Mateus 7:1 · Novo Testamento
Oordeel niet: eerst de balk, dan de splinterA trave e o argueiro
In de Bergrede waarschuwt Jezus tegen hard en schijnheilig oordelen: met de maat waarmee je meet, word je zelf gemeten. Wie eerst eerlijk naar zichzelf kijkt, kan daarna een ander echt helpen.
Por agora, as explicações de passagens e livros estão só em neerlandês, e ainda não há texto bíblico em português: por enquanto lês a World English Bible, em inglês. A app em si está em português; as traduções vão seguir-se.
Rascunho: ainda não revistoEsta explicação foi escrita com fontes, mas ainda não foi verificada por um segundo leitor.Viste um erro? Diz-nos.
A história
Jezus zit op een berg en leert zijn leerlingen hoe je leeft als je bij God hoort. Dan zegt Hij: 'Oordeel niet.' Hij geeft er een grappig voorbeeld bij. Stel je voor: iemand heeft een grote houten balk in zijn oog, maar zegt tegen een ander: 'Wacht, er zit een klein splintertje in jouw oog, ik haal het er wel even uit!' Dat is natuurlijk gek. Jezus bedoelt: we zien snel wat anderen fout doen, maar we vergeten onze eigen fouten. Kijk dus eerst eerlijk naar jezelf. Dan kun je iemand anders helpen, vriendelijk en zonder op hem of haar neer te kijken. Jezus zegt niet dat alles oké is wat mensen doen. Hij zegt: wees niet hard en niet schijnheilig.
Pergunta para ti
Teken samen een balk en een splinter. Waarom is het beeld zo grappig? Wat wil Jezus ermee zeggen?
Façam juntos
Balk-check: denk even stil aan iemand over wie je deze week iets negatiefs dacht of zei. Stel jezelf één eerlijke vraag: wat zegt dit over mij? Wie wil, deelt iets. Sluit af met de gulden regel (7:12).
Muitas vezes lido como
'Niemand mag iets van mij vinden': een schild tegen elke kritiek.
Lido no contexto
Een waarschuwing tegen hard en schijnheilig oordelen. Eerst zelfonderzoek (de balk), dan pas helpen (de splinter). In dezelfde toespraak vraagt Jezus wel om onderscheidingsvermogen (vs 6 en 15–20).
Mateus 7:1
Não julgueis, para que não sejais julgados.
“Don’t judge, so that you won’t be judged.
Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
Dez versículos antes e depois.
Maak je geen zorgen
25Por isso vos digo: não andeis ansiosos por vossa vida, sobre o que haveis de comer, ou que haveis de beber; nem por vosso corpo, sobre com que vos haveis de vestir. Não é a vida mais que o alimento, e o corpo mais que a roupa? 26Olhai para as aves do céu, que não semeiam, nem ceifam, nem ajuntam em celeiros; e contudo vosso Pai celestial as alimenta. Não sois vós muito mais importantes que elas? 27E qual de vós poderá, por sua ansiedade, acrescentar um côvado à sua estatura? 28E por que andais ansiosos pela roupa? Prestai atenção aos lírios do campo, como crescem; eles nem trabalham nem fiam. 29Mas eu vos digo que nem mesmo Salomão, em toda a sua glória, se vestiu como um deles. 30Se Deus veste desta maneira a erva do campo, que hoje existe, e amanhã é lançada no forno, não vestirá ele muito mais a vós, que tendes pouca fé? 31Não andeis, pois, ansiosos, dizendo: “Que comeremos?” Ou “Que beberemos?” Ou “Com que nos vestiremos?” 32Porque os gentios buscam todas estas coisas, e vosso Pai celestial sabe que necessitais destas coisas, todas elas. 33Mas buscai primeiramente o seu Reino e a sua justiça, e todas estas coisas vos serão acrescentadas. 34Não andeis, pois, ansiosos pelo dia de amanhã, porque o amanhã cuidará de si mesmo. Basta a cada dia o seu mal.
Capítulo 7
Oordeel niet
1Não julgueis, para que não sejais julgados. 2Porque com o juízo que julgardes sereis julgados; e com a medida que medirdes vos medirão. 3Ora, por que vês o cisco que está no olho de teu irmão e não enxergas a trave que está em teu próprio olho? 4Ou como dirás a teu irmão: “Deixa-me tirar o cisco do teu olho”, se eis que há uma trave em teu próprio olho? 5Hipócrita! Tira primeiro a trave do teu olho, e então verás claramente para tirar o cisco do olho de teu irmão. 6Não deis o que é santo aos cães, nem lanceis vossas pérolas diante dos porcos, para não acontecer de as pisarem com os pés e, virando-se, vos despedacem.
