로마서 8:28 · New Testament
Alles werkt mee ten goede, midden in het zuchtenEverything made new
Paulus schrijft over een schepping die zucht, mensen die zuchten en de Geest die met hen meezucht. Daarbinnen staat de belofte dat God in alles meewerkt ten goede: dat mensen gaan lijken op Christus.
현재 본문과 책의 해설은 네덜란드어로만 제공됩니다. 성경 본문과 앱 자체는 여러분의 언어로 되어 있으며, 해설 번역은 준비 중입니다.
Draft: not yet reviewedThis explanation was written with sources, but has not yet been checked by a second reader.Spotted a mistake? Tell us.
The story
Paulus schrijft een lange brief aan christenen in Rome. Ze hebben het niet makkelijk: sommigen zijn arm, anderen worden uitgelachen of weggestuurd. Paulus doet niet alsof alles goed is. Hij zegt dat de hele wereld 'zucht', zoals iemand die pijn heeft of moe is. Wij zuchten ook. En dan iets heel moois: als we niet weten wat we moeten bidden, zucht Gods Geest met ons mee. God begrijpt het, ook zonder woorden. Daarna schrijft Paulus: 'Wie God liefhebben, weten dat alles meewerkt ten goede.' Hij bedoelt niet dat verdrietige dingen eigenlijk goed zijn. Hij bedoelt dat God er middenin is en blijft werken, zodat wij steeds meer op Jezus gaan lijken. En een paar zinnen verder: niets kan ons scheiden van Gods liefde.
A question for you
Soms weet je niet wat je moet zeggen als je bidt. Wat zegt vers 26 dat Gods Geest dan doet?
Do it together
Een zucht-gebed: iedereen noemt één ding dat moeilijk is, zonder dat iemand er een oplossing voor zoekt. Blijf even stil. Lees dan samen vers 38–39 hardop als slot.
Often read as
'Alles komt goed' of 'alles gebeurt met een reden': een snelle troost bij tegenslag.
Read in context
Een belofte midden in zuchten en lijden. God werkt in alles mee, met als doel dat mensen gaan lijken op zijn Zoon (vs 29). Het lijden wordt niet goedgepraat; het wordt benoemd (vs 35) en overwonnen (vs 37).
로마서 8:28
우리가 알거니와 하나님을 사랑하는 자 곧 그 뜻대로 부르심을 입은 자들에게는 모든 것이 합력하여 선을 이루느니라
We know that all things work together for good for those who love God, to those who are called according to his purpose.
En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
Ten verses before and after.
Zuchten en hoop
18생각건대 현재의 고난은 장차 우리에게 나타날 영광과 족히 비교할 수 없도다 19피조물의 고대하는 바는 하나님의 아들들의 나타나는 것이니 20피조물이 허무한 데 굴복하는 것은 자기 뜻이 아니요 오직 굴복케 하시는 이로 말미암음이라 21그 바라는 것은 피조물도 썩어짐의 종노릇한 데서 해방되어 하나님의 자녀들의 영광의 자유에 이르는 것이니라 22피조물이 다 이제까지 함께 탄식하며 함께 고통하는 것을 우리가 아나니 23이뿐 아니라 또한 우리 곧 성령의 처음 익은 열매를 받은 우리까지도 속으로 탄식하여 양자 될 것 곧 우리 몸의 구속을 기다리느니라 24우리가 소망으로 구원을 얻었으매 보이는 소망이 소망이 아니니 보는 것을 누가 바라리요 25만일 우리가 보지 못하는 것을 바라면 참음으로 기다릴지니라 26이와 같이 성령도 우리 연약함을 도우시나니 우리가 마땅히 빌 바를 알지 못하나 오직 성령이 말할 수 없는 탄식으로 우리를 위하여 친히 간구하시느니라 27마음을 감찰하시는 이가 성령의 생각을 아시나니 이는 성령이 하나님의 뜻대로 성도를 위하여 간구하심이니라 28우리가 알거니와 하나님을 사랑하는 자 곧 그 뜻대로 부르심을 입은 자들에게는 모든 것이 합력하여 선을 이루느니라 29하나님이 미리 아신 자들로 또한 그 아들의 형상을 본받게 하기 위하여 미리 정하셨으니 이는 그로 많은 형제 중에서 맏아들이 되게 하려 하심이니라 30또 미리 정하신 그들을 또한 부르시고 부르신 그들을 또한 의롭다 하시고 의롭다 하신 그들을 또한 영화롭게 하셨느니라
Niets kan ons scheiden van Gods liefde
31그런즉 이 일에 대하여 우리가 무슨 말 하리요 만일 하나님이 우리를 위하시면 누가 우리를 대적하리요 32자기 아들을 아끼지 아니하시고 우리 모든 사람을 위하여 내어 주신 이가 어찌 그 아들과 함께 모든 것을 우리에게 은사로 주지 아니하시겠느뇨 33누가 능히 하나님의 택하신 자들을 송사하리요 의롭다 하신 이는 하나님이시니 34누가 정죄하리요 죽으실 뿐 아니라 다시 살아나신 이는 그리스도 예수시니 그는 하나님 우편에 계신 자요 우리를 위하여 간구하시는 자시니라 35누가 우리를 그리스도의 사랑에서 끊으리요 환난이나 곤고나 핍박이나 기근이나 적신이나 위협이나 칼이랴 36기록된 바 우리가 종일 주를 위하여 죽임을 당케 되며 도살할 양 같이 여김을 받았나이다 함과 같으니라 37그러나 이 모든 일에 우리를 사랑하시는 이로 말미암아 우리가 넉넉히 이기느니라 38내가 확신하노니 사망이나 생명이나 천사들이나 권세자들이나 현재 일이나 장래 일이나 능력이나
Zuchten en hoop
