiłowali ciemność niż światłość; bo były złe uczynki ich. 20Każdy bowiem, kto źle czyni, nienawidzi światłości i nie idzie na światłość, aby nie były zganione uczynki jego. 21Lecz kto czyni prawdę, przychodzi do światłości, aby były jawne uczynki jego, iż w Bogu są uczynione.
1Now there was a man of the Pharisees named Nicodemus, a ruler of the Jews. 2The same came to him by night, and said to him, “Rabbi, we know that you are a teacher come from God, for no one can do these signs that you do, unless God is with him.” 3Jesus answered him, “Most certainly, I tell you, unless one is born anew, he can’t see the Kingdom of God.” 4Nicodemus said to him, “How can a man be born when he is old? Can he enter a second time into his mother’s womb, and be born?” 5Jesus answered, “Most certainly I tell you, unless one is born of water and spirit, he can’t enter into the Kingdom of God! 6That which is born of the flesh is flesh. That which is born of the Spirit is spirit. 7Don’t marvel that I said to you, ‘You must be born anew.’ 8The windblows where it wants to, and you hear its sound, but don’t know where it comes from and where it is going. So is everyone who is born of the Spirit.” 9Nicodemus answered him, “How can these things be?” 10Jesus answered him, “Are you the teacher of Israel, and don’t understand these things? 11Most certainly I tell you, we speak that which we know, and testify of that which we have seen, and you don’t receive our witness. 12If I told you earthly things and you don’t believe, how will you believe if I tell you heavenly things? 13No one has ascended into heaven, but he who descended out of heaven, the Son of Man, who is in heaven. 14As Moses lifted up the serpent in the wilderness, even so must the Son of Man be lifted up, 15that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 16For God so loved the world, that he gave his one and only Son, that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 17For God didn’t send his Son into the world to judge the world, but that the world should be saved through him. 18He who believes in him is not judged. He who doesn’t believe has been judged already, because he has not believed in the name of the one and only Son of God. 19This is the judgment, that the light has come into the world, and men loved the darkness rather than the light; for their works were evil. 20For everyone who does evil hates the light, and doesn’t come to the light, lest his works would be exposed. 21But he who does the truth comes to the light, that his works may be revealed, that they have been done in God.”
1En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; 2Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is. 3Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. 4Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden? 5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. 6Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. 9Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet? 11Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan. 12Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen? 13En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is. 14En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 15Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. 18Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. 19En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. 20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. 21Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
Cały rozdział. Perykopa jest lekko podświetlona.
Jezus en Nikodemus
