1Deliver me from my enemies, my God. Set me on high from those who rise up against me. 2Deliver me from the workers of iniquity. Save me from the bloodthirsty men. 3For, behold, they lie in wait for my soul. The mighty gather themselves together against me, not for my disobedience, nor for my sin, Yahweh. 4I have done no wrong, yet they are ready to attack me. Rise up, behold, and help me! 5You, Yahweh God of Armies, the God of Israel, rouse yourself to punish the nations. Show no mercy to the wicked traitors. Selah. 6They return at evening, howling like dogs, and prowl around the city. 7Behold, they spew with their mouth. Swords are in their lips, “For”, they say, “who hears us?” 8But you, Yahweh, laugh at them. You scoff at all the nations. 9Oh, my Strength, I watch for you, for God is my high tower. 10My God will go before me with his loving kindness. God will let me look at my enemies in triumph. 11Don’t kill them, or my people may forget. Scatter them by your power, and bring them down, Lord our shield. 12For the sin of their mouth, and the words of their lips, let them be caught in their pride, for the curses and lies which they utter. 13Consume them in wrath. Consume them, and they will be no more. Let them know that God rules in Jacob, to the ends of the earth. Selah. 14At evening let them return. Let them howl like a dog, and go around the city. 15They shall wander up and down for food, and wait all night if they aren’t satisfied. 16But I will sing of your strength. Yes, I will sing aloud of your loving kindness in the morning. For you have been my high tower, a refuge in the day of my distress. 17To you, my strength, I will sing praises. For God is my high tower, the God of my mercy.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden. 2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan. 3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds. 4Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE! 5Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie. 6Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela. 7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad. 8Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het? 9Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten. 10Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek. 11De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien. 12Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild! 13Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen. 14Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela. 15Laat hen dan tegen de avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan; 16Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd. 17Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was. Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid.
Verse numbers follow the chosen translation and can differ by one verse in a few chapters.