1나의 기운이 쇠하였으며 나의 날이 다하였고 무덤이 나를 위하여 예비되었구나 2나를 조롱하는 자들이 오히려 나와 함께 있으므로 내 눈이 그들의 격동함을 항상 보는구나 3청컨대 보증물을 주시고 친히 나의 보주가 되옵소서 주 외에 나로 더불어 손을 칠 자가 누구리이까 4주께서 그들의 마음을 가리워 깨닫지 못하게 하셨사오니 그들을 높이지 아니하시리이다 5친구를 지적하여 해를 받게 한 자의 자식들은 눈이 멀지니라 6하나님이 나로 백성의 이야기거리가 되게 하시니 그들이 내 얼굴에 침을 뱉는구나 7내 눈은 근심으로 하여 어두워지고 나의 온 지체는 그림자 같구나 8정직자는 이를 인하여 놀라고 무죄자는 사곡한 자를 인하여 분을 내나니 9그러므로 의인은 그 길을 독실히 행하고 손이 깨끗한 자는 점점 힘을 얻느니라 10너희는 다 다시 올지니라 내가 너희 중에서 지혜자를 찾을 수 없느니라 11나의 날이 지나갔고 내 경영, 내 마음의 사모하는 바가 다 끊어졌구나 12그들은 밤으로 낮을 삼고 빛이 어두운데 가깝다 하는구나 13내 소망이 음부로 내 집을 삼음에 있어서 침상을 흑암에 베풀고 14무덤더러 너는 내 아비라, 구더기더러 너는 내 어미, 내 자매라 할진대 15나의 소망이 어디 있으며 나의 소망을 누가 보겠느냐 16흙 속에서 쉴 때에는 소망이 음부 문으로 내려갈 뿐이니라
1“My spirit is consumed. My days are extinct, And the grave is ready for me. 2Surely there are mockers with me. My eye dwells on their provocation. 3“Now give a pledge, be collateral for me with yourself. Who is there who will strike hands with me? 4For you have hidden their heart from understanding, Therefore you shall not exalt them. 5He who denounces his friends for plunder, Even the eyes of his children shall fail. 6“But he has made me a byword of the people. They spit in my face. 7My eye also is dim by reason of sorrow. All my members are as a shadow. 8Upright men shall be astonished at this. The innocent shall stir up himself against the godless. 9Yet shall the righteous hold on his way. He who has clean hands shall grow stronger and stronger. 10But as for you all, come on now again; I shall not find a wise man among you. 11My days are past, my plans are broken off, as are the thoughts of my heart. 12They change the night into day, saying ‘The light is near’ in the presence of darkness. 13If I look for Sheol as my house, if I have spread my couch in the darkness, 14If I have said to corruption, ‘You are my father;’ to the worm, ‘My mother,’ and ‘my sister;’ 15where then is my hope? as for my hope, who shall see it? 16Shall it go down with me to the gates of Sheol, or descend together into the dust?”
1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij. 2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering? 3Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde. 4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen. 5Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten. 6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht. 7Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw. 8De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken; 9En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen. 10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze. 11Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten. 12Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis. 13Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. 14Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster! 15Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen? 16Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.