1A był niektóry człowiek z Faryzeuszów, imieniem Nikodem, książę żydowski. 2Ten przyszedł do Jezusa w nocy i rzekł mu: Mistrzu! wiemy, żeś przyszedł od Boga nauczycielem; bo nikt tych cudów czynić nie może, które ty czynisz, jeźliby Bóg z nim nie był. 3Odpowiedział Jezus i rzekł mu: Zaprawdę, zaprawdę powiadam ci: Jeźli się kto nie narodzi znowu, nie może widzieć królestwa Bożego. 4Rzekł do niego Nikodem: Jakoż się może człowiek narodzić, będąc stary? izali powtóre może wnijść w żywot matki swojej i narodzić się? 5Odpowiedział Jezus: Zaprawdę, zaprawdę powiadam ci: Jeźliby się kto nie narodził z wody i z Ducha, nie może wnijść do królestwa Bożego. 6Co się narodziło z ciała, ciało jest, a co się narodziło z Ducha, duch jest. 7Nie dziwuj się, żem ci powiedział: Musicie się znowu narodzić. 8Wiatr, gdzie chce, wieje i głos jego słyszysz, ale nie wiesz, skąd przychodzi i dokąd idzie; takżeć jest każdy, który się narodził z Ducha. 9Odpowiedział Nikodem i rzekł mu: Jakoż to być może? 10Odpowiedział Jezus i rzekł mu: Tyś jest nauczycielem w Izraelu, a tego nie wiesz? 11Zaprawdę, zaprawdę powiadam ci, iż co wiemy, mówimy, a cośmy widzieli, świadczymy: ale świadectwa naszego nie przyjmujecie. 12Jeźliż gdym wam ziemskie rzeczy powiadał, a nie wierzycie, jakoż, będęli wam powiadał niebieskie, uwierzycie? 13A nikt nie wstąpił do nieba, tylko ten, który zstąpił z nieba, Syn człowieczy, który jest w niebie. 14A jako Mojżesz węża na puszczy wywyższył, tak musi być wywyższony Syn człowieczy. 15Aby każdy, kto weń wierzy, nie zginął, ale miał żywot wieczny. 16Albowiem tak Bóg umiłował świat, że Syna swego jednorodzonego dał, aby każdy, kto weń wierzy, nie zginął, ale miał żywot wieczny. 17Boć nie posłał Bóg Syna swego na świat, aby sądził świat, ale aby świat był zbawiony przezeń. 18Kto wierzy weń, nie będzie osądzony; ale kto nie wierzy, już jest osądzony, iż nie uwierzył w imię jednorodzonego Syna Bożego. 19A tenci jest sąd, że światłość przyszła na świat, lecz ludzie bardziej umiłowali ciemność niż światłość; bo były złe uczynki ich. 20Każdy bowiem, kto źle czyni, nienawidzi światłości i nie idzie na światłość, aby nie były zganione uczynki jego. 21Lecz kto czyni prawdę, przychodzi do światłości, aby były jawne uczynki jego, iż w Bogu są uczynione.
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22Potem przyszedł Jezus i uczniowie jego do Judzkiej ziemi, i tam przemieszkiwał z nimi i chrzcił. 23Chrzcił też i Jan w Enon, blisko Salim; bo tam było wiele wód, a ludzie przychodzili i chrzcili się. 24Bo jeszcze Jan nie był podany do więzienia. 25Wszczęła się tedy gadka między uczniami Janowymi i między Żydami o oczyszczaniu. 26I przyszli do Jana i rzekli mu: Mistrzu! ten, który był z tobą za Jordanem, któremuś ty dał świadectwo, ten oto chrzci, a wszyscy idą do niego. 27Odpowiedział Jan i rzekł: Nie może nic wziąć człowiek, jeźliby mu nie było dane z nieba. 28Wy sami jesteście mi świadkami, żem powiedział: Nie jestem ja Chrystus, ale żem posłany przed nim. 29Kto ma oblubienicę, ten jest oblubieniec, a przyjaciel oblubieńca, który stoi, a słucha go, weseli się weselem dla głosu oblubieńcowego; przetoż to wesele moje wypełnione jest. 30On musi rość, a mnie musi ubywać.
Die van boven komt
31Kto z góry przyszedł, nade wszystkie jest; kto z ziemi jest, ziemski jest i ziemskie rzeczy mówi; ten, który z nieba przyszedł, nade wszystkie jest. 32A co widział i słyszał, to świadczy, ale świadectwa jego żaden nie przyjmuje. 33Kto przyjmuje świadectwo jego, ten zapieczętował, że Bóg jest prawdziwy. 34Albowiem ten, którego Bóg posłał, słowo Boże mówi; boć mu nie pod miarą daje Bóg Ducha. 35Ojciec miłuje Syna, i wszystko dał w ręce jego. 36Kto wierzy w Syna, ma żywot wieczny; ale kto nie wierzy Synowi, nie ogląda żywota, lecz gniew Boży zostaje nad nim.
