Filipian 4:13 · Nowy Testament
Alles aankunnen: tevreden in gebrek en overvloedRadość w więzieniu
Paulus schrijft vanuit gevangenschap een bedankbrief voor geld dat de gemeente hem stuurde. Hij heeft geleerd tevreden te zijn met weinig en met veel: 'alles kan ik aan door Hem die mij kracht geeft.'
Objaśnienia fragmentów i ksiąg są na razie tylko po niderlandzku, a tekstu Biblii nie ma jeszcze po polsku (na razie czytasz angielską World English Bible). Sama aplikacja jest po polsku; tłumaczenia pojawią się wkrótce.
Szkic: jeszcze niesprawdzonyTo objaśnienie zostało napisane na podstawie źródeł, ale nie sprawdziła go jeszcze druga osoba.Widzisz błąd? Zgłoś go.
Historia
Paulus zit in de gevangenis als hij deze brief schrijft. In die tijd kreeg je in de gevangenis niet vanzelf eten en kleren. Je had vrienden nodig die voor je zorgden. De mensen van de kerk in Filippi stuurden Paulus geld en een helper. Paulus schrijft terug om te bedanken. Hij zegt: 'Ik heb geleerd tevreden te zijn. Soms had ik weinig, soms veel. Soms had ik honger, soms at ik genoeg.' En dan: 'Alles kan ik aan door Hem die mij kracht geeft.' Paulus bedoelt dus niet dat hij alles kan winnen. Hij bedoelt dat hij door Jezus niet opgeeft, of hij nu veel heeft of weinig. En hij is heel blij met vrienden die met hem delen.
Pytanie dla ciebie
Wanneer was jij heel blij terwijl je maar weinig had? En wanneer was je ontevreden, terwijl je eigenlijk veel had?
Zróbcie razem
Maak samen een 'genoeg-lijstje': iedereen noemt drie dingen waarvoor hij of zij vandaag dankbaar is. Kies daarna, net als de Filippenzen, één manier om iemand te helpen die het moeilijk heeft.
Często czytany jako
'Ik kan alles': een motto voor sport, examens en persoonlijke doelen.
Czytany w kontekście
'Ik kan alles aan': honger en overvloed, gebrek en genoeg. Paulus schrijft het vanuit de gevangenis, in een bedankbriefje voor een gift. Het gaat over tevredenheid, niet over prestaties.
Filipian 4:13
Wszystko mogę w Chrystusie, który mię posila.
I can do all things through Christ, who strengthens me.
Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.
Dziesięć wersetów przed i po.
3Proszę też i cię, towarzyszu wierny! bądź tym na pomoc, które w Ewangielii wespół ze mną pracowały, i z Klemensem i z innymi pomocnikami moimi, których imiona są w księgach żywota. 4Radujcie się zawsze w Panu; znowu mówię, radujcie się. 5Skromność wasza niech będzie wiadoma wszystkim ludziom; Pan blisko jest. 6Nie troszczcie się o żadną rzecz, ale we wszystkiem przez modlitwę i prośbę z dziękowaniem żądności wasze niech będą znajome u Boga. 7A pokój Boży, który przewyższa wszelki rozum, będzie strzegł serc waszych i myśli waszych w Chrystusie Jezusie. 8A dalej mówiąc, bracia, cokolwiek jest prawdziwego, cokolwiek poczciwego, cokolwiek sprawiedliwego, cokolwiek czystego, cokolwiek przyjemnego, cokolwiek chwalebnego, jeźli która cnota i jeźli która chwała, o tem przemyślajcie. 9Czegoście się też nauczyli i coście przyjęli, i słyszeli, i widzieli przy mnie, to czyńcie, a Bóg pokoju będzie z wami.