Vraag, zoek, klop
7Pedi, e vos será dado; buscai, e achareis; batei, e vos será aberto; 8Pois qualquer um que pede recebe; e quem busca acha; e ao que bate lhe é aberto. 9E quem há dentre vós que, se seu filho pedir pão, lhe dará uma pedra? 10E se pedir peixe, lhe dará uma serpente? 11Ora, se vós, ainda que sejais maus, sabeis dar bons presentes a vossos filhos, quanto mais o vosso Pai, que está nos céus, dará coisas boas aos que lhe pedirem!
Maak je geen zorgen
25Therefore I tell you, don’t be anxious for your life: what you will eat, or what you will drink; nor yet for your body, what you will wear. Isn’t life more than food, and the body more than clothing? 26See the birds of the sky, that they don’t sow, neither do they reap, nor gather into barns. Your heavenly Father feeds them. Aren’t you of much more value than they? 27“Which of you, by being anxious, can add one momentto his lifespan? 28Why are you anxious about clothing? Consider the lilies of the field, how they grow. They don’t toil, neither do they spin, 29yet I tell you that even Solomon in all his glory was not dressed like one of these. 30But if God so clothes the grass of the field, which today exists, and tomorrow is thrown into the oven, won’t he much more clothe you, you of little faith? 31“Therefore don’t be anxious, saying, ‘What will we eat?’, ‘What will we drink?’ or, ‘With what will we be clothed?’ 32For the Gentiles seek after all these things; for your heavenly Father knows that you need all these things. 33But seek first God’s Kingdom, and his righteousness; and all these things will be given to you as well. 34Therefore don’t be anxious for tomorrow, for tomorrow will be anxious for itself. Each day’s own evil is sufficient.
Capítulo 7
Oordeel niet
1“Don’t judge, so that you won’t be judged. 2For with whatever judgment you judge, you will be judged; and with whatever measure you measure, it will be measured to you. 3Why do you see the speck that is in your brother’s eye, but don’t consider the beam that is in your own eye? 4Or how will you tell your brother, ‘Let me remove the speck from your eye;’ and behold, the beam is in your own eye? 5You hypocrite! First remove the beam out of your own eye, and then you can see clearly to remove the speck out of your brother’s eye. 6“Don’t give that which is holy to the dogs, neither throw your pearls before the pigs, lest perhaps they trample them under their feet, and turn and tear you to pieces.
Vraag, zoek, klop
7“Ask, and it will be given you. Seek, and you will find. Knock, and it will be opened for you. 8For everyone who asks receives. He who seeks finds. To him who knocks it will be opened. 9Or who is there among you, who, if his son asks him for bread, will give him a stone? 10Or if he asks for a fish, who will give him a serpent? 11If you then, being evil, know how to give good gifts to your children, how much more will your Father who is in heaven give good things to those who ask him!
Maak je geen zorgen
25Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? 26Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? 27Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? 28En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; 29En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze. 30Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen? 31Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? 32Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. 33Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. 34Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.
Capítulo 7
Oordeel niet
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden. 3En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? 4Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. 6Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
Vraag, zoek, klop
7Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 9Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven? 10En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven? 11Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!
O texto como unidade: Oordeel niet (Mt 7:1–6).
1Não julgueis, para que não sejais julgados. 2Porque com o juízo que julgardes sereis julgados; e com a medida que medirdes vos medirão. 3Ora, por que vês o cisco que está no olho de teu irmão e não enxergas a trave que está em teu próprio olho? 4Ou como dirás a teu irmão: “Deixa-me tirar o cisco do teu olho”, se eis que há uma trave em teu próprio olho? 5Hipócrita! Tira primeiro a trave do teu olho, e então verás claramente para tirar o cisco do olho de teu irmão. 6Não deis o que é santo aos cães, nem lanceis vossas pérolas diante dos porcos, para não acontecer de as pisarem com os pés e, virando-se, vos despedacem.
1“Don’t judge, so that you won’t be judged. 2For with whatever judgment you judge, you will be judged; and with whatever measure you measure, it will be measured to you. 3Why do you see the speck that is in your brother’s eye, but don’t consider the beam that is in your own eye? 4Or how will you tell your brother, ‘Let me remove the speck from your eye;’ and behold, the beam is in your own eye? 5You hypocrite! First remove the beam out of your own eye, and then you can see clearly to remove the speck out of your brother’s eye. 6“Don’t give that which is holy to the dogs, neither throw your pearls before the pigs, lest perhaps they trample them under their feet, and turn and tear you to pieces.