Jezus en Nikodemus
1Now there was a man of the Pharisees named Nicodemus, a ruler of the Jews. 2The same came to him by night, and said to him, “Rabbi, we know that you are a teacher come from God, for no one can do these signs that you do, unless God is with him.” 3Jesus answered him, “Most certainly, I tell you, unless one is born anew, he can’t see the Kingdom of God.” 4Nicodemus said to him, “How can a man be born when he is old? Can he enter a second time into his mother’s womb, and be born?” 5Jesus answered, “Most certainly I tell you, unless one is born of water and spirit, he can’t enter into the Kingdom of God! 6That which is born of the flesh is flesh. That which is born of the Spirit is spirit. 7Don’t marvel that I said to you, ‘You must be born anew.’ 8The windblows where it wants to, and you hear its sound, but don’t know where it comes from and where it is going. So is everyone who is born of the Spirit.” 9Nicodemus answered him, “How can these things be?” 10Jesus answered him, “Are you the teacher of Israel, and don’t understand these things? 11Most certainly I tell you, we speak that which we know, and testify of that which we have seen, and you don’t receive our witness. 12If I told you earthly things and you don’t believe, how will you believe if I tell you heavenly things? 13No one has ascended into heaven, but he who descended out of heaven, the Son of Man, who is in heaven. 14As Moses lifted up the serpent in the wilderness, even so must the Son of Man be lifted up, 15that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 16For God so loved the world, that he gave his one and only Son, that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 17For God didn’t send his Son into the world to judge the world, but that the world should be saved through him. 18He who believes in him is not judged. He who doesn’t believe has been judged already, because he has not believed in the name of the one and only Son of God. 19This is the judgment, that the light has come into the world, and men loved the darkness rather than the light; for their works were evil. 20For everyone who does evil hates the light, and doesn’t come to the light, lest his works would be exposed. 21But he who does the truth comes to the light, that his works may be revealed, that they have been done in God.”
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22After these things, Jesus came with his disciples into the land of Judea. He stayed there with them, and baptized. 23John also was baptizing in Enon near Salim, because there was much water there. They came, and were baptized. 24For John was not yet thrown into prison. 25There arose therefore a questioning on the part of John’s disciples with some Jews about purification. 26They came to John, and said to him, “Rabbi, he who was with you beyond the Jordan, to whom you have testified, behold, the same baptizes, and everyone is coming to him.” 27John answered, “A man can receive nothing, unless it has been given him from heaven. 28You yourselves testify that I said, ‘I am not the Christ,’ but, ‘I have been sent before him.’ 29He who has the bride is the bridegroom; but the friend of the bridegroom, who stands and hears him, rejoices greatly because of the bridegroom’s voice. This, my joy, therefore is made full. 30He must increase, but I must decrease.
Die van boven komt
31He who comes from above is above all. He who is from the earth belongs to the earth, and speaks of the earth. He who comes from heaven is above all. 32What he has seen and heard, of that he testifies; and no one receives his witness. 33He who has received his witness has set his seal to this, that God is true. 34For he whom God has sent speaks the words of God; for God gives the Spirit without measure. 35The Father loves the Son, and has given all things into his hand. 36One who believes in the Son has eternal life, but one who disobeys the Son won’t see life, but the wrath of God remains on him.”
Jezus en Nikodemus
1En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; 2Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is. 3Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. 4Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden? 5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. 6Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. 9Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet? 11Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan. 12Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen? 13En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is. 14En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 15Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. 18Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. 19En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. 20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. 21Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte. 23En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. 24Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. 26En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem. 27Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. 28Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben. 29Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. 30Hij moet wassen, maar ik minder worden.
Die van boven komt
31Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen. 32En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan. 33Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is. 34Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem de Geest niet met mate. 35De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. 36Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Miejsce tego fragmentu w budowie księgi: Jana.
- 1:1–18
Proloog
'In den beginne was het Woord': het licht komt in de wereld.
- 1:19–12:50
Boek van de tekenen
Zeven tekenen en de gesprekken erbij: Nikodemus, de Samaritaanse vrouw, Lazarus.
Tu jest ten fragment
- 13–20
Boek van de verheerlijking
Voetwassing, afscheidsrede, lijden, dood en opstanding.
- 21
Epiloog
Aan het meer: Petrus wordt opnieuw geroepen.
- 1:1–18
Proloog
'In den beginne was het Woord': het licht komt in de wereld.
- 1:19–12:50
Boek van de tekenen
Zeven tekenen en de gesprekken erbij: Nikodemus, de Samaritaanse vrouw, Lazarus.