18For I consider that the sufferings of this present time are not worthy to be compared with the glory which will be revealed toward us. 19For the creation waits with eager expectation for the children of God to be revealed. 20For the creation was subjected to vanity, not of its own will, but because of him who subjected it, in hope 21that the creation itself also will be delivered from the bondage of decay into the liberty of the glory of the children of God. 22For we know that the whole creation groans and travails in pain together until now. 23Not only so, but ourselves also, who have the first fruits of the Spirit, even we ourselves groan within ourselves, waiting for adoption, the redemption of our body. 24For we were saved in hope, but hope that is seen is not hope. For who hopes for that which he sees? 25But if we hope for that which we don’t see, we wait for it with patience. 26In the same way, the Spirit also helps our weaknesses, for we don’t know how to pray as we ought. But the Spirit himself makes intercession for us with groanings which can’t be uttered. 27He who searches the hearts knows what is on the Spirit’s mind, because he makes intercession for the saints according to God. 28We know that all things work together for good for those who love God, to those who are called according to his purpose. 29For whom he foreknew, he also predestined to be conformed to the image of his Son, that he might be the firstborn among many brothers. 30Whom he predestined, those he also called. Whom he called, those he also justified. Whom he justified, those he also glorified.
Niets kan ons scheiden van Gods liefde
31What then shall we say about these things? If God is for us, who can be against us? 32He who didn’t spare his own Son, but delivered him up for us all, how would he not also with him freely give us all things? 33Who could bring a charge against God’s chosen ones? It is God who justifies. 34Who is he who condemns? It is Christ who died, yes rather, who was raised from the dead, who is at the right hand of God, who also makes intercession for us. 35Who shall separate us from the love of Christ? Could oppression, or anguish, or persecution, or famine, or nakedness, or peril, or sword? 36Even as it is written, “For your sake we are killed all day long. We were accounted as sheep for the slaughter.” 37No, in all these things, we are more than conquerors through him who loved us. 38For I am persuaded, that neither death, nor life, nor angels, nor principalities, nor things present, nor things to come, nor powers,
Zuchten en hoop
18Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. 19Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. 20Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; 21Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. 22Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe. 23En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. 24Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? 25Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid. 26En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 27En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. 28En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. 29Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. 30En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Niets kan ons scheiden van Gods liefde
31Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? 32Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? 33Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. 34Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter hand Gods is, Die ook voor ons bidt. 35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard? 36(Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) 37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. 38Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,
The text as a unit: Zuchten en hoop (로마서 8:18–30).
