1Тим подобає нам більше вважати на те, що чували, щоб инодї не відпасти. 2Бо коли промовлене ангелам слово було певне, і всякий переступ і непослух прийняв праведну відплату, 3то як нам утекти, що недбали про таке велике спасеннє? котре, почавши проповідувати ся через Господа, від тих що чули, нам стверджене, 4як сьвідкував Бог ознаками і чудесами, і всякими силами, і роздаваннєм Духа сьвятого, по своїй волї. 5Не ангелам бо покорив вселенну грядущу, про котру глаголемо; 6засьвідкував же хтось десь, глаголючи: Що таке чоловік, що памятаєш його, або син чоловічий, що одвідуєш його? 7Умалив єси його малим чим од ангелів; славою і честю вінчав єси його, і поставив єси його над дїлами рук Твоїх; 8все покорив єси під ноги його. А впокоривши йому все, нїчого не зоставив невпокореним йому. Тепер же ще не бачимо, щоб усе було йому впокорене, 9а бачимо Ісуса, малим чим умаленого від ангелів, за муку смерти увінчаного славою й честю, щоб благодаттю Божою за всїх пожив смерти. 10Подобало бо Тому, про кого все і ким усе, що привів многих синів у славу, починателя спасення їх страданнями звершити. 11Бо й хто осьвячує і хто осьвячуєть ся, від Одного всї; з сієї то причини не соромить ся братами звати їх, 12глаголючи: Звїщу імя Твоє браттю моєму, посеред церкви сьпівати му хвалу Тобі. 13І знов: Надїяти мусь на Него. І знов: Ось я і дїти, що дав менї Бог. 14Коли ж дїти стали ся спільниками тїла і крови, і Він так само спільником їх, щоб смертю знищити того, що має державу смерти, се єсть диявола, 15і визволити тих, що з страху смерти через усе життє підневолені були рабству. 16Справдї бо не ангелів приймає, а насїннє Авраамове приймає. 17Звідсїля мусїв у всьому подобитись братам, щоб бути милосердним і вірним архиєреєм у Божому, щоб очистити гріхи людські. 18У чому бо сам пострадав, спокушуваний бувши, може і тим, що спокушують ся, помогти.
1Therefore we ought to pay greater attention to the things that were heard, lest perhaps we drift away. 2For if the word spoken through angels proved steadfast, and every transgression and disobedience received a just recompense; 3how will we escape if we neglect so great a salvation—which at the first having been spoken through the Lord, was confirmed to us by those who heard; 4God also testifying with them, both by signs and wonders, by various works of power, and by gifts of the Holy Spirit, according to his own will? 5For he didn’t subject the world to come, of which we speak, to angels. 6But one has somewhere testified, saying, “What is man, that you think of him? Or the son of man, that you care for him? 7You made him a little lower than the angels. You crowned him with glory and honor. 8You have put all things in subjection under his feet.” For in that he subjected all things to him, he left nothing that is not subject to him. But now we don’t see all things subjected to him, yet. 9But we see him who has been made a little lower than the angels, Jesus, because of the suffering of death crowned with glory and honor, that by the grace of God he should taste of death for everyone. 10For it became him, for whom are all things, and through whom are all things, in bringing many children to glory, to make the author of their salvation perfect through sufferings. 11For both he who sanctifies and those who are sanctified are all from one, for which cause he is not ashamed to call them brothers, 12saying, “I will declare your name to my brothers. In the midst of the congregation I will sing your praise.” 13Again, “I will put my trust in him.” Again, “Behold, here I am with the children whom God has given me.” 14Since then the children have shared in flesh and blood, he also himself in the same way partook of the same, that through death he might bring to nothing him who had the power of death, that is, the devil, 15and might deliver all of them who through fear of death were all their lifetime subject to bondage. 16For most certainly, he doesn’t give help to angels, but he gives help to the seed of Abraham. 17Therefore he was obligated in all things to be made like his brothers, that he might become a merciful and faithful high priest in things pertaining to God, to make atonement for the sins of the people. 18For in that he himself has suffered being tempted, he is able to help those who are tempted.
1Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien. 2Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft; 3Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben; 4God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil. 5Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken. 6Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt! 7Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen; 8Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; 9Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou. 10Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen. 11Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen. 12Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen. 13En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft. 14Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel; 15En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren. 16Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. 17Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. 18Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.
Натисни Enter, щоб виділити цей вірш, додати нотатку або скопіювати його. Стрілками переходь до наступного вірша.
Розділи і вірші пронумеровано, як у більшості Біблій світу. У грецькій (православній) нумерації Псалом 23 — це Псалом 22, а Псалом 51 — Псалом 50. Біблію Куліша Нитка вирівняла за цією нумерацією, щоб кожне посилання відкривало той самий вірш усіма мовами.