1수아 사람 빌닷이 대답하여 가로되 2너희가 어느 때까지 말을 찾겠느냐 깨달으라 그 후에야 우리가 말하리라 3어찌하여 우리를 짐승으로 여기며 부정하게 보느냐 4너 분하여 스스로 찢는 자야 너를 위하여 땅이 버림을 당하겠느냐 바위가 그 자리에서 옮기겠느냐 5악인의 빛은 꺼지고 그 불꽃은 빛나지 않을 것이요 6그 장막 안의 빛은 어두워지고 그 위의 등불은 꺼질 것이요 7그 강한 걸음이 곤하여지고 그 베푼 꾀에 스스로 빠질 것이니 8이는 그 발이 스스로 그물에 들어가고 얽는 줄을 밟음이며 9그 발뒤꿈치는 창애에 치이고 그 몸은 올무에 얽힐 것이며 10그를 동일 줄이 땅에 숨겼고 그를 빠뜨릴 함정이 길에 베풀렸으며 11무서운 것이 사방에서 그를 놀래고 그 뒤를 쫓아 올 것이며 12그 힘은 기근을 인하여 쇠하고 그 곁에는 재앙이 기다릴 것이며 13그의 백체가 먹히리니 곧 사망의 장자가 그 지체를 먹을 것이며 14그가 그 의뢰하던 장막에서 뽑혀서 무서움의 왕에게로 잡혀가고 15그에게 속하지 않은 자가 그 장막에 거하리니 유황이 그 처소에 뿌려질 것이며 16아래서는 그 뿌리가 마르고 위에서는 그 가지가 찍힐 것이며 17그의 기념이 땅에서 없어지고 그의 이름이 거리에서 전함이 없을 것이며 18그는 광명 중에서 흑암으로 몰려 들어가며 세상에서 쫓겨날 것이며 19그는 그 백성 가운데서 아들도 없고 손자도 없을 것이며 그의 거하던 곳에는 한 사람도 남은 자가 없을 것이라 20그의 날을 인하여 뒤에 오는 자가 앞선 자의 두려워 하던 것 같이 놀라리라 21불의한 자의 집이 이러하고 하나님을 알지 못하는 자의 처소도 그러하니라
1Then Bildad the Shuhite answered, 2“How long will you hunt for words? Consider, and afterwards we will speak. 3Why are we counted as animals, which have become unclean in your sight? 4You who tear yourself in your anger, shall the earth be forsaken for you? Or shall the rock be removed out of its place? 5“Yes, the light of the wicked shall be put out, The spark of his fire shall not shine. 6The light shall be dark in his tent. His lamp above him shall be put out. 7The steps of his strength shall be shortened. His own counsel shall cast him down. 8For he is cast into a net by his own feet, and he wanders into its mesh. 9A snare will take him by the heel. A trap will catch him. 10A noose is hidden for him in the ground, a trap for him on the path. 11Terrors shall make him afraid on every side, and shall chase him at his heels. 12His strength shall be famished. Calamity shall be ready at his side. 13The members of his body shall be devoured. The firstborn of death shall devour his members. 14He shall be rooted out of his tent where he trusts. He shall be brought to the king of terrors. 15There shall dwell in his tent that which is none of his. Sulfur shall be scattered on his habitation. 16His roots shall be dried up beneath. Above shall his branch be cut off. 17His memory shall perish from the earth. He shall have no name in the street. 18He shall be driven from light into darkness, and chased out of the world. 19He shall have neither son nor grandson among his people, nor any remaining where he lived. 20Those who come after shall be astonished at his day, as those who went before were frightened. 21Surely such are the dwellings of the unrighteous. This is the place of him who doesn’t know God.”
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide: 2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken. 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen? 4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats? 5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. 6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden. 7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen. 8Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen. 9De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen. 10Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad. 11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten. 12Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde. 13De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren. 14Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen. 15Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden. 16Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden. 17Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten. 18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. 19Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn. 20Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden. 21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.