Dank voor de gift
10A uradowałem się wielce w Panu, żeście się już wżdy znowu zazielenili w swojem staraniu o mię, jakoż i staraliście się o to, lecz wam na sposobnym czasie schodziło. 11Nie żebym to mówił dla niedostatku; bomci się ja nauczył, na tem przestawać, co mam. 12Umiem i uniżać się, umiem i obfitować; wszędy i we wszystkich rzeczach jestem wyćwiczony i nasyconym być, i łaknąć, i obfitować, i niedostatek cierpieć; 13Wszystko mogę w Chrystusie, który mię posila. 14Wszakże dobrzeście uczynili, żeście społecznie dogodzili uciskowi mojemu. 15A wiecie i wy Filipensowie, iż na początku Ewangielii, gdym wyszedł z Macedonii, żaden mi zbór nie udzielił na rachunek dawania i brania, tylko wy sami; 16Ponieważ i do Tesaloniki raz i drugi, czego potrzeba było, posłaliście mi, 17Nie przeto, żebym datku szukał; ale szukam pożytku, który by obfitował na rachunku waszym. 18Gdyżem odebrał wszystko i mam dostatek, pełenem, wziąwszy od Epafrodyta, co posłano od was, wonność dobrego zapachu, ofiarę przyjemną i Bogu się podobającą. 19A Bóg mój napełni wszelką potrzebę waszę według bogactwa swego, chwalebnie, w Chrystusie Jezusie. 20A Bogu i Ojcu naszemu niech będzie chwała na wieki wieków. Amen.
Groeten
21Pozdrówcie wszystkich świętych w Chrystusie Jezusie. Pozdrawiają was bracia, którzy są ze mną. 22Pozdrawiają was wszyscy święci; ale osobliwie, którzy są z cesarskiego domu. 23Łaska Pana naszego Jezusa Chrystusa niech będzie z wami wszystkimi. Amen.
3Yes, I beg you also, true partner, help these women, for they labored with me in the Good News, with Clement also, and the rest of my fellow workers, whose names are in the book of life. 4Rejoice in the Lord always! Again I will say, “Rejoice!” 5Let your gentleness be known to all men. The Lord is at hand. 6In nothing be anxious, but in everything, by prayer and petition with thanksgiving, let your requests be made known to God. 7And the peace of God, which surpasses all understanding, will guard your hearts and your thoughts in Christ Jesus. 8Finally, brothers, whatever things are true, whatever things are honorable, whatever things are just, whatever things are pure, whatever things are lovely, whatever things are of good report; if there is any virtue, and if there is any praise, think about these things. 9The things which you learned, received, heard, and saw in me: do these things, and the God of peace will be with you.
Dank voor de gift
10But I rejoice in the Lord greatly, that now at length you have revived your thought for me; in which you did indeed take thought, but you lacked opportunity. 11Not that I speak in respect to lack, for I have learned in whatever state I am, to be content in it. 12I know how to be humbled, and I know also how to abound. In everything and in all things I have learned the secret both to be filled and to be hungry, both to abound and to be in need. 13I can do all things through Christ, who strengthens me. 14However you did well that you shared in my affliction. 15You yourselves also know, you Philippians, that in the beginning of the Good News, when I departed from Macedonia, no assembly shared with me in the matter of giving and receiving but you only. 16For even in Thessalonica you sent once and again to my need. 17Not that I seek for the gift, but I seek for the fruit that increases to your account. 18But I have all things, and abound. I am filled, having received from Epaphroditus the things that came from you, a sweet-smelling fragrance, an acceptable and well-pleasing sacrifice to God. 19My God will supply every need of yours according to his riches in glory in Christ Jesus. 20Now to our God and Father be the glory forever and ever! Amen.
Groeten
21Greet every saint in Christ Jesus. The brothers who are with me greet you. 22All the saints greet you, especially those who are of Caesar’s household. 23The grace of the Lord Jesus Christ be with you all. Amen.
3En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees dezen vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens. 4Verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u. 5Uw bescheidenheid zij allen mensen bekend. De Heere is nabij. 6Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 7En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus. 8Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve; 9Hetgeen gij ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn.
