Laŭ Luko 15:20 · New Testament
De vader die rent: een verhaal met een open eindeThe father who ran
Jezus vertelt over een jongste zoon die zijn erfdeel verkwist en terugkomt, een vader die hem tegemoet rent, en een oudste zoon die buiten blijft staan. Het verhaal is een antwoord op gemor over Jezus' gezelschap.
Provizore la klarigoj pri bibliaj pecoj kaj libroj estas nur en la nederlanda. La Biblia teksto kaj la aplikaĵo mem estas en via lingvo; tradukoj de la klarigoj estas survoje.
Draft: not yet reviewedThis explanation was written with sources, but has not yet been checked by a second reader.Spotted a mistake? Tell us.
The story
Jezus eet met mensen die anderen niet zo netjes vinden. Een paar vrome mensen mopperen erover. Daarom vertelt Jezus drie verhalen. In het derde vraagt een jongen aan zijn vader: 'Geef mij nu al mijn deel van het geld.' Hij gaat ver weg, geeft alles uit en moet ten slotte varkens voeren, zo arm is hij. Hij besluit terug te gaan en te vragen of hij als knecht mag werken. Maar zijn vader ziet hem al van ver, rent naar hem toe en omhelst hem, nog voor de jongen iets kan zeggen. Er komt een groot feest. De oudste broer is boos: hij was altijd braaf en kreeg nooit een feest. De vader gaat ook naar hem naar buiten. Hoe het afloopt, vertelt Jezus niet.
A question for you
Hoe denk je dat de vader zich voelde toen hij zijn zoon zag aankomen? En hoe voelde de oudste broer zich?
Do it together
Speel het verhaal kort na zonder woorden: de vertrekkende zoon, de wachtende vader, de rennende vader, de boze broer. Stop bij de oudste broer en laat ieder bedenken wat hij doet. Of vier samen iets kleins voor iemand die terug is of opnieuw begint.
Often read as
Het verhaal van de 'verloren zoon' die berouw krijgt en naar huis komt.
Read in context
Een verhaal over een vader met twee verloren zonen, verteld aan vrome mensen die morren dat Jezus met zondaars eet (vs 2). Het einde blijft open: gaat de oudste zoon mee naar binnen?
Laŭ Luko 15:20
Kaj li leviĝis, kaj iris al sia patro. Sed kiam li estis ankoraŭ malproksime, lia patro lin vidis kaj kortuŝiĝis, kaj kurinte, falis sur lian kolon kaj lin kisadis.
“He arose, and came to his father. But while he was still far off, his father saw him, and was moved with compassion, and ran, and fell on his neck, and kissed him.
En opstaande, ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem.
Ten verses before and after.
10Tiel same, mi diras al vi, estas ĝojo antaŭ la anĝeloj de Dio pro unu pekulo, kiu pentas.