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden. 3En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? 4Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. 6Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
O capítulo inteiro. A perícope está ligeiramente colorida.
Oordeel niet
1Não julgueis, para que não sejais julgados. 2Porque com o juízo que julgardes sereis julgados; e com a medida que medirdes vos medirão. 3Ora, por que vês o cisco que está no olho de teu irmão e não enxergas a trave que está em teu próprio olho? 4Ou como dirás a teu irmão: “Deixa-me tirar o cisco do teu olho”, se eis que há uma trave em teu próprio olho? 5Hipócrita! Tira primeiro a trave do teu olho, e então verás claramente para tirar o cisco do olho de teu irmão. 6Não deis o que é santo aos cães, nem lanceis vossas pérolas diante dos porcos, para não acontecer de as pisarem com os pés e, virando-se, vos despedacem.
Vraag, zoek, klop
7Pedi, e vos será dado; buscai, e achareis; batei, e vos será aberto; 8Pois qualquer um que pede recebe; e quem busca acha; e ao que bate lhe é aberto. 9E quem há dentre vós que, se seu filho pedir pão, lhe dará uma pedra? 10E se pedir peixe, lhe dará uma serpente? 11Ora, se vós, ainda que sejais maus, sabeis dar bons presentes a vossos filhos, quanto mais o vosso Pai, que está nos céus, dará coisas boas aos que lhe pedirem! 12Portanto tudo o que quiserdes que os outros vos façam, fazei-lhes vós também assim; porque esta é a Lei e os Profetas.
De smalle poort
13Entrai pela porta estreita; porque larga é a porta, e espaçoso o caminho que leva à perdição; e muitos são os que por ela entram. 14Porque estreita é a porta, e apertado o caminho que leva à vida; e são poucos os que a acham.
Bomen en vruchten
15Tende cuidado, com os falsos profetas, que vêm a vós com roupa de ovelhas, mas por dentro são lobos vorazes. 16Vós os conhecereis pelos seus frutos. Por acaso se colhem uvas dos espinheiros, ou figos dos abrolhos? 17Assim toda boa árvore dá bons frutos, mas a arvore má dá frutos maus. 18A boa árvore não pode dar frutos maus, nem a árvore má dar bons frutos. 19Toda árvore que não dá bom fruto é cortada e lançada ao fogo. 20Portanto vós os conhecereis pelos seus frutos. 21Não é qualquer um que me diz: “Senhor, Senhor” que entrará no Reino dos céus; mas sim aquele que faz a vontade do meu Pai que está nos céus. 22Muitos me dirão naquele dia: “Senhor, Senhor! Não profetizamos em teu nome? E em teu nome não expulsamos os demônios? E em teu nome não fizemos muitas maravilhas?” 23Então claramente lhes direi: “Nunca vos conheci. Afastai-vos de mim, transgressores!” )
Het huis op de rots
24Portanto todo o que ouve estas minhas palavras e as praticaserá comparado ao homem prudente, que construiu sua casa sobre a rocha. 25E a chuva desceu, correntezas vieram, ventos sopraram, e atingiram aquela casa; e ela não caiu, porque estava fundada sobre a rocha. 26Porém todo o que ouve estas minhas palavras e não as pratica, eu o compararei ao homem tolo, que construiu sua casa sobre a areia. 27E a chuva desceu, correntezas vieram, ventos sopraram, e atingiram aquela casa; e ela caiu, e sua queda foi grande. 28E aconteceu que, quando Jesus terminou estas palavras, as multidões estavam admiradas de sua doutrina, 29porque ele os ensinava como tendo autoridade, e não como os seus escribas.
Oordeel niet
1“Don’t judge, so that you won’t be judged. 2For with whatever judgment you judge, you will be judged; and with whatever measure you measure, it will be measured to you. 3Why do you see the speck that is in your brother’s eye, but don’t consider the beam that is in your own eye? 4Or how will you tell your brother, ‘Let me remove the speck from your eye;’ and behold, the beam is in your own eye? 5You hypocrite! First remove the beam out of your own eye, and then you can see clearly to remove the speck out of your brother’s eye. 6“Don’t give that which is holy to the dogs, neither throw your pearls before the pigs, lest perhaps they trample them under their feet, and turn and tear you to pieces.