Dank voor de gift
10En ik ben grotelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. 11Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. 12En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. 13Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. 14Nochtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijn verdrukking gemeenschap gehad hebt. 15En ook gij, Filippensen, weet, dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedonie vertrokken ben, geen Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen. 16Want ook in Thessalonica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft. 17Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht, die overvloedig is tot uw rekening. 18Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk. 19Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus. 20Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Groeten
21Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die met mij zijn. 22Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis des keizers zijn. 23De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
Tekst jako całość: Dank voor de gift (Flp 4:10–20).
10A uradowałem się wielce w Panu, żeście się już wżdy znowu zazielenili w swojem staraniu o mię, jakoż i staraliście się o to, lecz wam na sposobnym czasie schodziło. 11Nie żebym to mówił dla niedostatku; bomci się ja nauczył, na tem przestawać, co mam. 12Umiem i uniżać się, umiem i obfitować; wszędy i we wszystkich rzeczach jestem wyćwiczony i nasyconym być, i łaknąć, i obfitować, i niedostatek cierpieć; 13Wszystko mogę w Chrystusie, który mię posila. 14Wszakże dobrzeście uczynili, żeście społecznie dogodzili uciskowi mojemu. 15A wiecie i wy Filipensowie, iż na początku Ewangielii, gdym wyszedł z Macedonii, żaden mi zbór nie udzielił na rachunek dawania i brania, tylko wy sami; 16Ponieważ i do Tesaloniki raz i drugi, czego potrzeba było, posłaliście mi, 17Nie przeto, żebym datku szukał; ale szukam pożytku, który by obfitował na rachunku waszym. 18Gdyżem odebrał wszystko i mam dostatek, pełenem, wziąwszy od Epafrodyta, co posłano od was, wonność dobrego zapachu, ofiarę przyjemną i Bogu się podobającą. 19A Bóg mój napełni wszelką potrzebę waszę według bogactwa swego, chwalebnie, w Chrystusie Jezusie. 20A Bogu i Ojcu naszemu niech będzie chwała na wieki wieków. Amen.
10But I rejoice in the Lord greatly, that now at length you have revived your thought for me; in which you did indeed take thought, but you lacked opportunity. 11Not that I speak in respect to lack, for I have learned in whatever state I am, to be content in it. 12I know how to be humbled, and I know also how to abound. In everything and in all things I have learned the secret both to be filled and to be hungry, both to abound and to be in need. 13I can do all things through Christ, who strengthens me. 14However you did well that you shared in my affliction. 15You yourselves also know, you Philippians, that in the beginning of the Good News, when I departed from Macedonia, no assembly shared with me in the matter of giving and receiving but you only. 16For even in Thessalonica you sent once and again to my need. 17Not that I seek for the gift, but I seek for the fruit that increases to your account. 18But I have all things, and abound. I am filled, having received from Epaphroditus the things that came from you, a sweet-smelling fragrance, an acceptable and well-pleasing sacrifice to God. 19My God will supply every need of yours according to his riches in glory in Christ Jesus. 20Now to our God and Father be the glory forever and ever! Amen.
10En ik ben grotelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. 11Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. 12En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. 13Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. 14Nochtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijn verdrukking gemeenschap gehad hebt. 15En ook gij, Filippensen, weet, dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedonie vertrokken ben, geen Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen. 16Want ook in Thessalonica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft. 17Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht, die overvloedig is tot uw rekening. 18Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk. 19Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus. 20Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Cały rozdział. Perykopa jest lekko podświetlona.