18생각건대 현재의 고난은 장차 우리에게 나타날 영광과 족히 비교할 수 없도다 19피조물의 고대하는 바는 하나님의 아들들의 나타나는 것이니 20피조물이 허무한 데 굴복하는 것은 자기 뜻이 아니요 오직 굴복케 하시는 이로 말미암음이라 21그 바라는 것은 피조물도 썩어짐의 종노릇한 데서 해방되어 하나님의 자녀들의 영광의 자유에 이르는 것이니라 22피조물이 다 이제까지 함께 탄식하며 함께 고통하는 것을 우리가 아나니 23이뿐 아니라 또한 우리 곧 성령의 처음 익은 열매를 받은 우리까지도 속으로 탄식하여 양자 될 것 곧 우리 몸의 구속을 기다리느니라 24우리가 소망으로 구원을 얻었으매 보이는 소망이 소망이 아니니 보는 것을 누가 바라리요 25만일 우리가 보지 못하는 것을 바라면 참음으로 기다릴지니라 26이와 같이 성령도 우리 연약함을 도우시나니 우리가 마땅히 빌 바를 알지 못하나 오직 성령이 말할 수 없는 탄식으로 우리를 위하여 친히 간구하시느니라 27마음을 감찰하시는 이가 성령의 생각을 아시나니 이는 성령이 하나님의 뜻대로 성도를 위하여 간구하심이니라 28우리가 알거니와 하나님을 사랑하는 자 곧 그 뜻대로 부르심을 입은 자들에게는 모든 것이 합력하여 선을 이루느니라 29하나님이 미리 아신 자들로 또한 그 아들의 형상을 본받게 하기 위하여 미리 정하셨으니 이는 그로 많은 형제 중에서 맏아들이 되게 하려 하심이니라 30또 미리 정하신 그들을 또한 부르시고 부르신 그들을 또한 의롭다 하시고 의롭다 하신 그들을 또한 영화롭게 하셨느니라
18For I consider that the sufferings of this present time are not worthy to be compared with the glory which will be revealed toward us. 19For the creation waits with eager expectation for the children of God to be revealed. 20For the creation was subjected to vanity, not of its own will, but because of him who subjected it, in hope 21that the creation itself also will be delivered from the bondage of decay into the liberty of the glory of the children of God. 22For we know that the whole creation groans and travails in pain together until now. 23Not only so, but ourselves also, who have the first fruits of the Spirit, even we ourselves groan within ourselves, waiting for adoption, the redemption of our body. 24For we were saved in hope, but hope that is seen is not hope. For who hopes for that which he sees? 25But if we hope for that which we don’t see, we wait for it with patience. 26In the same way, the Spirit also helps our weaknesses, for we don’t know how to pray as we ought. But the Spirit himself makes intercession for us with groanings which can’t be uttered. 27He who searches the hearts knows what is on the Spirit’s mind, because he makes intercession for the saints according to God. 28We know that all things work together for good for those who love God, to those who are called according to his purpose. 29For whom he foreknew, he also predestined to be conformed to the image of his Son, that he might be the firstborn among many brothers. 30Whom he predestined, those he also called. Whom he called, those he also justified. Whom he justified, those he also glorified.
18Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. 19Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. 20Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; 21Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. 22Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe. 23En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. 24Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? 25Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid. 26En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 27En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. 28En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. 29Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. 30En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
The whole chapter. The passage is lightly tinted.