Vraag, zoek, klop
7“Ask, and it will be given you. Seek, and you will find. Knock, and it will be opened for you. 8For everyone who asks receives. He who seeks finds. To him who knocks it will be opened. 9Or who is there among you, who, if his son asks him for bread, will give him a stone? 10Or if he asks for a fish, who will give him a serpent? 11If you then, being evil, know how to give good gifts to your children, how much more will your Father who is in heaven give good things to those who ask him! 12Therefore whatever you desire for men to do to you, you shall also do to them; for this is the law and the prophets.
De smalle poort
13“Enter in by the narrow gate; for wide is the gate and broad is the way that leads to destruction, and many are those who enter in by it. 14Hownarrow is the gate, and restricted is the way that leads to life! Few are those who find it.
Bomen en vruchten
15“Beware of false prophets, who come to you in sheep’s clothing, but inwardly are ravening wolves. 16By their fruits you will know them. Do you gather grapes from thorns, or figs from thistles? 17Even so, every good tree produces good fruit; but the corrupt tree produces evil fruit. 18A good tree can’t produce evil fruit, neither can a corrupt tree produce good fruit. 19Every tree that doesn’t grow good fruit is cut down, and thrown into the fire. 20Therefore by their fruits you will know them. 21Not everyone who says to me, ‘Lord, Lord,’ will enter into the Kingdom of Heaven; but he who does the will of my Father who is in heaven. 22Many will tell me in that day, ‘Lord, Lord, didn’t we prophesy in your name, in your name cast out demons, and in your name do many mighty works?’ 23Then I will tell them, ‘I never knew you. Depart from me, you who work iniquity.’
Het huis op de rots
24“Everyone therefore who hears these words of mine, and does them, I will liken him to a wise man, who built his house on a rock. 25The rain came down, the floods came, and the winds blew, and beat on that house; and it didn’t fall, for it was founded on the rock. 26Everyone who hears these words of mine, and doesn’t do them will be like a foolish man, who built his house on the sand. 27The rain came down, the floods came, and the winds blew, and beat on that house; and it fell—and great was its fall.” 28When Jesus had finished saying these things, the multitudes were astonished at his teaching, 29for he taught them with authority, and not like the scribes.
Oordeel niet
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden. 3En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? 4Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. 6Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
Vraag, zoek, klop
7Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 9Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven? 10En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven? 11Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden! 12Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.
De smalle poort
13Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; 14Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.
Bomen en vruchten
15Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. 16Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? 17Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. 18Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 20Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen. 21Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. 22Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? 23En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!
Het huis op de rots
24Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; 25En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. 26En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot. 28En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer; 29Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
Onde fica esta passagem na estrutura de Mateus.
- 1–2
Afkomst en geboorte
Stamboom, geboorte en vlucht naar Egypte.
- 3–4
Begin van Jezus' optreden
Doop, verzoeking in de woestijn, de eerste leerlingen.
- 5–7
Toespraak 1: de Bergrede
Hoe leven wie bij Gods koninkrijk hoort: zaligsprekingen, gebed, oordelen, het huis op de rots.
A passagem está aqui
- 8–9
Wonderen en roeping
Genezingen en de roeping van Matteüs.
- 10
Toespraak 2: uitzending
De twaalf worden uitgezonden.
- 11–12
Groeiende tegenstand
Twijfel bij Johannes de Doper, conflict over de sabbat.
- 13
Toespraak 3: gelijkenissen
Zaaier, mosterdzaad, schat in de akker.
- 14–17
Wie is Jezus?
Broodwonderen, belijdenis van Petrus, verheerlijking op de berg.
- 18
Toespraak 4: leven als gemeente
Wie is de grootste, het verloren schaap, vergeving.
- 19–23
Op weg naar Jeruzalem
Intocht, tempel, debatten en scherpe kritiek op de schriftgeleerden.
- 24–25
Toespraak 5: de eindtijd
Waakzaamheid, talenten, het oordeel over de volken.
- 26–28
Lijden, dood en opstanding
Laatste maaltijd, kruisiging, opstanding en de zendingsopdracht.
- 1–2
Afkomst en geboorte
Stamboom, geboorte en vlucht naar Egypte.
- 3–4
Begin van Jezus' optreden
Doop, verzoeking in de woestijn, de eerste leerlingen.
- 5–7
Toespraak 1: de Bergrede
Hoe leven wie bij Gods koninkrijk hoort: zaligsprekingen, gebed, oordelen, het huis op de rots.