Blijf staan, en verheug je
1Przetoż, bracia moi mili i pożądani! radości i korono moja! tak stójcie w Panu, najmilsi moi! 2Ewodyi proszę i Syntychy proszę, aby jednegoż rozumienia były w Panu. 3Proszę też i cię, towarzyszu wierny! bądź tym na pomoc, które w Ewangielii wespół ze mną pracowały, i z Klemensem i z innymi pomocnikami moimi, których imiona są w księgach żywota. 4Radujcie się zawsze w Panu; znowu mówię, radujcie się. 5Skromność wasza niech będzie wiadoma wszystkim ludziom; Pan blisko jest. 6Nie troszczcie się o żadną rzecz, ale we wszystkiem przez modlitwę i prośbę z dziękowaniem żądności wasze niech będą znajome u Boga. 7A pokój Boży, który przewyższa wszelki rozum, będzie strzegł serc waszych i myśli waszych w Chrystusie Jezusie. 8A dalej mówiąc, bracia, cokolwiek jest prawdziwego, cokolwiek poczciwego, cokolwiek sprawiedliwego, cokolwiek czystego, cokolwiek przyjemnego, cokolwiek chwalebnego, jeźli która cnota i jeźli która chwała, o tem przemyślajcie. 9Czegoście się też nauczyli i coście przyjęli, i słyszeli, i widzieli przy mnie, to czyńcie, a Bóg pokoju będzie z wami.
Dank voor de gift
10A uradowałem się wielce w Panu, żeście się już wżdy znowu zazielenili w swojem staraniu o mię, jakoż i staraliście się o to, lecz wam na sposobnym czasie schodziło. 11Nie żebym to mówił dla niedostatku; bomci się ja nauczył, na tem przestawać, co mam. 12Umiem i uniżać się, umiem i obfitować; wszędy i we wszystkich rzeczach jestem wyćwiczony i nasyconym być, i łaknąć, i obfitować, i niedostatek cierpieć; 13Wszystko mogę w Chrystusie, który mię posila. 14Wszakże dobrzeście uczynili, żeście społecznie dogodzili uciskowi mojemu. 15A wiecie i wy Filipensowie, iż na początku Ewangielii, gdym wyszedł z Macedonii, żaden mi zbór nie udzielił na rachunek dawania i brania, tylko wy sami; 16Ponieważ i do Tesaloniki raz i drugi, czego potrzeba było, posłaliście mi, 17Nie przeto, żebym datku szukał; ale szukam pożytku, który by obfitował na rachunku waszym. 18Gdyżem odebrał wszystko i mam dostatek, pełenem, wziąwszy od Epafrodyta, co posłano od was, wonność dobrego zapachu, ofiarę przyjemną i Bogu się podobającą. 19A Bóg mój napełni wszelką potrzebę waszę według bogactwa swego, chwalebnie, w Chrystusie Jezusie. 20A Bogu i Ojcu naszemu niech będzie chwała na wieki wieków. Amen.
Groeten
21Pozdrówcie wszystkich świętych w Chrystusie Jezusie. Pozdrawiają was bracia, którzy są ze mną. 22Pozdrawiają was wszyscy święci; ale osobliwie, którzy są z cesarskiego domu. 23Łaska Pana naszego Jezusa Chrystusa niech będzie z wami wszystkimi. Amen.
Blijf staan, en verheug je
1Therefore, my brothers, beloved and longed for, my joy and crown, so stand firm in the Lord, my beloved. 2I exhort Euodia, and I exhort Syntyche, to think the same way in the Lord. 3Yes, I beg you also, true partner, help these women, for they labored with me in the Good News, with Clement also, and the rest of my fellow workers, whose names are in the book of life. 4Rejoice in the Lord always! Again I will say, “Rejoice!” 5Let your gentleness be known to all men. The Lord is at hand. 6In nothing be anxious, but in everything, by prayer and petition with thanksgiving, let your requests be made known to God. 7And the peace of God, which surpasses all understanding, will guard your hearts and your thoughts in Christ Jesus. 8Finally, brothers, whatever things are true, whatever things are honorable, whatever things are just, whatever things are pure, whatever things are lovely, whatever things are of good report; if there is any virtue, and if there is any praise, think about these things. 9The things which you learned, received, heard, and saw in me: do these things, and the God of peace will be with you.