Een vader en twee zonen
11Kaj li diris: Unu viro havis du filojn; 12kaj la pli juna diris al sia patro: Patro, donu al mi la heredotan parton de la havo. Kaj li dividis inter ili siajn vivrimedojn. 13Kaj post ne multaj tagoj la pli juna, kolektinte ĉion, forvojaĝis al malproksima lando; kaj tie li disperdis sian havon per diboĉa vivado. 14Kaj kiam li jam elspezis ĉion, forta malsato okazis en tiu lando, kaj li komencis havi mankon. 15Kaj li iris, kaj aliĝis al unu el la loĝantoj de tiu lando; kaj ĉi tiu lin sendis sur siajn kampojn, por paŝti porkojn. 16Kaj li deziris plenigi sian ventron per la karoboj, kiujn la porkoj manĝis; kaj neniu donis al li. 17Sed reveninte al si, li diris: Kiom da dungitoj de mia patro havas panon abunde, sed mi ĉi tie pereas de malsato! 18Mi leviĝos, kaj iros al mia patro, kaj mi diros al li: Patro, mi pekis kontraŭ la ĉielo kaj antaŭ vi; 19mi jam ne meritas esti nomata via filo; faru min kiel unu el viaj dungitoj. 20Kaj li leviĝis, kaj iris al sia patro. Sed kiam li estis ankoraŭ malproksime, lia patro lin vidis kaj kortuŝiĝis, kaj kurinte, falis sur lian kolon kaj lin kisadis. 21Kaj la filo diris al li: Patro, mi pekis kontraŭ la ĉielo kaj antaŭ vi, kaj mi jam ne meritas esti nomata via filo. 22Kaj diris la patro al siaj servistoj: Alportu rapide la ĉefan robon, kaj lin vestu, kaj metu ringon sur lian manon kaj ŝuojn sur liajn piedojn; 23kaj alportu la grasigitan bovidon kaj buĉu ĝin, kaj ni manĝu kaj estu gajaj; 24ĉar ĉi tiu mia filo estis mortinta, kaj denove vivas; li estis perdita, kaj estas trovita. Kaj ili komencis esti gajaj. 25Sed la pli maljuna filo estis sur la kampo; kaj kiam li venis kaj alproksimiĝis al la domo, li aŭdis muzikon kaj dancadon. 26Kaj li alvokis unu el la knaboj, kaj demandis lin, kio estas tio. 27Kaj li diris al li: Via frato venis, kaj via patro buĉis la grasigitan bovidon, ĉar li ricevis lin sana. 28Sed li koleris, kaj ne volis eniri; kaj lia patro elvenis, kaj lin petegis. 29Sed li responde diris al sia patro: Jen tiom da jaroj mi servas al vi, kaj neniam mi malobeis vian ordonon, tamen vi neniam donis al mi kapridon, por ke mi estu gaja kun miaj amikoj; 30sed kiam venis ĉi tiu via filo, kiu formanĝis vian havon kun malĉastistinoj, vi buĉis por li la grasigitan bovidon.
10Even so, I tell you, there is joy in the presence of the angels of God over one sinner repenting.”
Een vader en twee zonen
11He said, “A certain man had two sons. 12The younger of them said to his father, ‘Father, give me my share of your property.’ He divided his livelihood between them. 13Not many days after, the younger son gathered all of this together and traveled into a far country. There he wasted his property with riotous living. 14When he had spent all of it, there arose a severe famine in that country, and he began to be in need. 15He went and joined himself to one of the citizens of that country, and he sent him into his fields to feed pigs. 16He wanted to fill his belly with the husks that the pigs ate, but no one gave him any. 17But when he came to himself he said, ‘How many hired servants of my father’s have bread enough to spare, and I’m dying with hunger! 18I will get up and go to my father, and will tell him, “Father, I have sinned against heaven, and in your sight. 19I am no more worthy to be called your son. Make me as one of your hired servants.”’ 20“He arose, and came to his father. But while he was still far off, his father saw him, and was moved with compassion, and ran, and fell on his neck, and kissed him. 21The son said to him, ‘Father, I have sinned against heaven, and in your sight. I am no longer worthy to be called your son.’ 22“But the father said to his servants, ‘Bring out the best robe, and put it on him. Put a ring on his hand, and shoes on his feet. 23Bring the fattened calf, kill it, and let us eat, and celebrate; 24for this, my son, was dead, and is alive again. He was lost, and is found.’ They began to celebrate. 25“Now his elder son was in the field. As he came near to the house, he heard music and dancing. 26He called one of the servants to him, and asked what was going on. 27He said to him, ‘Your brother has come, and your father has killed the fattened calf, because he has received him back safe and healthy.’ 28But he was angry, and would not go in. Therefore his father came out, and begged him. 29But he answered his father, ‘Behold, these many years I have served you, and I never disobeyed a commandment of yours, but you never gave me a goat, that I might celebrate with my friends. 30But when this, your son, came, who has devoured your living with prostitutes, you killed the fattened calf for him.’
10Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.