Leven door de Geest
1그러므로 이제 그리스도 예수 안에 있는 자에게는 결코 정죄함이 없나니 2이는 그리스도 예수 안에 있는 생명의 성령의 법이 죄와 사망의 법에서 너를 해방하였음이라 3율법이 육신으로 말미암아 연약하여 할 수 없는 그것을 하나님은 하시나니 곧 죄를 인하여 자기 아들을 죄 있는 육신의 모양으로 보내어 육신에 죄를 정하사 4육신을 좇지 않고 그 영을 좇아 행하는 우리에게 율법의 요구를 이루어지게 하려 하심이니라 5육신을 좇는 자는 육신의 일을, 영을 좇는 자는 영의 일을 생각하나니 6육신의 생각은 사망이요 영의 생각은 생명과 평안이니라 7육신의 생각은 하나님과 원수가 되나니 이는 하나님의 법에 굴복치 아니할 뿐 아니라 할 수도 없음이라 8육신에 있는 자들은 하나님을 기쁘시게 할 수 없느니라 9만일 너희 속에 하나님의 영이 거하시면 너희가 육신에 있지 아니하고 영에 있나니 누구든지 그리스도의 영이 없으면 그리스도의 사람이 아니라 10또 그리스도께서 너희 안에 계시면 몸은 죄로 인하여 죽은 것이나 영은 의를 인하여 산 것이니라 11예수를 죽은 자 가운데서 살리신 이의 영이 너희 안에 거하시면 그리스도 예수를 죽은 자 가운게서 살리신 이가 너희 안에 거하시는 그의 영으로 말미암아 너희 죽을 몸도 살리시리라 12그러므로 형제들아 우리가 빚진 자로되 육신에게 져서 육신대로 살 것이 아니니라 13너희가 육신대로 살면 반드시 죽을 것이로되 영으로써 몸의 행실을 죽이면 살리니 14무릇 하나님의 영으로 인도함을 받는 그들은 곧 하나님의 아들이라 15너희는 다시 무서워하는 종의 영을 받지 아니하였고 양자의 영을 받았으므로 아바 아버지라 부르짖느니라 16성령이 친히 우리 영으로 더불어 우리가 하나님의 자녀인 것을 증거하시나니 17자녀이면 또한 후사 곧 하나님의 후사요 그리스도와 함께 한 후사니 우리가 그와 함께 영광을 받기 위하여 고난도 함께 받아야 될 것이니라
Zuchten en hoop
18생각건대 현재의 고난은 장차 우리에게 나타날 영광과 족히 비교할 수 없도다 19피조물의 고대하는 바는 하나님의 아들들의 나타나는 것이니 20피조물이 허무한 데 굴복하는 것은 자기 뜻이 아니요 오직 굴복케 하시는 이로 말미암음이라 21그 바라는 것은 피조물도 썩어짐의 종노릇한 데서 해방되어 하나님의 자녀들의 영광의 자유에 이르는 것이니라 22피조물이 다 이제까지 함께 탄식하며 함께 고통하는 것을 우리가 아나니 23이뿐 아니라 또한 우리 곧 성령의 처음 익은 열매를 받은 우리까지도 속으로 탄식하여 양자 될 것 곧 우리 몸의 구속을 기다리느니라 24우리가 소망으로 구원을 얻었으매 보이는 소망이 소망이 아니니 보는 것을 누가 바라리요 25만일 우리가 보지 못하는 것을 바라면 참음으로 기다릴지니라 26이와 같이 성령도 우리 연약함을 도우시나니 우리가 마땅히 빌 바를 알지 못하나 오직 성령이 말할 수 없는 탄식으로 우리를 위하여 친히 간구하시느니라 27마음을 감찰하시는 이가 성령의 생각을 아시나니 이는 성령이 하나님의 뜻대로 성도를 위하여 간구하심이니라 28우리가 알거니와 하나님을 사랑하는 자 곧 그 뜻대로 부르심을 입은 자들에게는 모든 것이 합력하여 선을 이루느니라 29하나님이 미리 아신 자들로 또한 그 아들의 형상을 본받게 하기 위하여 미리 정하셨으니 이는 그로 많은 형제 중에서 맏아들이 되게 하려 하심이니라 30또 미리 정하신 그들을 또한 부르시고 부르신 그들을 또한 의롭다 하시고 의롭다 하신 그들을 또한 영화롭게 하셨느니라
Niets kan ons scheiden van Gods liefde
31그런즉 이 일에 대하여 우리가 무슨 말 하리요 만일 하나님이 우리를 위하시면 누가 우리를 대적하리요 32자기 아들을 아끼지 아니하시고 우리 모든 사람을 위하여 내어 주신 이가 어찌 그 아들과 함께 모든 것을 우리에게 은사로 주지 아니하시겠느뇨 33누가 능히 하나님의 택하신 자들을 송사하리요 의롭다 하신 이는 하나님이시니 34누가 정죄하리요 죽으실 뿐 아니라 다시 살아나신 이는 그리스도 예수시니 그는 하나님 우편에 계신 자요 우리를 위하여 간구하시는 자시니라 35누가 우리를 그리스도의 사랑에서 끊으리요 환난이나 곤고나 핍박이나 기근이나 적신이나 위협이나 칼이랴 36기록된 바 우리가 종일 주를 위하여 죽임을 당케 되며 도살할 양 같이 여김을 받았나이다 함과 같으니라 37그러나 이 모든 일에 우리를 사랑하시는 이로 말미암아 우리가 넉넉히 이기느니라 38내가 확신하노니 사망이나 생명이나 천사들이나 권세자들이나 현재 일이나 장래 일이나 능력이나 39높음이나 깊음이나 다른 아무 피조물이라도 우리를 우리 주 그리스도 예수 안에 있는 하나님의 사랑에서 끊을 수 없으리라
