エレミヤ書 29:11 · Old Testament
Plannen voor vrede, na zeventig jaarA letter from far away
Een brief van Jeremia aan Judeeërs die naar Babel zijn weggevoerd: richt je in, zoek het welzijn van de stad en wacht. God belooft terugkeer en toekomst, maar pas na zeventig jaar.
聖書箇所や各書の解説は、今のところオランダ語のみです。聖書本文とアプリ自体は日本語で読めます。解説の翻訳も準備中です。
Draft: not yet reviewedThis explanation was written with sources, but has not yet been checked by a second reader.Spotted a mistake? Tell us.
The story
Lang geleden werden veel mensen uit Jeruzalem gevangen genomen en meegenomen naar Babel, een groot land ver weg. Ze wilden heel graag terug naar huis. Sommige profeten zeiden: 'Binnen twee jaar zijn jullie thuis!' Maar Jeremia schreef hen een brief met een ander bericht. Hij schreef: bouw huizen, plant tuinen, trouw en zorg goed voor de stad waar je nu woont. Bid zelfs voor die stad. Pas na zeventig jaar mochten ze terug. Dat is langer dan de meeste mensen leven. Midden in die brief staat de bekende zin: 'Ik weet welke plannen Ik voor jullie heb: plannen voor vrede, om jullie een toekomst en hoop te geven.' Het is een belofte voor een hele groep mensen. Ze zegt dat God hen niet vergeten is, ook al duurt het lang.
A question for you
Stel je voor dat je moet verhuizen naar een land waar je niet wilt wonen. Wat zou je missen? Wat zou helpen om je er toch een beetje thuis te voelen?
Do it together
Kies samen één klein ding dat je deze week doet voor je straat of buurt: een kaartje bij de buren, een groet, samen zwerfvuil rapen. Noem daarna je gemeente bij naam in een kort gebed.
Often read as
Een persoonlijke belofte: God heeft een plan met mijn leven en het komt goed, liefst snel.
Read in context
Een belofte aan een volk in ballingschap, met een wachttijd van zeventig jaar. Eerst komt de opdracht om zich in te richten en het goede te zoeken voor de stad van de vijand.
エレミヤ書 29:11
主は言われる、わたしがあなたがたに対していだいている計画はわたしが知っている。それは災を与えようというのではなく、平安を与えようとするものであり、あなたがたに将来を与え、希望を与えようとするものである。
For I know the thoughts that I think toward you, says Yahweh, thoughts of peace, and not of evil, to give you hope and a future.
Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.
Ten verses before and after.
Brief aan de ballingen in Babel
1これは預言者エレミヤがエルサレムから、かの捕え移された長老たち、およびネブカデネザルによってエルサレムからバビロンに捕え移された祭司と預言者ならびにすべての民に送った手紙に書きしるした言葉である。 2それはエコニヤ王と太后と宦官およびユダとエルサレムのつかさたち、および工匠と鍛冶とがエルサレムを去ってのちに書かれたものであって、 3エレミヤはその手紙をシャパンの子エラサおよびヒルキヤの子ゲマリヤの手によって送った。この人々はユダの王ゼデキヤがバビロンに行かせ、バビロンの王ネブカデネザルのもとにつかわしたものであった。その手紙には次のように書いてあった。 4「万軍の主、イスラエルの神は、すべて捕え移された者、すなわち、わたしがエルサレムから、バビロンに捕え移させた者に、こう言う、 5あなたがたは家を建てて、それに住み、畑を作ってその産物を食べよ。 6妻をめとって、むすこ娘を産み、また、そのむすこに嫁をめとり、娘をとつがせて、むすこ娘を産むようにせよ。その所であなたがたの数を増し、減ってはならない。 7わたしがあなたがたを捕え移させたところの町の平安を求め、そのために主に祈るがよい。その町が平安であれば、あなたがたも平安を得るからである。 8万軍の主、イスラエルの神はこう言われる、あなたがたのうちにいる預言者と占い師に惑わされてはならない。また彼らの見る夢に聞き従ってはならない。 9それは、彼らがわたしの名によってあなたがたに偽りを預言しているからである。わたしが彼らをつかわしたのではないと主は言われる。 10主はこう言われる、バビロンで七十年が満ちるならば、わたしはあなたがたを顧み、わたしの約束を果し、あなたがたをこの所に導き帰る。 11主は言われる、わたしがあなたがたに対していだいている計画はわたしが知っている。それは災を与えようというのではなく、平安を与えようとするものであり、あなたがたに将来を与え、希望を与えようとするものである。 12その時、あなたがたはわたしに呼ばわり、来て、わたしに祈る。わたしはあなたがたの祈を聞く。 13あなたがたはわたしを尋ね求めて、わたしに会う。もしあなたがたが一心にわたしを尋ね求めるならば、 14わたしはあなたがたに会うと主は言われる。わたしはあなたがたの繁栄を回復し、あなたがたを万国から、すべてわたしがあなたがたを追いやった所から集め、かつ、わたしがあなたがたを捕われ離れさせたそのもとの所に、あなたがたを導き帰ろうと主は言われる。