Een vader en twee zonen
11En Hij zeide: Een zeker mens had twee zonen. 12En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk. 14En als hij het alles verteerd had, werd er een grote hongersnood in datzelve land, en hij begon gebrek te lijden. 15En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands; en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden. 16En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien. 17En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! 18Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u; 19En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen. 20En opstaande, ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. 21En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22Maar de vader zeide tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; 23En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. 24Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn. 25En zijn oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei, 26En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde, wat dat mocht zijn. 27En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft. 28Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem. 29Doch hij, antwoordende, zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn. 30Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.
The text as a unit: Een vader en twee zonen (Laŭ Luko 15:11–32).
11Kaj li diris: Unu viro havis du filojn; 12kaj la pli juna diris al sia patro: Patro, donu al mi la heredotan parton de la havo. Kaj li dividis inter ili siajn vivrimedojn. 13Kaj post ne multaj tagoj la pli juna, kolektinte ĉion, forvojaĝis al malproksima lando; kaj tie li disperdis sian havon per diboĉa vivado. 14Kaj kiam li jam elspezis ĉion, forta malsato okazis en tiu lando, kaj li komencis havi mankon. 15Kaj li iris, kaj aliĝis al unu el la loĝantoj de tiu lando; kaj ĉi tiu lin sendis sur siajn kampojn, por paŝti porkojn. 16Kaj li deziris plenigi sian ventron per la karoboj, kiujn la porkoj manĝis; kaj neniu donis al li. 17Sed reveninte al si, li diris: Kiom da dungitoj de mia patro havas panon abunde, sed mi ĉi tie pereas de malsato! 18Mi leviĝos, kaj iros al mia patro, kaj mi diros al li: Patro, mi pekis kontraŭ la ĉielo kaj antaŭ vi; 19mi jam ne meritas esti nomata via filo; faru min kiel unu el viaj dungitoj. 20Kaj li leviĝis, kaj iris al sia patro. Sed kiam li estis ankoraŭ malproksime, lia patro lin vidis kaj kortuŝiĝis, kaj kurinte, falis sur lian kolon kaj lin kisadis. 21Kaj la filo diris al li: Patro, mi pekis kontraŭ la ĉielo kaj antaŭ vi, kaj mi jam ne meritas esti nomata via filo. 22Kaj diris la patro al siaj servistoj: Alportu rapide la ĉefan robon, kaj lin vestu, kaj metu ringon sur lian manon kaj ŝuojn sur liajn piedojn; 23kaj alportu la grasigitan bovidon kaj buĉu ĝin, kaj ni manĝu kaj estu gajaj; 24ĉar ĉi tiu mia filo estis mortinta, kaj denove vivas; li estis perdita, kaj estas trovita. Kaj ili komencis esti gajaj. 25Sed la pli maljuna filo estis sur la kampo; kaj kiam li venis kaj alproksimiĝis al la domo, li aŭdis muzikon kaj dancadon. 26Kaj li alvokis unu el la knaboj, kaj demandis lin, kio estas tio. 27Kaj li diris al li: Via frato venis, kaj via patro buĉis la grasigitan bovidon, ĉar li ricevis lin sana. 28Sed li koleris, kaj ne volis eniri; kaj lia patro elvenis, kaj lin petegis. 29Sed li responde diris al sia patro: Jen tiom da jaroj mi servas al vi, kaj neniam mi malobeis vian ordonon, tamen vi neniam donis al mi kapridon, por ke mi estu gaja kun miaj amikoj; 30sed kiam venis ĉi tiu via filo, kiu formanĝis vian havon kun malĉastistinoj, vi buĉis por li la grasigitan bovidon. 31Kaj li diris al li: Filo, vi estas ĉiam kun mi, kaj ĉio mia estas via. 32Sed konvenis esti gajaj kaj ĝoji; ĉar ĉi tiu via frato estis mortinta, kaj denove vivas; li estis perdita, kaj estas trovita.
