1Тим же, зоставивши початки Христового слова, ідїмо до звершення, не кладучи знов основин покаяння од мертвих дїл і віри в Бога, 2науки хрещення, і положення рук, і воскресення мертвих, і суду вічнього. 3І се зробимо, коли Бог дозволить. 4Неможливе бо тих, що раз уже просьвітились, і вкусили дара небесного, і стали причастниками Духа сьвятого, 5і вкусили доброго слова Божого і сили грядущого віка, 6та й відпали, знов обновляти покаяннєм, удруге розпинаючих у собі Сина Божого та зневажаючих Його. 7Земля бо, що пє падаючий часто на неї дощ, і родить билину, потрібну тим, хто її садить, приймає благословеннє від Бога; 8а котра приносить терни та бодяки, непотрібна і близька прокляття, котрої кінець на спаленнє. 9Ми ж надїємось по вас, любі, луччого і ближчого до спасення, хоч і говоримо так. 10Не єсть бо Бог неправеден, щоб забути дїло ваше і труд любови, що показали ви в імя Його, послугувавши і послугуючи сьвятим. 11Бажаємо ж, щоб кожен з вас являв таке саме стараннє про тверду надїю аж до кінця, 12щоб не були ви лїниві, а послїдователї тих, що наслїдують обітницї вірою і довготерпіннєм. 13Обітуючи бо Аврааму Бог, яко ж бо нїкого не мав більшого, щоб клястись, кляв ся собою, 14глаголючи: „Істинно благословляючи благословлю тебе, і намножуючи намножу тебе.‟ 15І так, бувши довготерпилив, одержав обітницю. 16Люде бо більшим кленуть ся, і всякої суперечки між ними конець на ствердженнє, — клятьба. 17У тому ж, хотївши Бог більше показати наслїдникам обітницї незмінність ради своєї, посередникував клятьбою, 18щоб двома речами незмінними (в котрих не можна обманити Богу) мали кріпке втїшеннє ми, що прибігаємо (до Нього) приняти надїю, що лежить перед нами, 19котру маємо, яко якор душі, тверду і певну, і входить вона у саму середину за завісою, 20куди предтеча про нас увійшов Ісус, по чину Мелхиседековому, ставшись Архиєреєм по вік.
1Therefore leaving the teaching of the first principles of Christ, let us press on to perfection—not laying again a foundation of repentance from dead works, of faith toward God, 2of the teaching of baptisms, of laying on of hands, of resurrection of the dead, and of eternal judgment. 3This will we do, if God permits. 4For concerning those who were once enlightened and tasted of the heavenly gift, and were made partakers of the Holy Spirit, 5and tasted the good word of God, and the powers of the age to come, 6and then fell away, it is impossible to renew them again to repentance; seeing they crucify the Son of God for themselves again, and put him to open shame. 7For the land which has drunk the rain that comes often on it, and produces a crop suitable for them for whose sake it is also tilled, receives blessing from God; 8but if it bears thorns and thistles, it is rejected and near being cursed, whose end is to be burned. 9But, beloved, we are persuaded of better things for you, and things that accompany salvation, even though we speak like this. 10For God is not unrighteous, so as to forget your work and the labor of love which you showed toward his name, in that you served the saints, and still do serve them. 11We desire that each one of you may show the same diligence to the fullness of hope even to the end, 12that you won’t be sluggish, but imitators of those who through faith and patience inherited the promises. 13For when God made a promise to Abraham, since he could swear by no one greater, he swore by himself, 14saying, “Surely blessing I will bless you, and multiplying I will multiply you.” 15Thus, having patiently endured, he obtained the promise. 16For men indeed swear by a greater one, and in every dispute of theirs the oath is final for confirmation. 17In this way God, being determined to show more abundantly to the heirs of the promise the immutability of his counsel, interposed with an oath; 18that by two immutable things, in which it is impossible for God to lie, we may have a strong encouragement, who have fled for refuge to take hold of the hope set before us. 19This hope we have as an anchor of the soul, a hope both sure and steadfast and entering into that which is within the veil; 20where as a forerunner Jesus entered for us, having become a high priest forever after the order of Melchizedek.
1Daarom, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet wederom leggende het fondament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God, 2Van de leer der dopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der doden, en van het eeuwig oordeel. 3En dit zullen wij ook doen, indien het God toelaat. 4Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, 5En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, 6En afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken. 7Want de aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; 8Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding. 9Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken. 10Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en den arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. 11Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe; 12Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beerven. 13Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, 14Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. 15En alzo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen. 16Want de mensen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken; 17Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen; 18Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden; 19Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; 20Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.
Натисни Enter, щоб виділити цей вірш, додати нотатку або скопіювати його. Стрілками переходь до наступного вірша.
Розділи і вірші пронумеровано, як у більшості Біблій світу. У грецькій (православній) нумерації Псалом 23 — це Псалом 22, а Псалом 51 — Псалом 50. Біблію Куліша Нитка вирівняла за цією нумерацією, щоб кожне посилання відкривало той самий вірш усіма мовами.