Leven door de Geest
1There is therefore now no condemnation to those who are in Christ Jesus, who don’t walk according to the flesh, but according to the Spirit. 2For the law of the Spirit of life in Christ Jesus made me free from the law of sin and of death. 3For what the law couldn’t do, in that it was weak through the flesh, God did, sending his own Son in the likeness of sinful flesh and for sin, he condemned sin in the flesh; 4that the ordinance of the law might be fulfilled in us, who walk not after the flesh, but after the Spirit. 5For those who live according to the flesh set their minds on the things of the flesh, but those who live according to the Spirit, the things of the Spirit. 6For the mind of the flesh is death, but the mind of the Spirit is life and peace; 7because the mind of the flesh is hostile towards God; for it is not subject to God’s law, neither indeed can it be. 8Those who are in the flesh can’t please God. 9But you are not in the flesh but in the Spirit, if it is so that the Spirit of God dwells in you. But if any man doesn’t have the Spirit of Christ, he is not his. 10If Christ is in you, the body is dead because of sin, but the spirit is alive because of righteousness. 11But if the Spirit of him who raised up Jesus from the dead dwells in you, he who raised up Christ Jesus from the dead will also give life to your mortal bodies through his Spirit who dwells in you. 12So then, brothers, we are debtors, not to the flesh, to live after the flesh. 13For if you live after the flesh, you must die; but if by the Spirit you put to death the deeds of the body, you will live. 14For as many as are led by the Spirit of God, these are children of God. 15For you didn’t receive the spirit of bondage again to fear, but you received the Spirit of adoption, by whom we cry, “Abba! Father!” 16The Spirit himself testifies with our spirit that we are children of God; 17and if children, then heirs; heirs of God, and joint heirs with Christ; if indeed we suffer with him, that we may also be glorified with him.