A passagem está aqui
- 8–9
Wonderen en roeping
Genezingen en de roeping van Matteüs.
- 10
Toespraak 2: uitzending
De twaalf worden uitgezonden.
- 11–12
Groeiende tegenstand
Twijfel bij Johannes de Doper, conflict over de sabbat.
- 13
Toespraak 3: gelijkenissen
Zaaier, mosterdzaad, schat in de akker.
- 14–17
Wie is Jezus?
Broodwonderen, belijdenis van Petrus, verheerlijking op de berg.
- 18
Toespraak 4: leven als gemeente
Wie is de grootste, het verloren schaap, vergeving.
- 19–23
Op weg naar Jeruzalem
Intocht, tempel, debatten en scherpe kritiek op de schriftgeleerden.
- 24–25
Toespraak 5: de eindtijd
Waakzaamheid, talenten, het oordeel over de volken.
- 26–28
Lijden, dood en opstanding
Laatste maaltijd, kruisiging, opstanding en de zendingsopdracht.
- 1–2
Afkomst en geboorte
Stamboom, geboorte en vlucht naar Egypte.
- 3–4
Begin van Jezus' optreden
Doop, verzoeking in de woestijn, de eerste leerlingen.
- 5–7
Toespraak 1: de Bergrede
Hoe leven wie bij Gods koninkrijk hoort: zaligsprekingen, gebed, oordelen, het huis op de rots.
A passagem está aqui
- 8–9
Wonderen en roeping
Genezingen en de roeping van Matteüs.
- 10
Toespraak 2: uitzending
De twaalf worden uitgezonden.
- 11–12
Groeiende tegenstand
Twijfel bij Johannes de Doper, conflict over de sabbat.
- 13
Toespraak 3: gelijkenissen
Zaaier, mosterdzaad, schat in de akker.
- 14–17
Wie is Jezus?
Broodwonderen, belijdenis van Petrus, verheerlijking op de berg.
- 18
Toespraak 4: leven als gemeente
Wie is de grootste, het verloren schaap, vergeving.
- 19–23
Op weg naar Jeruzalem
Intocht, tempel, debatten en scherpe kritiek op de schriftgeleerden.
- 24–25
Toespraak 5: de eindtijd
Waakzaamheid, talenten, het oordeel over de volken.
- 26–28
Lijden, dood en opstanding
Laatste maaltijd, kruisiging, opstanding en de zendingsopdracht.
Contexto imediato
O que vem antes
Vers 1 staat in de Bergrede (Mat. 5–7), die opent met de zaligsprekingen. Net daarvoor gaat het over geven, bidden en vasten 'niet om gezien te worden' (6:1–18), over schatten in de hemel en over zorgen: 'Zoek eerst het koninkrijk' (6:33).
O que vem depois
Jezus maakt het beeldend: waarom zie je de splinter in het oog van je broer, en niet de balk in je eigen oog? Haal eerst de balk weg, 'dan zul je helder zien' om de splinter weg te halen (7:3–5). Meteen daarna: geef het heilige niet aan de honden (7:6). Verderop: vraag, zoek, klop (7:7–11), de gulden regel (7:12) en 'aan hun vruchten zul je hen herkennen' (7:15–20).
Três camadas
Texto, contexto e interpretação
Mantidos separados, para veres o que o texto diz, o que sabemos sobre o contexto e o que é interpretação.
O que o texto diz
Jezus zegt: oordeel niet, zodat er niet over jou geoordeeld wordt. Met het oordeel waarmee je oordeelt en de maat waarmee je meet, word je zelf gemeten. Hij vervolgt met het beeld van de balk en de splinter.
Contexto histórico
Jezus sprak tot toehoorders in Galilea, voor wie de wet van Mozes het kader was. Matteüs schreef later voor een gemeenschap die zelf moest leren omgaan met conflicten en tucht (vgl. Mat. 18:15–17).
Contexto literário
De Bergrede is de eerste van vijf grote toespraken in Matteüs, die elk eindigen met 'toen Jezus deze woorden beëindigd had'. Hoofdstuk 7 bestaat uit korte eenheden die elk een aspect van gerechtigheid behandelen. De overdrijving (een balk in je oog!) is een typisch stijlmiddel van Jezus, net als de kameel door het oog van een naald.