11He said, “A certain man had two sons. 12The younger of them said to his father, ‘Father, give me my share of your property.’ He divided his livelihood between them. 13Not many days after, the younger son gathered all of this together and traveled into a far country. There he wasted his property with riotous living. 14When he had spent all of it, there arose a severe famine in that country, and he began to be in need. 15He went and joined himself to one of the citizens of that country, and he sent him into his fields to feed pigs. 16He wanted to fill his belly with the husks that the pigs ate, but no one gave him any. 17But when he came to himself he said, ‘How many hired servants of my father’s have bread enough to spare, and I’m dying with hunger! 18I will get up and go to my father, and will tell him, “Father, I have sinned against heaven, and in your sight. 19I am no more worthy to be called your son. Make me as one of your hired servants.”’ 20“He arose, and came to his father. But while he was still far off, his father saw him, and was moved with compassion, and ran, and fell on his neck, and kissed him. 21The son said to him, ‘Father, I have sinned against heaven, and in your sight. I am no longer worthy to be called your son.’ 22“But the father said to his servants, ‘Bring out the best robe, and put it on him. Put a ring on his hand, and shoes on his feet. 23Bring the fattened calf, kill it, and let us eat, and celebrate; 24for this, my son, was dead, and is alive again. He was lost, and is found.’ They began to celebrate. 25“Now his elder son was in the field. As he came near to the house, he heard music and dancing. 26He called one of the servants to him, and asked what was going on. 27He said to him, ‘Your brother has come, and your father has killed the fattened calf, because he has received him back safe and healthy.’ 28But he was angry, and would not go in. Therefore his father came out, and begged him. 29But he answered his father, ‘Behold, these many years I have served you, and I never disobeyed a commandment of yours, but you never gave me a goat, that I might celebrate with my friends. 30But when this, your son, came, who has devoured your living with prostitutes, you killed the fattened calf for him.’ 31“He said to him, ‘Son, you are always with me, and all that is mine is yours. 32But it was appropriate to celebrate and be glad, for this, your brother, was dead, and is alive again. He was lost, and is found.’”
11En Hij zeide: Een zeker mens had twee zonen. 12En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk. 14En als hij het alles verteerd had, werd er een grote hongersnood in datzelve land, en hij begon gebrek te lijden. 15En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands; en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden. 16En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien. 17En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! 18Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u; 19En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen. 20En opstaande, ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. 21En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22Maar de vader zeide tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; 23En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. 24Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn. 25En zijn oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei, 26En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde, wat dat mocht zijn. 27En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft. 28Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem. 29Doch hij, antwoordende, zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn. 30Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht. 31En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe. 32Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.
The whole chapter. The passage is lightly tinted.
Gemor over wie met Jezus eet
1Kaj ĉiuj impostistoj kaj pekuloj alproksimiĝis al li, por aŭskulti lin. 2Kaj murmuris la Fariseoj kaj la skribistoj, dirante: Ĉi tiu akceptas pekulojn kaj manĝas kun ili.
Het verloren schaap
3Kaj li parolis al ili la jenan parabolon, dirante: 4Kiu el vi, havante cent ŝafojn kaj perdinte unu el ili, ne forlasas la naŭdek naŭ sur la stepo, kaj iras, por serĉi tiun, kiun li perdis, ĝis li ĝin trovos? 5Kaj trovinte, li ĝin metas sur siajn ŝultrojn, ĝojante. 6Kaj reveninte domen, li kunvokas siajn amikojn kaj siajn najbarojn, dirante al ili: Ĝoju kun mi, ĉar mi trovis mian ŝafon, la perditan. 7Mi diras al vi, ke tiel same estos ĝojo en la ĉielo pro unu pekulo, kiu pentas, pli ol pro naŭdek naŭ justuloj, kiuj ne bezonas penton.
De verloren munt
8Kiu virino, havante dek draĥmojn, se ŝi perdis unu draĥmon, ne ekbruligas lampon kaj balaas la domon kaj serĉas diligente, ĝis ŝi ĝin trovos? 9Kaj trovinte, ŝi kunvokas siajn amikinojn kaj siajn najbarinojn, dirante: Ĝoju kun mi, ĉar mi trovis la draĥmon, kiun mi perdis. 10Tiel same, mi diras al vi, estas ĝojo antaŭ la anĝeloj de Dio pro unu pekulo, kiu pentas.