Zuchten en hoop
18For I consider that the sufferings of this present time are not worthy to be compared with the glory which will be revealed toward us. 19For the creation waits with eager expectation for the children of God to be revealed. 20For the creation was subjected to vanity, not of its own will, but because of him who subjected it, in hope 21that the creation itself also will be delivered from the bondage of decay into the liberty of the glory of the children of God. 22For we know that the whole creation groans and travails in pain together until now. 23Not only so, but ourselves also, who have the first fruits of the Spirit, even we ourselves groan within ourselves, waiting for adoption, the redemption of our body. 24For we were saved in hope, but hope that is seen is not hope. For who hopes for that which he sees? 25But if we hope for that which we don’t see, we wait for it with patience. 26In the same way, the Spirit also helps our weaknesses, for we don’t know how to pray as we ought. But the Spirit himself makes intercession for us with groanings which can’t be uttered. 27He who searches the hearts knows what is on the Spirit’s mind, because he makes intercession for the saints according to God. 28We know that all things work together for good for those who love God, to those who are called according to his purpose. 29For whom he foreknew, he also predestined to be conformed to the image of his Son, that he might be the firstborn among many brothers. 30Whom he predestined, those he also called. Whom he called, those he also justified. Whom he justified, those he also glorified.
Niets kan ons scheiden van Gods liefde
31What then shall we say about these things? If God is for us, who can be against us? 32He who didn’t spare his own Son, but delivered him up for us all, how would he not also with him freely give us all things? 33Who could bring a charge against God’s chosen ones? It is God who justifies. 34Who is he who condemns? It is Christ who died, yes rather, who was raised from the dead, who is at the right hand of God, who also makes intercession for us. 35Who shall separate us from the love of Christ? Could oppression, or anguish, or persecution, or famine, or nakedness, or peril, or sword? 36Even as it is written, “For your sake we are killed all day long. We were accounted as sheep for the slaughter.” 37No, in all these things, we are more than conquerors through him who loved us. 38For I am persuaded, that neither death, nor life, nor angels, nor principalities, nor things present, nor things to come, nor powers, 39nor height, nor depth, nor any other created thing, will be able to separate us from the love of God, which is in Christ Jesus our Lord.
Leven door de Geest
1Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. 2Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. 3Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. 4Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. 5Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is. 6Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede; 7Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet. 8En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. 9Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. 10En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonden wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil. 11En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. 12Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven. 13Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven. 14Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. 15Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! 16Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. 17En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
Zuchten en hoop
18Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. 19Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. 20Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; 21Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. 22Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe. 23En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. 24Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? 25Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid. 26En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 27En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. 28En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. 29Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. 30En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Niets kan ons scheiden van Gods liefde
31Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? 32Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? 33Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. 34Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter hand Gods is, Die ook voor ons bidt. 35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard? 36(Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) 37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. 38Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, 39Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.
Where this passage sits in the structure of 로마서.
- 1:1–17
Opening en thema
Groet, en het thema: het evangelie is Gods kracht tot redding.
- 1:18–3:20
Iedereen heeft het nodig
Niet-Joden en Joden staan allen tekort.
- 3:21–4:25
Rechtvaardig door geloof
Gods gerechtigheid in Christus; Abraham als voorbeeld.
- 5–8
Nieuw leven door de Geest
Vrede met God, vrijheid, en niets dat scheidt van Gods liefde.
The passage is here
- 9–11
Israël en Gods trouw
Heeft God zijn volk verstoten? 'Dat zij verre.'
- 12:1–15:13
Leven als gemeente
Lichaam van Christus, liefde, overheid, zwakken en sterken.
- 15:14–16:27
Reisplannen en groeten
Op weg naar Jeruzalem, Rome en Spanje; een lange lijst namen.
- 1:1–17
Opening en thema
Groet, en het thema: het evangelie is Gods kracht tot redding.
- 1:18–3:20
Iedereen heeft het nodig
Niet-Joden en Joden staan allen tekort.
- 3:21–4:25
Rechtvaardig door geloof
Gods gerechtigheid in Christus; Abraham als voorbeeld.