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15あなたがたは、『主はバビロンでわれわれのために預言者たちを起された』と言ったが、―― 16主はダビデの位に座している王と、この町に住むすべての民で、あなたがたと共に捕え移されなかった兄弟たちについて、こう言われる、 17『万軍の主はこう言われる、見よ、わたしは、つるぎと、ききんと、疫病を彼らに送り、彼らを悪くて食べられない腐ったいちじくのようにしてしまう。 18わたしはつるぎと、ききんと、疫病をもって彼らのあとを追い、また彼らを地の万国に忌みきらわれるものとなし、わたしが彼らを追いやる国々で、のろいとなり、恐れとなり、物笑いとなり、はずかしめとならせる。 19それは彼らがわたしの言葉に聞き従わなかったからであると主は言われる。わたしはこの言葉を、わたしのしもべである預言者たちによって、しきりに送ったが、あなたがたは聞こうともしなかったと主は言われる』。―― 20わたしがエルサレムからバビロンに送ったあなたがたすべての捕われ人よ、主の言葉を聞きなさい、 21『わたしの名によって、あなたがたに偽りを預言しているコラヤの子アハブと、マアセヤの子ゼデキヤについて万軍の主、イスラエルの神はこう仰せられる、見よ、わたしは彼らをバビロンの王ネブカデレザルの手に渡す。王はあなたがたの目の前で彼らを殺す。
Brief aan de ballingen in Babel
1Now these are the words of the letter that Jeremiah the prophet sent from Jerusalem to the residue of the elders of the captivity, and to the priests, to the prophets, and to all the people, whom Nebuchadnezzar had carried away captive from Jerusalem to Babylon, 2(after that Jeconiah the king, the queen mother, the eunuchs, the princes of Judah and Jerusalem, the craftsmen, and the smiths, had departed from Jerusalem), 3by the hand of Elasah the son of Shaphan, and Gemariah the son of Hilkiah, (whom Zedekiah king of Judah sent to Babylon to Nebuchadnezzar king of Babylon), saying, 4Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, to all the captivity, whom I have caused to be carried away captive from Jerusalem to Babylon: 5Build houses, and dwell in them; and plant gardens, and eat their fruit. 6Take wives, and father sons and daughters; and take wives for your sons, and give your daughters to husbands, that they may bear sons and daughters; and multiply there, and don’t be diminished. 7Seek the peace of the city where I have caused you to be carried away captive, and pray to Yahweh for it; for in its peace you shall have peace. 8For thus says Yahweh of Armies, the God of Israel: Don’t let your prophets who are in your midst, and your diviners, deceive you; neither listen to your dreams which you cause to be dreamed. 9For they prophesy falsely to you in my name: I have not sent them, says Yahweh. 10For thus says Yahweh, After seventy years are accomplished for Babylon, I will visit you, and perform my good word toward you, in causing you to return to this place. 11For I know the thoughts that I think toward you, says Yahweh, thoughts of peace, and not of evil, to give you hope and a future. 12You shall call on me, and you shall go and pray to me, and I will listen to you. 13You shall seek me, and find me, when you shall search for me with all your heart. 14I will be found by you, says Yahweh, and I will turn again your captivity, and I will gather you from all the nations, and from all the places where I have driven you, says Yahweh; and I will bring you again to the place from where I caused you to be carried away captive.
