1Братия мои! имейте веру в Иисуса Христа нашего Господа славы, не взирая на лица. 2Ибо, если в собрание ваше войдет человек с золотым перстнем, в богатой одежде, войдет же и бедный в скудной одежде, 3и вы, смотря на одетого в богатую одежду, скажете ему: тебе хорошо сесть здесь, а бедному скажете: ты стань там, или садись здесь, у ног моих, — 4то не пересуживаете ли вы в себе и не становитесь ли судьями с худыми мыслями? 5Послушайте, братия мои возлюбленные: не бедных ли мира избрал Бог быть богатыми верою и наследниками Царствия, которое Он обещал любящим Его? 6А вы презрели бедного. Не богатые ли притесняют вас, и не они ли влекут вас в суды? 7Не они ли бесславят доброе имя, которым вы называетесь? 8Если вы исполняете закон царский, по Писанию: возлюби ближнего твоего, как себя самого, — хорошо делаете. 9Но если поступаете с лицеприятием, то грех делаете, и перед законом оказываетесь преступниками. 10Кто соблюдает весь закон и согрешит в одном чем-нибудь, тот становится виновным во всем. 11Ибо Тот же, Кто сказал: не прелюбодействуй, сказал и: не убей; посему, если ты не прелюбодействуешь, но убьешь, то ты также преступник закона. 12Так говорите и так поступайте, как имеющие быть судимы по закону свободы. 13Ибо суд без милости не оказавшему милости; милость превозносится над судом. 14Что пользы, братия мои, если кто говорит, что он имеет веру, а дел не имеет? может ли эта вера спасти его? 15Если брат или сестра наги и не имеют дневного пропитания, 16а кто-нибудь из вас скажет им: "идите с миром, грейтесь и питайтесь", но не даст им потребного для тела: что пользы? 17Так и вера, если не имеет дел, мертва сама по себе. 18Но скажет кто-нибудь: "ты имеешь веру, а я имею дела": покажи мне веру твою без дел твоих, а я покажу тебе веру мою из дел моих. 19Ты веруешь, что Бог един: хорошо делаешь; и бесы веруют, и трепещут. 20Но хочешь ли знать, неосновательный человек, что вера без дел мертва? 21Не делами ли оправдался Авраам, отец наш, возложив на жертвенник Исаака, сына своего? 22Видишь ли, что вера содействовала делам его, и делами вера достигла совершенства? 23И исполнилось слово Писания: "веровал Авраам Богу, и это вменилось ему в праведность, и он наречен другом Божиим". 24Видите ли, что человек оправдывается делами, а не верою только? 25Подобно и Раав блудница не делами ли оправдалась, приняв соглядатаев и отпустив их другим путем? 26Ибо, как тело без духа мертво, так и вера без дел мертва.
1My brothers, don’t hold the faith of our Lord Jesus Christ of glory with partiality. 2For if a man with a gold ring, in fine clothing, comes into your synagogue, and a poor man in filthy clothing also comes in; 3and you pay special attention to him who wears the fine clothing, and say, “Sit here in a good place”; and you tell the poor man, “Stand there,” or “Sit by my footstool”; 4haven’t you shown partiality among yourselves, and become judges with evil thoughts? 5Listen, my beloved brothers. Didn’t God choose those who are poor in this world to be rich in faith, and heirs of the Kingdom which he promised to those who love him? 6But you have dishonored the poor man. Don’t the rich oppress you, and personally drag you before the courts? 7Don’t they blaspheme the honorable name by which you are called? 8However, if you fulfill the royal law, according to the Scripture, “You shall love your neighbor as yourself,” you do well. 9But if you show partiality, you commit sin, being convicted by the law as transgressors. 10For whoever keeps the whole law, and yet stumbles in one point, he has become guilty of all. 11For he who said, “Do not commit adultery,” also said, “Do not commit murder.” Now if you do not commit adultery, but murder, you have become a transgressor of the law. 12So speak, and so do, as men who are to be judged by a law of freedom. 13For judgment is without mercy to him who has shown no mercy. Mercy triumphs over judgment. 14What good is it, my brothers, if a man says he has faith, but has no works? Can faith save him? 15And if a brother or sister is naked and in lack of daily food, 16and one of you tells them, “Go in peace, be warmed and filled”; and yet you didn’t give them the things the body needs, what good is it? 17Even so faith, if it has no works, is dead in itself. 18Yes, a man will say, “You have faith, and I have works.” Show me your faith without works, and I by my works will show you my faith. 19You believe that God is one. You do well. The demons also believe, and shudder. 20But do you want to know, vain man, that faith apart from works is dead? 21Wasn’t Abraham our father justified by works, in that he offered up Isaac his son on the altar? 22You see that faith worked with his works, and by works faith was perfected; 23and the Scripture was fulfilled which says, “Abraham believed God, and it was accounted to him as righteousness”; and he was called the friend of God. 24You see then that by works, a man is justified, and not only by faith. 25In the same way, wasn’t Rahab the prostitute also justified by works, in that she received the messengers, and sent them out another way? 26For as the body apart from the spirit is dead, even so faith apart from works is dead.
1Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons. 2Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding; 3En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank; 4Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen? 5Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben? 6Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen? 7Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is? 8Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel; 9Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders. 10Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. 11Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden. 12Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. 13Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. 14Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken? 15Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel; 16En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat? 17Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood. 18Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. 19Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen. 20Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is? 21Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? 22Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? 23En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest. 24Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof? 25En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten? 26Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.
Нажми Enter, чтобы выделить этот стих, добавить заметку или скопировать его. Стрелками переходи к следующему стиху.
Главы и стихи пронумерованы как в большинстве Библий мира. В Синодальном издании Псалтирь считается по-гречески: Псалом 23 там — Псалом 22, Псалом 51 — Псалом 50. Нить пересчитала стихи, чтобы каждая ссылка открывала тот же стих на всех языках.