- 5–8
Nieuw leven door de Geest
Vrede met God, vrijheid, en niets dat scheidt van Gods liefde.
The passage is here
- 9–11
Israël en Gods trouw
Heeft God zijn volk verstoten? 'Dat zij verre.'
- 12:1–15:13
Leven als gemeente
Lichaam van Christus, liefde, overheid, zwakken en sterken.
- 15:14–16:27
Reisplannen en groeten
Op weg naar Jeruzalem, Rome en Spanje; een lange lijst namen.
- 1:1–17
Opening en thema
Groet, en het thema: het evangelie is Gods kracht tot redding.
- 1:18–3:20
Iedereen heeft het nodig
Niet-Joden en Joden staan allen tekort.
- 3:21–4:25
Rechtvaardig door geloof
Gods gerechtigheid in Christus; Abraham als voorbeeld.
- 5–8
Nieuw leven door de Geest
Vrede met God, vrijheid, en niets dat scheidt van Gods liefde.
The passage is here
- 9–11
Israël en Gods trouw
Heeft God zijn volk verstoten? 'Dat zij verre.'
- 12:1–15:13
Leven als gemeente
Lichaam van Christus, liefde, overheid, zwakken en sterken.
- 15:14–16:27
Reisplannen en groeten
Op weg naar Jeruzalem, Rome en Spanje; een lange lijst namen.
Immediate context
What comes before
Paulus zegt dat het lijden van nu niet opweegt tegen wat komt (8:18). De hele schepping 'zucht en heeft weeën' (8:22). Ook wij zuchten, terwijl we wachten (8:23). En als we niet weten wat we moeten bidden, 'pleit de Geest voor ons met onuitsprekelijke zuchten' (8:26).
What comes after
Gods doel wordt concreet: mensen 'gelijkvormig aan het beeld van zijn Zoon' (8:29). Dan volgt een lofzang: 'Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?' Paulus noemt verdrukking, honger, naaktheid, gevaar en zwaard, en besluit dat niets ons kan scheiden van de liefde van God (8:31–39).
Three layers
Text, background and interpretation
Kept apart, so you can see what the text says, what we know about the background and what is interpretation.
What the text says
Wie God liefhebben, weten dat alles meewerkt ten goede: voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn. Het volgende vers legt uit wat dat goede is: gelijkvormig worden aan het beeld van de Zoon.
Historical background
Paulus schreef rond 56–57 n.Chr. aan huisgemeenten in Rome, die hij nog niet had bezocht. Enkele jaren eerder had keizer Claudius Joden uit Rome verdreven (rond 49 n.Chr.); toen ze terugkwamen, waren de gemeenten veranderd. Christenen hadden geen wettelijke bescherming en leefden vaak in armoede en onzekerheid. Een decennium later, onder Nero, volgde vervolging.
Literary background
Romeinen 5–8 bouwt op naar een climax. Hoofdstuk 8 begint met 'geen veroordeling' (vs 1) en eindigt met 'geen scheiding' (vs 39). Vers 28–30 vormen een keten: liefhebben, geroepen, voorbestemd, gerechtvaardigd, verheerlijkt. De passage 18–30 is opgebouwd rond een drievoudig zuchten.
Interpretation and application
Voor veel christenen is dit een diepe troost: God laat niets verloren gaan en kan zelfs uit het kwaad iets goeds laten groeien. Wie het als 'alles gebeurt met een reden' tegen een rouwende gebruikt, slaat het zuchten over waar Paulus zelf de tijd voor neemt. De tekst geeft ruimte om te klagen, en belooft dat God erin meewerkt.
This is interpretation, not fact. Traditions sometimes read it differently.
Where scholars differ
- Tekstvariant: enkele van de oudste handschriften (waaronder P46 en de Codex Vaticanus) lezen 'God werkt alle dingen mee ten goede'; andere lezen 'alle dingen werken mee'. Vertalingen kiezen verschillend.