Een vader en twee zonen
11Kaj li diris: Unu viro havis du filojn; 12kaj la pli juna diris al sia patro: Patro, donu al mi la heredotan parton de la havo. Kaj li dividis inter ili siajn vivrimedojn. 13Kaj post ne multaj tagoj la pli juna, kolektinte ĉion, forvojaĝis al malproksima lando; kaj tie li disperdis sian havon per diboĉa vivado. 14Kaj kiam li jam elspezis ĉion, forta malsato okazis en tiu lando, kaj li komencis havi mankon. 15Kaj li iris, kaj aliĝis al unu el la loĝantoj de tiu lando; kaj ĉi tiu lin sendis sur siajn kampojn, por paŝti porkojn. 16Kaj li deziris plenigi sian ventron per la karoboj, kiujn la porkoj manĝis; kaj neniu donis al li. 17Sed reveninte al si, li diris: Kiom da dungitoj de mia patro havas panon abunde, sed mi ĉi tie pereas de malsato! 18Mi leviĝos, kaj iros al mia patro, kaj mi diros al li: Patro, mi pekis kontraŭ la ĉielo kaj antaŭ vi; 19mi jam ne meritas esti nomata via filo; faru min kiel unu el viaj dungitoj. 20Kaj li leviĝis, kaj iris al sia patro. Sed kiam li estis ankoraŭ malproksime, lia patro lin vidis kaj kortuŝiĝis, kaj kurinte, falis sur lian kolon kaj lin kisadis. 21Kaj la filo diris al li: Patro, mi pekis kontraŭ la ĉielo kaj antaŭ vi, kaj mi jam ne meritas esti nomata via filo. 22Kaj diris la patro al siaj servistoj: Alportu rapide la ĉefan robon, kaj lin vestu, kaj metu ringon sur lian manon kaj ŝuojn sur liajn piedojn; 23kaj alportu la grasigitan bovidon kaj buĉu ĝin, kaj ni manĝu kaj estu gajaj; 24ĉar ĉi tiu mia filo estis mortinta, kaj denove vivas; li estis perdita, kaj estas trovita. Kaj ili komencis esti gajaj. 25Sed la pli maljuna filo estis sur la kampo; kaj kiam li venis kaj alproksimiĝis al la domo, li aŭdis muzikon kaj dancadon. 26Kaj li alvokis unu el la knaboj, kaj demandis lin, kio estas tio. 27Kaj li diris al li: Via frato venis, kaj via patro buĉis la grasigitan bovidon, ĉar li ricevis lin sana. 28Sed li koleris, kaj ne volis eniri; kaj lia patro elvenis, kaj lin petegis. 29Sed li responde diris al sia patro: Jen tiom da jaroj mi servas al vi, kaj neniam mi malobeis vian ordonon, tamen vi neniam donis al mi kapridon, por ke mi estu gaja kun miaj amikoj; 30sed kiam venis ĉi tiu via filo, kiu formanĝis vian havon kun malĉastistinoj, vi buĉis por li la grasigitan bovidon. 31Kaj li diris al li: Filo, vi estas ĉiam kun mi, kaj ĉio mia estas via. 32Sed konvenis esti gajaj kaj ĝoji; ĉar ĉi tiu via frato estis mortinta, kaj denove vivas; li estis perdita, kaj estas trovita.
Gemor over wie met Jezus eet
1Now all the tax collectors and sinners were coming close to him to hear him. 2The Pharisees and the scribes murmured, saying, “This man welcomes sinners, and eats with them.”
Het verloren schaap
3He told them this parable. 4“Which of you men, if you had one hundred sheep, and lost one of them, wouldn’t leave the ninety-nine in the wilderness, and go after the one that was lost, until he found it? 5When he has found it, he carries it on his shoulders, rejoicing. 6When he comes home, he calls together his friends and his neighbors, saying to them, ‘Rejoice with me, for I have found my sheep which was lost!’ 7I tell you that even so there will be more joy in heaven over one sinner who repents, than over ninety-nine righteous people who need no repentance.
