1Когда люди начали умножаться на земле и родились у них дочери, 2тогда сыны Божии увидели дочерей человеческих, что они красивы, и брали их себе в жены, какую кто избрал. 3И сказал Господь [Бог]: не вечно Духу Моему быть пренебрегаемым человеками [сими], потому что они плоть; пусть будут дни их сто двадцать лет. 4В то время были на земле исполины, особенно же с того времени, как сыны Божии стали входить к дочерям человеческим, и они стали рождать им: это сильные, издревле славные люди. 5И увидел Господь [Бог], что велико развращение человеков на земле, и что все мысли и помышления сердца их были зло во всякое время; 6и раскаялся Господь, что создал человека на земле, и восскорбел в сердце Своем. 7И сказал Господь: истреблю с лица земли человеков, которых Я сотворил, от человека до скотов, и гадов и птиц небесных истреблю, ибо Я раскаялся, что создал их. 8Ной же обрел благодать пред очами Господа [Бога]. 9Вот житие Ноя: Ной был человек праведный и непорочный в роде своем; Ной ходил пред Богом. 10Ной родил трех сынов: Сима, Хама и Иафета. 11Но земля растлилась пред лицем Божиим, и наполнилась земля злодеяниями. 12И воззрел [Господь] Бог на землю, и вот, она растленна, ибо всякая плоть извратила путь свой на земле. 13И сказал [Господь] Бог Ною: конец всякой плоти пришел пред лице Мое, ибо земля наполнилась от них злодеяниями; и вот, Я истреблю их с земли. 14Сделай себе ковчег из дерева гофер; отделения сделай в ковчеге и осмоли его смолою внутри и снаружи. 15И сделай его так: длина ковчега триста локтей; ширина его пятьдесят локтей, а высота его тридцать локтей. 16И сделай отверстие в ковчеге, и в локоть сведи его вверху, и дверь в ковчег сделай с боку его; устрой в нем нижнее, второе и третье [жилье]. 17И вот, Я наведу на землю потоп водный, чтоб истребить всякую плоть, в которой есть дух жизни, под небесами; все, что есть на земле, лишится жизни. 18Но с тобою Я поставлю завет Мой, и войдешь в ковчег ты, и сыновья твои, и жена твоя, и жены сынов твоих с тобою. 19Введи также в ковчег [из всякого скота, и из всех гадов, и] из всех животных, и от всякой плоти по паре, чтоб они остались с тобою в живых; мужеского пола и женского пусть они будут. 20Из [всех] птиц по роду их, и из [всех] скотов по роду их, и из всех пресмыкающихся по земле по роду их, из всех по паре войдут к тебе, чтобы остались в живых [с тобою, мужеского пола и женского]. 21Ты же возьми себе всякой пищи, какою питаются, и собери к себе; и будет она для тебя и для них пищею. 22И сделал Ной всё: как повелел ему [Господь] Бог, так он и сделал.
1When men began to multiply on the surface of the ground, and daughters were born to them, 2God’s sons saw that men’s daughters were beautiful, and they took any that they wanted for themselves as wives. 3Yahweh said, “My Spirit will not strive with man forever, because he also is flesh; so his days will be one hundred twenty years.” 4The Nephilim were in the earth in those days, and also after that, when God’s sons came in to men’s daughters and had children with them. Those were the mighty men who were of old, men of renown. 5Yahweh saw that the wickedness of man was great in the earth, and that every imagination of the thoughts of man’s heart was continually only evil. 6Yahweh was sorry that he had made man on the earth, and it grieved him in his heart. 7Yahweh said, “I will destroy man whom I have created from the surface of the ground—man, along with animals, creeping things, and birds of the sky—for I am sorry that I have made them.” 8But Noah found favor in Yahweh’s eyes. 9This is the history of the generations of Noah: Noah was a righteous man, blameless among the people of his time. Noah walked with God. 10Noah became the father of three sons: Shem, Ham, and Japheth. 11The earth was corrupt before God, and the earth was filled with violence. 12God saw the earth, and saw that it was corrupt, for all flesh had corrupted their way on the earth. 13God said to Noah, “I will bring an end to all flesh, for the earth is filled with violence through them. Behold, I will destroy them and the earth. 14Make a ship of gopher wood. You shall make rooms in the ship, and shall seal it inside and outside with pitch. 15This is how you shall make it. The length of the ship shall be three hundred cubits, its breadth fifty cubits, and its height thirty cubits. 16You shall make a roof in the ship, and you shall finish it to a cubit upward. You shall set the door of the ship in its side. You shall make it with lower, second, and third levels. 17I, even I, do bring the flood of waters on this earth, to destroy all flesh having the breath of life from under the sky. Everything that is in the earth will die. 18But I will establish my covenant with you. You shall come into the ship, you, your sons, your wife, and your sons’ wives with you. 19Of every living thing of all flesh, you shall bring two of every sort into the ship, to keep them alive with you. They shall be male and female. 20Of the birds after their kind, of the livestock after their kind, of every creeping thing of the ground after its kind, two of every sort will come to you, to keep them alive. 21Take with you of all food that is eaten, and gather it to yourself; and it will be for food for you, and for them.” 22Thus Noah did. He did all that God commanded him.
1En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, 2Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. 3Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. 4In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. 5En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. 6Toen berouwde het de HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. 7En de HEERE zeide: Ik zal den mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN. 9Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God. 10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. 11Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel. 12Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. 13Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven. 14Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek. 15En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte. 16Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken. 17Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal den geest geven. 18Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u. 19En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn; 20Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden. 21En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij. 22En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.
Нажми Enter, чтобы выделить этот стих, добавить заметку или скопировать его. Стрелками переходи к следующему стиху.
Главы и стихи пронумерованы как в большинстве Библий мира. В Синодальном издании Псалтирь считается по-гречески: Псалом 23 там — Псалом 22, Псалом 51 — Псалом 50. Нить пересчитала стихи, чтобы каждая ссылка открывала тот же стих на всех языках.