Tu jest ten fragment
- 13–20
Boek van de verheerlijking
Voetwassing, afscheidsrede, lijden, dood en opstanding.
- 21
Epiloog
Aan het meer: Petrus wordt opnieuw geroepen.
- 1:1–18
Proloog
'In den beginne was het Woord': het licht komt in de wereld.
- 1:19–12:50
Boek van de tekenen
Zeven tekenen en de gesprekken erbij: Nikodemus, de Samaritaanse vrouw, Lazarus.
Tu jest ten fragment
- 13–20
Boek van de verheerlijking
Voetwassing, afscheidsrede, lijden, dood en opstanding.
- 21
Epiloog
Aan het meer: Petrus wordt opnieuw geroepen.
Bezpośredni kontekst
Co jest wcześniej
Na de tempelreiniging geloven velen in Jezus om de tekenen die Hij doet, 'maar Jezus vertrouwde Zich niet aan hen toe' (2:23–25). Dan komt Nikodemus, een Farizeeër en leider, 's nachts naar Jezus. Jezus zegt dat je 'opnieuw' of 'van boven' geboren moet worden; Nikodemus begrijpt het niet. Jezus verwijst naar Mozes, die in de woestijn een koperen slang omhoog hief: wie ernaar keek, bleef leven (Num. 21). 'Zo moet de Mensenzoon verhoogd worden' (3:14).
Co jest dalej
Vers 17 zegt meteen dat God zijn Zoon niet zond om de wereld te veroordelen, maar om haar te redden. Daarna gaat het over licht en duisternis: mensen hadden de duisternis liever dan het licht (3:19–21). Nikodemus verdwijnt uit beeld, maar komt later terug: hij neemt het op voor Jezus (7:50–51) en helpt bij zijn begrafenis (19:39).
Trzy warstwy
Tekst, tło i interpretacja
Oddzielone od siebie, żebyś widział, co mówi tekst, co wiemy o tle, a co jest interpretacją.
Co mówi tekst
God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon gaf, opdat wie in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Het volgende vers zegt dat God niet kwam om te veroordelen, maar om te redden.
Tło historyczne
Nikodemus was een Farizeeër en lid van de Joodse leiding ('een leider van de Joden'). Farizeeën waren een lekenbeweging die de wet van Mozes ernstig nam in het dagelijks leven. Het evangelie werd waarschijnlijk tegen het einde van de eerste eeuw geschreven, toen de verhouding tussen synagoge en Jezus' volgelingen gespannen was. Dat kleurt hoe Johannes over 'de Joden' spreekt.
Tło literackie
Johannes werkt graag met misverstanden: het Griekse 'anōthen' betekent zowel 'opnieuw' als 'van boven'. Nikodemus hoort het eerste, Jezus bedoelt het tweede. Ook 'verhoogd worden' heeft een dubbele bodem: aan het kruis gehangen én verheerlijkt. Het gesprek gaat halverwege over in een monoloog, en het is niet duidelijk waar Jezus' woorden eindigen en de verteller begint.
Interpretacja i zastosowanie
Christenen lezen hier de kern van hun geloof: Gods liefde is de bron, de gave van de Zoon het middel, leven het doel. In verband gelezen gaat het vers over een God die de wereld zoekt die zich van Hem afkeert, en over geloof dat groeit. Nikodemus heeft daar een heel evangelie voor nodig.
To interpretacja, nie fakt. Różne tradycje czasem czytają to inaczej.
Gdzie badacze się różnią
- Het oude Grieks kent geen aanhalingstekens. Of vers 16–21 nog woorden van Jezus zijn of een toelichting van de evangelist, beslissen vertalingen elk op hun manier.
- Wie het evangelie schreef en wanneer, is niet zeker. De traditie noemt de apostel Johannes; veel onderzoekers denken aan een kring rond 'de leerling van wie Jezus hield'.
Chwila dla rodziny
Czytajcie razem, około dziesięciu minut
Dla rodziny, pary albo kilku przyjaciół. Wybierzcie pytania, które do was pasują.