- Hoe 'voorbestemd' (vs 29–30) te verstaan is, verdeelt christelijke tradities al eeuwen: persoonlijke uitverkiezing, of Gods doel met een gemeenschap.
Family moment
Reading together, about ten minutes
For a family, a couple or a few friends. Pick the questions that suit you.
1Read together
로마서 8:26–28
In your language's Bible translation. Feel free to read slowly; the explanation below is in plain words.
26이와 같이 성령도 우리 연약함을 도우시나니 우리가 마땅히 빌 바를 알지 못하나 오직 성령이 말할 수 없는 탄식으로 우리를 위하여 친히 간구하시느니라 27마음을 감찰하시는 이가 성령의 생각을 아시나니 이는 성령이 하나님의 뜻대로 성도를 위하여 간구하심이니라 28우리가 알거니와 하나님을 사랑하는 자 곧 그 뜻대로 부르심을 입은 자들에게는 모든 것이 합력하여 선을 이루느니라
2Understand together
Paulus schrijft een lange brief aan christenen in Rome. Ze hebben het niet makkelijk: sommigen zijn arm, anderen worden uitgelachen of weggestuurd. Paulus doet niet alsof alles goed is. Hij zegt dat de hele wereld 'zucht', zoals iemand die pijn heeft of moe is. Wij zuchten ook. En dan iets heel moois: als we niet weten wat we moeten bidden, zucht Gods Geest met ons mee. God begrijpt het, ook zonder woorden. Daarna schrijft Paulus: 'Wie God liefhebben, weten dat alles meewerkt ten goede.' Hij bedoelt niet dat verdrietige dingen eigenlijk goed zijn. Hij bedoelt dat God er middenin is en blijft werken, zodat wij steeds meer op Jezus gaan lijken. En een paar zinnen verder: niets kan ons scheiden van Gods liefde.
3Talk together
- Children
Soms weet je niet wat je moet zeggen als je bidt. Wat zegt vers 26 dat Gods Geest dan doet?
- Teens
Iemand zegt tegen je vriend in een zware tijd: 'Alles gebeurt met een reden.' Helpt dat? Wat zou Paulus volgens jou zeggen?
- Adults
Paulus laat de schepping, ons en de Geest zuchten. Hoeveel ruimte is er in mijn geloof voor klagen, en wat gebeurt er als ik het overslaat?
- Children
4Do together
PrayerEen zucht-gebed: iedereen noemt één ding dat moeilijk is, zonder dat iemand er een oplossing voor zoekt. Blijf even stil. Lees dan samen vers 38–39 hardop als slot.
Go deeperFor parents, to read beforehand
De tekstvariant is echt: de papyrus P46 (rond 200 n.Chr.) en de Codex Vaticanus hebben 'ho theos' (God) als onderwerp. Met 'God' als onderwerp ligt de nadruk op Gods handelen, zonder 'God' klinkt het meer als een wetmatigheid. Beide lezingen zijn oud; vertalingen kiezen er één en vermelden de andere soms in een voetnoot.
'Het goede' is in vers 29 gedefinieerd als gelijkvormig worden aan het beeld van de Zoon. Dat beeld is bij Paulus ook het beeld van de gekruisigde: 'gelijkvormig aan zijn dood' (Fil. 3:10). Het goede sluit lijden dus niet uit.
Het zuchten van de schepping (vs 19–22) is een van de weinige plaatsen in het Nieuwe Testament waar de hele natuur betrokken wordt bij Gods toekomst. Paulus gebruikt het beeld van barensweeën: pijn die op nieuw leven uitloopt.
Een oudtestamentische parallel is Jozef tegen zijn broers: 'Jullie hadden kwaad met mij voor, maar God heeft het ten goede gekeerd' (Gen. 50:20). Het kwaad wordt daar niet goedgepraat; het wordt overtroffen.
Bo's quiz
Do you remember? Three questions about the story.