De verloren munt
8Or what woman, if she had ten drachmacoins, if she lost one drachma coin, wouldn’t light a lamp, sweep the house, and seek diligently until she found it? 9When she has found it, she calls together her friends and neighbors, saying, ‘Rejoice with me, for I have found the drachma which I had lost.’ 10Even so, I tell you, there is joy in the presence of the angels of God over one sinner repenting.”
Een vader en twee zonen
11He said, “A certain man had two sons. 12The younger of them said to his father, ‘Father, give me my share of your property.’ He divided his livelihood between them. 13Not many days after, the younger son gathered all of this together and traveled into a far country. There he wasted his property with riotous living. 14When he had spent all of it, there arose a severe famine in that country, and he began to be in need. 15He went and joined himself to one of the citizens of that country, and he sent him into his fields to feed pigs. 16He wanted to fill his belly with the husks that the pigs ate, but no one gave him any. 17But when he came to himself he said, ‘How many hired servants of my father’s have bread enough to spare, and I’m dying with hunger! 18I will get up and go to my father, and will tell him, “Father, I have sinned against heaven, and in your sight. 19I am no more worthy to be called your son. Make me as one of your hired servants.”’ 20“He arose, and came to his father. But while he was still far off, his father saw him, and was moved with compassion, and ran, and fell on his neck, and kissed him. 21The son said to him, ‘Father, I have sinned against heaven, and in your sight. I am no longer worthy to be called your son.’ 22“But the father said to his servants, ‘Bring out the best robe, and put it on him. Put a ring on his hand, and shoes on his feet. 23Bring the fattened calf, kill it, and let us eat, and celebrate; 24for this, my son, was dead, and is alive again. He was lost, and is found.’ They began to celebrate. 25“Now his elder son was in the field. As he came near to the house, he heard music and dancing. 26He called one of the servants to him, and asked what was going on. 27He said to him, ‘Your brother has come, and your father has killed the fattened calf, because he has received him back safe and healthy.’ 28But he was angry, and would not go in. Therefore his father came out, and begged him. 29But he answered his father, ‘Behold, these many years I have served you, and I never disobeyed a commandment of yours, but you never gave me a goat, that I might celebrate with my friends. 30But when this, your son, came, who has devoured your living with prostitutes, you killed the fattened calf for him.’ 31“He said to him, ‘Son, you are always with me, and all that is mine is yours. 32But it was appropriate to celebrate and be glad, for this, your brother, was dead, and is alive again. He was lost, and is found.’”
Gemor over wie met Jezus eet
1En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen. 2En de Farizeen en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.
Het verloren schaap
3En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en een van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde? 5En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde. 6En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen samen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. 7Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.
De verloren munt
8Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij een penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt? 9En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: Weest blijde met mij; want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had. 10Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.
Een vader en twee zonen
11En Hij zeide: Een zeker mens had twee zonen. 12En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk. 14En als hij het alles verteerd had, werd er een grote hongersnood in datzelve land, en hij begon gebrek te lijden. 15En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands; en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden. 16En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien. 17En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! 18Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u; 19En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen. 20En opstaande, ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. 21En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22Maar de vader zeide tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; 23En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. 24Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn. 25En zijn oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei, 26En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde, wat dat mocht zijn. 27En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft. 28Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem. 29Doch hij, antwoordende, zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn. 30Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht. 31En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe. 32Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.
Where this passage sits in the structure of Laŭ Luko.
- 1–2
Geboorteverhalen
Johannes de Doper en Jezus, met de liederen van Maria en Zacharias.
- 3:1–4:13
Voorbereiding
Doop, stamboom, verzoeking.
- 4:14–9:50
In Galilea
Optreden in Nazaret, genezingen, de veldrede, de twaalf.