Interpretação e aplicação
Christenen lezen hier geen verbod op elk moreel oordeel, maar een waarschuwing tegen veroordelen: iemand afschrijven, en daarbij je eigen fouten negeren. Het vraagt eerst zelfonderzoek, dan milde eerlijkheid. Hoe je dat in de praktijk afweegt, bijvoorbeeld bij onrecht, is een blijvende vraag waarover christenen verschillend denken.
Isto é interpretação, não um facto. Há tradições que leem isto de outra forma.
Onde os estudiosos divergem
- Of Matteüs (samen met Lucas) een gemeenschappelijke bron met uitspraken van Jezus gebruikte ('Q'), of Lucas Matteüs kende, is een open vraag. Lucas 6:37–42 heeft een verwante tekst in een andere volgorde.
- Vers 6 ('geef het heilige niet aan de honden') is een van de moeilijkste verzen van de Bergrede; uitleggers zijn het niet eens over wie met 'honden' en 'zwijnen' bedoeld wordt en waarom het hier staat.
Momento em família
Ler em conjunto, cerca de dez minutos
Para uma família, um casal ou alguns amigos. Escolhe as perguntas que vos servem.
1Leiam juntos
Mt 7:1–5
Por agora na tradução inglesa, porque ainda não há uma em português. Lê devagar, sem pressa; a explicação abaixo está em linguagem simples.
1Não julgueis, para que não sejais julgados. 2Porque com o juízo que julgardes sereis julgados; e com a medida que medirdes vos medirão. 3Ora, por que vês o cisco que está no olho de teu irmão e não enxergas a trave que está em teu próprio olho? 4Ou como dirás a teu irmão: “Deixa-me tirar o cisco do teu olho”, se eis que há uma trave em teu próprio olho? 5Hipócrita! Tira primeiro a trave do teu olho, e então verás claramente para tirar o cisco do olho de teu irmão.
2Compreendam juntos
Jezus zit op een berg en leert zijn leerlingen hoe je leeft als je bij God hoort. Dan zegt Hij: 'Oordeel niet.' Hij geeft er een grappig voorbeeld bij. Stel je voor: iemand heeft een grote houten balk in zijn oog, maar zegt tegen een ander: 'Wacht, er zit een klein splintertje in jouw oog, ik haal het er wel even uit!' Dat is natuurlijk gek. Jezus bedoelt: we zien snel wat anderen fout doen, maar we vergeten onze eigen fouten. Kijk dus eerst eerlijk naar jezelf. Dan kun je iemand anders helpen, vriendelijk en zonder op hem of haar neer te kijken. Jezus zegt niet dat alles oké is wat mensen doen. Hij zegt: wees niet hard en niet schijnheilig.
3Conversem juntos
- Crianças
Teken samen een balk en een splinter. Waarom is het beeld zo grappig? Wat wil Jezus ermee zeggen?
- Adolescentes
Wat is het verschil tussen iemand veroordelen en iemand eerlijk zeggen dat iets niet oké is? Heb je een voorbeeld?
- Adultos
Welke 'maat' gebruik ik voor anderen die ik voor mezelf niet gebruik: thuis, op het werk, online?
- Crianças
4Façam juntos
ReflexãoBalk-check: denk even stil aan iemand over wie je deze week iets negatiefs dacht of zei. Stel jezelf één eerlijke vraag: wat zegt dit over mij? Wie wil, deelt iets. Sluit af met de gulden regel (7:12).
Vai mais fundoPara os pais, para lerem antes
Het Griekse werkwoord 'krinō' kan 'onderscheiden', 'beoordelen' en 'veroordelen' betekenen. De context bepaalt het. Vers 5 ('dan zul je helder zien om de splinter weg te halen') laat zien dat Jezus corrigeren niet uitsluit, maar het volgorde en toon geeft.
Paulus gebruikt dezelfde gedachte bij het avondmaal: 'Maar de mens beproeve zichzelf' (1 Kor. 11:28). Eerst eerlijk naar jezelf kijken, dan pas samen aan tafel: zo leert de kerk dit al eeuwen.
Lucas plaatst hetzelfde materiaal in de veldrede (Luc. 6:37–42) en voegt toe: 'laat vrij, en je zult vrijgelaten worden; geef, en je zal gegeven worden.' Bij Lucas ligt de nadruk meer op vrijgevigheid.
In Matteüs 18:15–17 staat een concrete werkwijze voor als iemand in de gemeente iets verkeerds doet: eerst onder vier ogen. Dat laat zien dat 'oordeel niet' niet betekent dat je elkaar niet mag aanspreken.
O quiz do Bo
Ainda te lembras? Três perguntas sobre a história.