Dank voor de gift
10But I rejoice in the Lord greatly, that now at length you have revived your thought for me; in which you did indeed take thought, but you lacked opportunity. 11Not that I speak in respect to lack, for I have learned in whatever state I am, to be content in it. 12I know how to be humbled, and I know also how to abound. In everything and in all things I have learned the secret both to be filled and to be hungry, both to abound and to be in need. 13I can do all things through Christ, who strengthens me. 14However you did well that you shared in my affliction. 15You yourselves also know, you Philippians, that in the beginning of the Good News, when I departed from Macedonia, no assembly shared with me in the matter of giving and receiving but you only. 16For even in Thessalonica you sent once and again to my need. 17Not that I seek for the gift, but I seek for the fruit that increases to your account. 18But I have all things, and abound. I am filled, having received from Epaphroditus the things that came from you, a sweet-smelling fragrance, an acceptable and well-pleasing sacrifice to God. 19My God will supply every need of yours according to his riches in glory in Christ Jesus. 20Now to our God and Father be the glory forever and ever! Amen.
Groeten
21Greet every saint in Christ Jesus. The brothers who are with me greet you. 22All the saints greet you, especially those who are of Caesar’s household. 23The grace of the Lord Jesus Christ be with you all. Amen.
Blijf staan, en verheug je
1Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat alzo in den Heere, geliefden! 2Ik vermaan Euodia, en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in den Heere. 3En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees dezen vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens. 4Verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u. 5Uw bescheidenheid zij allen mensen bekend. De Heere is nabij. 6Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 7En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus. 8Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve; 9Hetgeen gij ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn.
Dank voor de gift
10En ik ben grotelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. 11Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. 12En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. 13Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. 14Nochtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijn verdrukking gemeenschap gehad hebt. 15En ook gij, Filippensen, weet, dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedonie vertrokken ben, geen Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen. 16Want ook in Thessalonica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft. 17Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht, die overvloedig is tot uw rekening. 18Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk. 19Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus. 20Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Groeten
21Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die met mij zijn. 22Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis des keizers zijn. 23De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
Miejsce tego fragmentu w budowie księgi: Filipian.
- 1:1–11
Groet en dank
Paulus dankt voor hun 'gemeenschap aan het evangelie'.
- 1:12–26
Paulus in de gevangenis
'Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.'
- 1:27–2:18
Eensgezind, zoals Christus
Het lied over Christus die zich vernederde (2:6–11).
- 2:19–30
Timoteüs en Epafroditus
Twee medewerkers en hun zorg voor de gemeente.
- 3:1–4:1
Waarschuwing en Paulus' verhaal
Alles wat hij had, 'schade' om Christus; jagen naar het doel.
- 4:2–9
Vermaningen en vrede
Euodia en Syntyche, 'verblijdt u', de vrede van God.
- 4:10–20
Dank voor de gift
Tevreden in gebrek en overvloed, en dankbaar voor hun steun.
Tu jest ten fragment
- 4:21–23
Groeten
Ook de groeten 'uit des keizers huis'.
- 1:1–11
Groet en dank
Paulus dankt voor hun 'gemeenschap aan het evangelie'.
- 1:12–26
Paulus in de gevangenis
'Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.'
- 1:27–2:18
Eensgezind, zoals Christus
Het lied over Christus die zich vernederde (2:6–11).
- 2:19–30
Timoteüs en Epafroditus
Twee medewerkers en hun zorg voor de gemeente.
- 3:1–4:1
Waarschuwing en Paulus' verhaal
Alles wat hij had, 'schade' om Christus; jagen naar het doel.
- 4:2–9
Vermaningen en vrede
Euodia en Syntyche, 'verblijdt u', de vrede van God.
- 4:10–20
Dank voor de gift
Tevreden in gebrek en overvloed, en dankbaar voor hun steun.