- 9:51–19:27
Reis naar Jeruzalem
De barmhartige Samaritaan, de drie gelijkenissen over verloren dingen, Zacheüs.
The passage is here
- 19:28–24:53
In Jeruzalem
Intocht, lijden, dood, opstanding en de Emmaüsgangers.
- 1–2
Geboorteverhalen
Johannes de Doper en Jezus, met de liederen van Maria en Zacharias.
- 3:1–4:13
Voorbereiding
Doop, stamboom, verzoeking.
- 4:14–9:50
In Galilea
Optreden in Nazaret, genezingen, de veldrede, de twaalf.
- 9:51–19:27
Reis naar Jeruzalem
De barmhartige Samaritaan, de drie gelijkenissen over verloren dingen, Zacheüs.
The passage is here
- 19:28–24:53
In Jeruzalem
Intocht, lijden, dood, opstanding en de Emmaüsgangers.
- 1–2
Geboorteverhalen
Johannes de Doper en Jezus, met de liederen van Maria en Zacharias.
- 3:1–4:13
Voorbereiding
Doop, stamboom, verzoeking.
- 4:14–9:50
In Galilea
Optreden in Nazaret, genezingen, de veldrede, de twaalf.
- 9:51–19:27
Reis naar Jeruzalem
De barmhartige Samaritaan, de drie gelijkenissen over verloren dingen, Zacheüs.
The passage is here
- 19:28–24:53
In Jeruzalem
Intocht, lijden, dood, opstanding en de Emmaüsgangers.
Immediate context
What comes before
Tollenaars en zondaars komen naar Jezus om te luisteren. Farizeeën en schriftgeleerden morren: 'Deze man ontvangt zondaars en eet met hen' (15:1–2). Jezus antwoordt met drie verhalen. Een herder zoekt één verloren schaap, een vrouw zoekt één verloren munt, en telkens eindigt het met een feest (15:3–10).
What comes after
De oudste zoon komt van het land, hoort muziek en wordt kwaad. Hij weigert naar binnen te gaan. De vader komt ook naar hem naar buiten en smeekt hem: 'Kind, jij bent altijd bij mij… maar we moesten feestvieren' (15:25–32). Daar stopt het verhaal. Wat de oudste zoon doet, vertelt Jezus niet.
Three layers
Text, background and interpretation
Kept apart, so you can see what the text says, what we know about the background and what is interpretation.
What the text says
De zoon staat op en gaat naar zijn vader. Zijn vader ziet hem al van ver, wordt met ontferming bewogen, rent naar hem toe, valt hem om de hals en kust hem. Dat gebeurt voor de zoon zijn voorbereide woorden kan uitspreken.
Historical background
Een erfdeel vragen terwijl de vader nog leeft, en het dan verkopen, was in een dorpscultuur waar land en familie alles waren een grote breuk. Varkens hoeden was voor een Joodse jongen een diep vernederend werk. Tollenaars werkten voor de Romeinen of hun handlangers en golden als collaborateurs; 'zondaars' waren mensen die de wet openlijk niet naleefden.
Literary background
Lucas 15 is een drieluik met een opbouw: één op honderd schapen, één op tien munten, één op twee zonen. Telkens zoeken, vinden en feesten, maar het derde verhaal voegt iets toe: een tweede zoon die niet meefeest. Het verhaal staat alleen bij Lucas, in het lange middendeel over de reis naar Jeruzalem.
Interpretation and application
De vader wordt vaak gelezen als beeld van God die mensen tegemoetkomt nog voor ze hun zaak kunnen bepleiten. De jongste zoon staat dan voor wie ver weg was, de oudste voor wie altijd trouw leek maar de vreugde niet kan delen. Veel lezers vinden zichzelf in beide zonen terug. Het open einde laat die vraag bij de lezer.
This is interpretation, not fact. Traditions sometimes read it differently.
Where scholars differ
- Dat een rennende vader in de toenmalige cultuur beschamend was, is een uitleg van onder anderen Kenneth Bailey op basis van Midden-Oosterse dorpsgebruiken. Anderen vinden die reconstructie te stellig.
