1여호와의 말씀이 또 내게 임하여 가라사대 2인자야 네가 패역한 족속 중에 거하도다 그들은 볼 눈이 있어도 보지 아니하고 들을 귀가 있어도 듣지 아니하나니 그들은 패역한 족속임이니라 3인자야 너는 행구를 준비하고 낮에 그들의 목전에서 이사하라 네가 네 처소를 다른 곳으로 옮기는 것을 그들이 보면 비록 패역한 족속이라도 혹 생각이 있으리라 4너는 낮에 그 목전에서 네 행구를 밖으로 내기를 이사하는 행구 같이 하고 저물 때에 너는 그 목전에서 밖으로 나가기를 포로되어 가는 자 같이 하라 5너는 그 목전에서 성벽을 뚫고 그리로 좇아 옮기되 6캄캄할 때에 그 목전에서 어깨에 메고 나가며 얼굴을 가리우고 땅을 보지 말지어다 이는 내가 너를 세워 이스라엘 족속에게 징조가 되게 함이니라 하시기로 7내가 그 명대로 행하여 낮에 나의 행구를 이사하는 행구 같이 내어 놓고 저물 때에 내 손으로 성벽을 뚫고 캄캄할 때에 행구를 내어다가 그 목전에서 어깨에 메고 나가니라 8이튿날 아침에 여호와의 말씀이 또 내게 임하여 가라사대 9인자야 이스라엘 족속 곧 그 패역한 족속이 네게 묻기를 무엇을 하느냐 하지 아니하더냐 10너는 그들에게 말하기를 주 여호와의 말씀에 이것은 예루살렘 왕과 그 가운데 있는 이스라엘 온 족속에 대한 예조라 하셨다 하고 11또 말하기를 나는 너희 징조라 내가 행한 대로 그들이 당하여 사로잡혀 옮겨갈지라 12무리가 성벽을 뚫고 행구를 그리로 가지고 나가고 그 중에 왕은 어두울 때에 어깨에 행구를 메고 나가며 눈으로 땅을 보지 아니하려고 자기 얼굴을 가리우리라 하라 13내가 또 내 그물을 그의 위에 치고 내 올무에 걸리게 하여 그를 끌고 갈대아 땅 바벨론에 이르리니 그가 거기서 죽으려니와 그 땅을 보지 못하리라 14내가 그 호위하는 자와 부대들을 다 사방으로 흩고 또 그 뒤를 따라 칼을 빼리라 15내가 그들을 이방인 가운데로 흩으며 열방 중에 헤친 후에야 그들이 나를 여호와인 줄 알리라 16그러나 내가 그 중 몇 사람을 남겨 칼과 기근과 온역을 벗어나게 하여 그들로 이르는 이방인 중에 자기의 모든 가증한 일을 자백하게 하리니 그들이 나를 여호와인 줄 알리라 17여호와의 말씀이 또 내게 임하여 가라사대 18인자야 너는 떨면서 네 식물을 먹고 놀라고 근심하면서 네 물을 마시며 19이 땅 백성에게 말하되 주 여호와께서 예루살렘 거민과 이스라엘 땅에 대하여 이르시기를 그들이 근심하면서 그 식물을 먹으며 놀라면서 그 물을 마실 것은 이 땅 모든 거민의 강포를 인하여 땅에 가득한 것이 황무하게 됨이라 20사람의 거하는 성읍들이 황페하며 땅이 황무하리니 너희가 나를 여호와인 줄 알리라 하셨다 하라 21여호와의 말씀이 또 내게 임하여 가라사대 22인자야 이스라엘 땅에서 이르기를 날이 더디고 모든 묵시가 응험이 없다 하는 너희의 속담이 어찜이뇨 23그러므로 너는 그들에게 이르기를 주 여호와의 말씀에 내가 이 속담을 그치게 하리니 사람이 다시는 이스라엘 가운데서 이 속담을 못하리라 하셨다 하고 또 그들에게 이르기를 날과 모든 묵시의 응함이 가까우니 24이스라엘 족속 중에 허탄한 묵시나 아첨하는 복술이 다시 있지 못하리라 하라 25나는 여호와라 내가 말하리니 내가 하는 말이 다시는 더디지 아니하고 응하리라 패역한 족속아 내가 너희 생전에 말하고 이루리라 나 주 여호와의 말이니라 하셨다 하라 26여호와의 말씀이 또 내게 임하여 가라사대 27인자야 이스라엘 족속의 말이 그의 보는 묵시는 여러 날 후의 일이라 그가 먼 때에 대하여 예언하는도다 하나니 28그러므로 너는 그들에게 이르기를 주 여호와의 말씀에 나의 말이 하나도 다시 더디지 않을지니 나의 한 말이 이루리라 나 주 여호와의 말이니라 하셨다 하라
1Yahweh’s word also came to me, saying, 2Son of man, you dwell in the midst of the rebellious house, who have eyes to see, and don’t see, who have ears to hear, and don’t hear; for they are a rebellious house. 3Therefore, you son of man, prepare your stuff for moving, and move by day in their sight; and you shall move from your place to another place in their sight: it may be they will consider, though they are a rebellious house. 4You shall bring out your stuff by day in their sight, as stuff for moving; and you shall go out yourself at even in their sight, as when men go out into exile. 5Dig through the wall in their sight, and carry your stuff out that way. 6In their sight you shall bear it on your shoulder, and carry it out in the dark; you shall cover your face, so that you don’t see the land: for I have set you for a sign to the house of Israel. 7I did so as I was commanded: I brought out my stuff by day, as stuff for removing, and in the even I dug through the wall with my hand; I brought it out in the dark, and bore it on my shoulder in their sight. 8In the morning, Yahweh’s word came to me, saying, 9Son of man, has not the house of Israel, the rebellious house, said to you, What are you doing? 10Say to them, Thus says the Lord Yahweh: This burden concerns the prince in Jerusalem, and all the house of Israel among whom they are. 11Say, I am your sign: like as I have done, so shall it be done to them; they shall go into exile, into captivity. 12The prince who is among them shall bear on his shoulder in the dark, and shall go out: they shall dig through the wall to carry out thereby: he shall cover his face, because he shall not see the land with his eyes. 13My net also will I spread on him, and he shall be taken in my snare; and I will bring him to Babylon to the land of the Chaldeans; yet shall he not see it, though he shall die there. 14I will scatter toward every wind all who are around him to help him, and all his bands; and I will draw out the sword after them. 15They shall know that I am Yahweh, when I shall disperse them among the nations, and scatter them through the countries. 16But I will leave a few men of them from the sword, from the famine, and from the pestilence; that they may declare all their abominations among the nations where they come; and they shall know that I am Yahweh. 