Tu jest ten fragment
- 4:21–23
Groeten
Ook de groeten 'uit des keizers huis'.
- 1:1–11
Groet en dank
Paulus dankt voor hun 'gemeenschap aan het evangelie'.
- 1:12–26
Paulus in de gevangenis
'Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.'
- 1:27–2:18
Eensgezind, zoals Christus
Het lied over Christus die zich vernederde (2:6–11).
- 2:19–30
Timoteüs en Epafroditus
Twee medewerkers en hun zorg voor de gemeente.
- 3:1–4:1
Waarschuwing en Paulus' verhaal
Alles wat hij had, 'schade' om Christus; jagen naar het doel.
- 4:2–9
Vermaningen en vrede
Euodia en Syntyche, 'verblijdt u', de vrede van God.
- 4:10–20
Dank voor de gift
Tevreden in gebrek en overvloed, en dankbaar voor hun steun.
Tu jest ten fragment
- 4:21–23
Groeten
Ook de groeten 'uit des keizers huis'.
Bezpośredni kontekst
Co jest wcześniej
Paulus is blij dat de Filippenzen weer aan hem denken (4:10). Hij zegt er meteen bij dat hij het niet uit gebrek zegt: 'ik heb geleerd tevreden te zijn in de omstandigheden waarin ik ben.' Hij weet wat het is om weinig te hebben en om veel te hebben, om verzadigd te zijn en honger te lijden (4:11–12).
Co jest dalej
Toch vindt hij het goed dat ze met hem 'gedeeld' hebben in zijn nood (4:14). Filippi was de enige gemeente die hem vanaf het begin steunde (4:15–16). Epafroditus bracht de gift, 'een welriekende offergave' (4:18). Paulus belooft: 'mijn God zal in al uw behoeften voorzien' (4:19).
Trzy warstwy
Tekst, tło i interpretacja
Oddzielone od siebie, żebyś widział, co mówi tekst, co wiemy o tle, a co jest interpretacją.
Co mówi tekst
Paulus zegt dat hij alles aankan door Hem die hem kracht geeft. Het 'alles' verwijst naar de omstandigheden die hij net noemde: honger en verzadiging, gebrek en overvloed.
Tło historyczne
Filippi was een Romeinse kolonie in Macedonië (Noord-Griekenland), met veel oud-soldaten en een sterk Romeins karakter. Volgens Handelingen 16 stichtte Paulus er de eerste gemeente op Europese bodem, met onder anderen Lydia. Gevangenen in het Romeinse rijk waren voor eten en kleding vaak afhankelijk van vrienden; de gift van de Filippenzen was dus letterlijk levensonderhoud.
Tło literackie
Vers 10–20 is een kleine dankbrief, maar Paulus zegt nergens gewoon 'dank je'. Hij formuleert voorzichtig, omdat giften in de Grieks-Romeinse wereld verplichtingen schiepen tussen gever en ontvanger. Hij vermijdt de indruk dat hij van hen afhankelijk is, en plaatst de gift in termen van gemeenschap (koinōnia) en offer.
Interpretacja i zastosowanie
Christenen lezen hier dat kracht van Christus niet betekent dat alles lukt, maar dat je staande blijft in wat er gebeurt. Wie het vers als prestatiebelofte gebruikt, mist de gevangeniscel en het bedankbriefje. Tegelijk mag een sporter die dankbaar en tevreden speelt, winst of verlies, zich er volgens velen wél in herkennen.
To interpretacja, nie fakt. Różne tradycje czasem czytają to inaczej.
Gdzie badacze się różnią
- Waar Paulus gevangenzat (Rome ca. 60–62, Efeze ca. 54–55 of Caesarea ca. 57–59) is onzeker; daarmee ook de datering.
- Sommige onderzoekers denken dat 4:10–20 oorspronkelijk een apart bedankbriefje was dat later met de rest van de brief is samengevoegd. Anderen zien de brief als één geheel.