- Of de jongste zoon echt berouw heeft of vooral honger (vs 17: 'hoeveel dagloners hebben brood in overvloed'), lezen uitleggers verschillend.
Family moment
Reading together, about ten minutes
For a family, a couple or a few friends. Pick the questions that suit you.
1Read together
Laŭ Luko 15:20–24
In your language's Bible translation. Feel free to read slowly; the explanation below is in plain words.
20Kaj li leviĝis, kaj iris al sia patro. Sed kiam li estis ankoraŭ malproksime, lia patro lin vidis kaj kortuŝiĝis, kaj kurinte, falis sur lian kolon kaj lin kisadis. 21Kaj la filo diris al li: Patro, mi pekis kontraŭ la ĉielo kaj antaŭ vi, kaj mi jam ne meritas esti nomata via filo. 22Kaj diris la patro al siaj servistoj: Alportu rapide la ĉefan robon, kaj lin vestu, kaj metu ringon sur lian manon kaj ŝuojn sur liajn piedojn; 23kaj alportu la grasigitan bovidon kaj buĉu ĝin, kaj ni manĝu kaj estu gajaj; 24ĉar ĉi tiu mia filo estis mortinta, kaj denove vivas; li estis perdita, kaj estas trovita. Kaj ili komencis esti gajaj.
2Understand together
Jezus eet met mensen die anderen niet zo netjes vinden. Een paar vrome mensen mopperen erover. Daarom vertelt Jezus drie verhalen. In het derde vraagt een jongen aan zijn vader: 'Geef mij nu al mijn deel van het geld.' Hij gaat ver weg, geeft alles uit en moet ten slotte varkens voeren, zo arm is hij. Hij besluit terug te gaan en te vragen of hij als knecht mag werken. Maar zijn vader ziet hem al van ver, rent naar hem toe en omhelst hem, nog voor de jongen iets kan zeggen. Er komt een groot feest. De oudste broer is boos: hij was altijd braaf en kreeg nooit een feest. De vader gaat ook naar hem naar buiten. Hoe het afloopt, vertelt Jezus niet.
3Talk together
- Children
Hoe denk je dat de vader zich voelde toen hij zijn zoon zag aankomen? En hoe voelde de oudste broer zich?
- Teens
Met welke zoon voel jij je meer verbonden, de jongste of de oudste? Waarom?
- Adults
Het verhaal eindigt zonder antwoord van de oudste zoon. Hoe zou ik het slot schrijven, en wat zegt dat over mij?
- Children
4Do together
ActionSpeel het verhaal kort na zonder woorden: de vertrekkende zoon, de wachtende vader, de rennende vader, de boze broer. Stop bij de oudste broer en laat ieder bedenken wat hij doet. Of vier samen iets kleins voor iemand die terug is of opnieuw begint.
Go deeperFor parents, to read beforehand
Het werkwoord in vers 20 (splanchnizomai, 'met ontferming bewogen') betekent letterlijk dat je ingewanden zich omkeren. Lucas gebruikt het ook voor de Samaritaan (10:33) en voor Jezus bij de weduwe van Naïn (7:13).
De jongste zoon had een toespraak voorbereid (vs 18–19). In de meeste handschriften krijgt hij maar de helft gezegd: 'maak mij als een van je dagloners' zegt hij niet meer, want de vader onderbreekt hem met bevelen voor kleren, ring en feest. (Enkele oude handschriften voegen die zin in vers 21 wel toe.)
De oudste zoon zegt 'die zoon van u' (vs 30); de vader antwoordt 'die broer van jou' (vs 32). Zo'n woordkeuze vertelt het conflict in het klein.
Rembrandt schilderde het moment van thuiskomst (De terugkeer van de verloren zoon, ca. 1668). Henri Nouwen schreef er een bekende meditatie over, waarin hij zichzelf in alle drie de figuren herkent.
Bo's quiz
Do you remember? Three questions about the story.