17Moreover Yahweh’s word came to me, saying, 18Son of man, eat your bread with quaking, and drink your water with trembling and with fearfulness; 19and tell the people of the land, Thus says the Lord Yahweh concerning the inhabitants of Jerusalem, and the land of Israel: They shall eat their bread with fearfulness, and drink their water in dismay, that her land may be desolate, and all that is therein, because of the violence of all those who dwell therein. 20The cities that are inhabited shall be laid waste, and the land shall be a desolation; and you shall know that I am Yahweh. 21Yahweh’s word came to me, saying, 22Son of man, what is this proverb that you have in the land of Israel, saying, The days are prolonged, and every vision fails? 23Tell them therefore, Thus says the Lord Yahweh: I will make this proverb to cease, and they shall no more use it as a proverb in Israel; but tell them, The days are at hand, and the fulfillment of every vision. 24For there shall be no more any false vision nor flattering divination within the house of Israel. 25For I am Yahweh; I will speak, and the word that I shall speak shall be performed; it shall be no more deferred: for in your days, rebellious house, will I speak the word, and will perform it, says the Lord Yahweh. 26Again Yahweh’s word came to me, saying, 27Son of man, behold, they of the house of Israel say, The vision that he sees is for many day to come, and he prophesies of times that are far off. 28Therefore tell them, Thus says the Lord Yahweh: None of my words shall be deferred any more, but the word which I shall speak shall be performed, says the Lord Yahweh.
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: 2Mensenkind! gij woont in het midden van een wederspannig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een wederspannig huis. 3Daarom gij, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en gij zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een wederspannig huis zijn. 4Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken. 5Doorgraaf u den wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit. 6Voor hun ogen zult gij het op de schouders dragen, in donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want Ik heb u den huize Israels tot een wonderteken gegeven. 7En ik deed alzo, gelijk als mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op den schouder voor hun ogen. 8En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende: 9Mensenkind, heeft niet het huis Israels, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij? 10Zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Deze last is tegen den vorst te Jeruzalem, en het ganse huis Israels, dat in het midden van hen is. 11Zeg: Ik ben ulieder wonderteken; gelijk als ik gedaan heb, alzo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan. 12En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op den schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie. 13Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonie, het land der Chaldeen; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. 14En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. 15Alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal. 16Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. 17Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende: 18Mensenkind, gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken. 19En gij zult tot het volk des lands zeggen: Alzo zegt de Heere HEERE, van de inwoners van Jeruzalem, in het land Israels: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen; 20En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben. 21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende: 22Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat gijlieden hebt in het land Israels, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan? 23Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israel. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht. 24Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis Israels. 25Want Ik ben de HEERE, Ik zal spreken; het woord, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o wederspannig huis, zal Ik een woord spreken, en hetzelve doen, spreekt de Heere HEERE. 26Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende: 27Mensenkind, zie, die van het huis Israels zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn. 28Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Geen Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.
절 번호는 선택한 번역본을 따르며, 몇몇 장에서는 한 절씩 다를 수 있습니다.