1Yahweh, the God of my salvation, I have cried day and night before you. 2Let my prayer enter into your presence. Turn your ear to my cry. 3For my soul is full of troubles. My life draws near to Sheol. 4I am counted among those who go down into the pit. I am like a man who has no help, 5set apart among the dead, like the slain who lie in the grave, whom you remember no more. They are cut off from your hand. 6You have laid me in the lowest pit, in the darkest depths. 7Your wrath lies heavily on me. You have afflicted me with all your waves. Selah. 8You have taken my friends from me. You have made me an abomination to them. I am confined, and I can’t escape. 9My eyes are dim from grief. I have called on you daily, Yahweh. I have spread out my hands to you. 10Do you show wonders to the dead? Do the departed spirits rise up and praise you? Selah. 11Is your loving kindness declared in the grave? Or your faithfulness in Destruction? 12Are your wonders made known in the dark? Or your righteousness in the land of forgetfulness? 13But to you, Yahweh, I have cried. In the morning, my prayer comes before you. 14Yahweh, why do you reject my soul? Why do you hide your face from me? 15I am afflicted and ready to die from my youth up. While I suffer your terrors, I am distracted. 16Your fierce wrath has gone over me. Your terrors have cut me off. 17They came around me like water all day long. They completely engulfed me. 18You have put lover and friend far from me, and my friends into darkness.
1Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet. 2O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U. 3Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei. 4Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. 5Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; 6Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand. 7Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. 8Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela. 9Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen. 10Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U. 11Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. 12Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf? 13Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid? 14Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond. 15HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij? 16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig. 17Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan. 18Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij. Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.
Verse numbers follow the chosen translation and can differ by one verse in a few chapters.