Chwila dla rodziny
Czytajcie razem, około dziesięciu minut
Dla rodziny, pary albo kilku przyjaciół. Wybierzcie pytania, które do was pasują.
1Czytajcie razem
Flp 4:10–13
Na razie w przekładzie angielskim, bo polskiego jeszcze nie ma. Czytajcie spokojnie, bez pośpiechu; objaśnienie poniżej jest napisane prostym językiem.
10A uradowałem się wielce w Panu, żeście się już wżdy znowu zazielenili w swojem staraniu o mię, jakoż i staraliście się o to, lecz wam na sposobnym czasie schodziło. 11Nie żebym to mówił dla niedostatku; bomci się ja nauczył, na tem przestawać, co mam. 12Umiem i uniżać się, umiem i obfitować; wszędy i we wszystkich rzeczach jestem wyćwiczony i nasyconym być, i łaknąć, i obfitować, i niedostatek cierpieć; 13Wszystko mogę w Chrystusie, który mię posila.
2Zrozumcie razem
Paulus zit in de gevangenis als hij deze brief schrijft. In die tijd kreeg je in de gevangenis niet vanzelf eten en kleren. Je had vrienden nodig die voor je zorgden. De mensen van de kerk in Filippi stuurden Paulus geld en een helper. Paulus schrijft terug om te bedanken. Hij zegt: 'Ik heb geleerd tevreden te zijn. Soms had ik weinig, soms veel. Soms had ik honger, soms at ik genoeg.' En dan: 'Alles kan ik aan door Hem die mij kracht geeft.' Paulus bedoelt dus niet dat hij alles kan winnen. Hij bedoelt dat hij door Jezus niet opgeeft, of hij nu veel heeft of weinig. En hij is heel blij met vrienden die met hem delen.
3Porozmawiajcie
- Dzieci
Wanneer was jij heel blij terwijl je maar weinig had? En wanneer was je ontevreden, terwijl je eigenlijk veel had?
- Nastolatki
'I can do all things' staat vaak op sportspullen. Wat verandert er als je weet dat Paulus het over honger en gevangenschap had?
- Dorośli
Paulus zegt dat hij tevredenheid 'geleerd' heeft. Wat heeft mij daarin iets geleerd, en wat houdt me tegen?
- Dzieci
4Zróbcie razem
DziałanieMaak samen een 'genoeg-lijstje': iedereen noemt drie dingen waarvoor hij of zij vandaag dankbaar is. Kies daarna, net als de Filippenzen, één manier om iemand te helpen die het moeilijk heeft.
Zgłęb tematDla rodziców, do przeczytania wcześniej
Het woord 'autarkēs' (vs 11) was een kernbegrip bij Stoïcijnse filosofen als Seneca en Epictetus: de wijze is onafhankelijk van omstandigheden en genoeg aan zichzelf. Paulus gebruikt hetzelfde woord, maar zijn bron van kracht ligt buiten hemzelf: 'door Hem die mij kracht geeft'.
In de Grieks-Romeinse vriendschapscultuur schiep een gift een verplichting. Paulus balanceert: hij is dankbaar, maar wil niet de indruk wekken dat hij hun cliënt is. Daarom spreekt hij over 'delen', 'rekening' en 'offer' (vs 15–18): God is uiteindelijk degene die terugbetaalt (vs 19).
De brief aan de Filippenzen gebruikt het woord 'blijdschap' of 'verheugen' opvallend vaak, terwijl Paulus gevangenzit en mogelijk ter dood veroordeeld wordt (1:20–23). Dat contrast is bewust.
Een vergelijkbare gedachte staat in 2 Korintiërs 12:9–10: 'Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht… als ik zwak ben, dan ben ik sterk.'
Quiz Bo
Pamiętasz jeszcze? Trzy pytania o tę historię.