1Czytajcie razem
J 3:1–3, J 3:16–17
Na razie w przekładzie angielskim, bo polskiego jeszcze nie ma. Czytajcie spokojnie, bez pośpiechu; objaśnienie poniżej jest napisane prostym językiem.
1A był niektóry człowiek z Faryzeuszów, imieniem Nikodem, książę żydowski. 2Ten przyszedł do Jezusa w nocy i rzekł mu: Mistrzu! wiemy, żeś przyszedł od Boga nauczycielem; bo nikt tych cudów czynić nie może, które ty czynisz, jeźliby Bóg z nim nie był. 3Odpowiedział Jezus i rzekł mu: Zaprawdę, zaprawdę powiadam ci: Jeźli się kto nie narodzi znowu, nie może widzieć królestwa Bożego. 16Albowiem tak Bóg umiłował świat, że Syna swego jednorodzonego dał, aby każdy, kto weń wierzy, nie zginął, ale miał żywot wieczny. 17Boć nie posłał Bóg Syna swego na świat, aby sądził świat, ale aby świat był zbawiony przezeń.
2Zrozumcie razem
Op een avond, als het al donker is, komt een man naar Jezus. Hij heet Nikodemus. Hij is een belangrijke leraar en weet veel over God, maar hij heeft vragen. Misschien komt hij 's nachts omdat hij niet gezien wil worden. Jezus zegt iets vreemds: 'Je moet opnieuw geboren worden.' Nikodemus snapt er niets van: hoe kan een volwassene opnieuw geboren worden? Jezus bedoelt een nieuw begin dat van God komt. Dan zegt Jezus de zin die veel mensen kennen: 'God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon gaf.' En meteen daarna: 'Niet om de wereld te veroordelen, maar om haar te redden.' Nikodemus gaat weg zonder dat we weten wat hij denkt. Later in het verhaal komt hij terug, en dan staat hij aan Jezus' kant.
3Porozmawiajcie
- Dzieci
Nikodemus kwam 's nachts met zijn vragen. Heb jij een vraag over God die je moeilijk vindt om te stellen?
- Nastolatki
Vers 17 zegt dat Jezus niet kwam om te veroordelen. Verandert dat hoe je vers 16 hoort, of hoe christenen het soms gebruiken?
- Dorośli
Nikodemus komt stap voor stap dichterbij (Joh. 3, 7 en 19). Waar sta ik in zo'n proces? En is traag geloof ook geloof?
- Dzieci
4Zróbcie razem
RefleksjaMaak een 'vragenpot': iedereen schrijft een vraag over God of geloof op een briefje. Stop ze in een pot of doos. De volgende keer trekken jullie er één en praten er samen over. Geen vraag is te gek.
Zgłęb tematDla rodziców, do przeczytania wcześniej
Het woord 'anōthen' (vs 3) is een bewuste woordspeling: 'opnieuw' en 'van boven'. Johannes laat mensen vaak iets letterlijk opvatten wat Jezus figuurlijk bedoelt, zoals het water bij de Samaritaanse vrouw (hfst. 4). Zo wordt de lezer uitgenodigd om dieper te kijken dan Nikodemus.
De koperen slang (Num. 21:4–9): Israël klaagt in de woestijn, er komen giftige slangen, en Mozes maakt op Gods bevel een koperen slang op een paal. Wie gebeten is en ernaar kijkt, blijft leven. Johannes gebruikt dat beeld voor het kruis: redding komt via wat 'verhoogd' wordt.
'Eeuwig leven' betekent bij Johannes niet alleen leven na de dood, maar ook een kwaliteit van leven nu: 'Dit is het eeuwige leven: dat zij U kennen' (17:3).
Nikodemus' weg (3:1–21, 7:50–51, 19:39) is een van de weinige verhalen over geloof dat langzaam groeit. Hij komt eerst in het donker, en brengt uiteindelijk openlijk zo'n honderd pond mirre en aloë voor Jezus' begrafenis.
Quiz Bo
Pamiętasz jeszcze? Trzy pytania o tę historię.