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15Because you have said, Yahweh has raised us up prophets in Babylon; 16thus says Yahweh concerning the king who sits on the throne of David, and concerning all the people who dwell in this city, your brothers who haven’t gone with you into captivity; 17thus says Yahweh of Armies; Behold, I will send on them the sword, the famine, and the pestilence, and will make them like vile figs, that can’t be eaten, they are so bad. 18I will pursue after them with the sword, with the famine, and with the pestilence, and will deliver them to be tossed back and forth among all the kingdoms of the earth, to be an object of horror, and an astonishment, and a hissing, and a reproach, among all the nations where I have driven them; 19because they have not listened to my words, says Yahweh, with which I sent to them my servants the prophets, rising up early and sending them; but you would not hear, says Yahweh. 20Hear therefore Yahweh’s word, all you of the captivity, whom I have sent away from Jerusalem to Babylon. 21Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, concerning Ahab the son of Kolaiah, and concerning Zedekiah the son of Maaseiah, who prophesy a lie to you in my name: Behold, I will deliver them into the hand of Nebuchadnezzar king of Babylon; and he shall kill them before your eyes;
Brief aan de ballingen in Babel
1Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel. 2(Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan); 3Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, den koning van Babel, zeggende: 4Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; 6Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. 7En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben. 8Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen. 9Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE. 10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. 11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting. 12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. 13En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart. 14En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15Omdat gij zegt: de HEERE heeft ons profeten naar Babel verwekt; 16Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis; 17Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. 18En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben; 19Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE. 20Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden! 21Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.
The text as a unit: Brief aan de ballingen in Babel (エレミヤ書 29:1–14).
1これは預言者エレミヤがエルサレムから、かの捕え移された長老たち、およびネブカデネザルによってエルサレムからバビロンに捕え移された祭司と預言者ならびにすべての民に送った手紙に書きしるした言葉である。 2それはエコニヤ王と太后と宦官およびユダとエルサレムのつかさたち、および工匠と鍛冶とがエルサレムを去ってのちに書かれたものであって、 3エレミヤはその手紙をシャパンの子エラサおよびヒルキヤの子ゲマリヤの手によって送った。この人々はユダの王ゼデキヤがバビロンに行かせ、バビロンの王ネブカデネザルのもとにつかわしたものであった。その手紙には次のように書いてあった。 4「万軍の主、イスラエルの神は、すべて捕え移された者、すなわち、わたしがエルサレムから、バビロンに捕え移させた者に、こう言う、 5あなたがたは家を建てて、それに住み、畑を作ってその産物を食べよ。 6妻をめとって、むすこ娘を産み、また、そのむすこに嫁をめとり、娘をとつがせて、むすこ娘を産むようにせよ。その所であなたがたの数を増し、減ってはならない。 7わたしがあなたがたを捕え移させたところの町の平安を求め、そのために主に祈るがよい。その町が平安であれば、あなたがたも平安を得るからである。 8万軍の主、イスラエルの神はこう言われる、あなたがたのうちにいる預言者と占い師に惑わされてはならない。また彼らの見る夢に聞き従ってはならない。 9それは、彼らがわたしの名によってあなたがたに偽りを預言しているからである。わたしが彼らをつかわしたのではないと主は言われる。 10主はこう言われる、バビロンで七十年が満ちるならば、わたしはあなたがたを顧み、わたしの約束を果し、あなたがたをこの所に導き帰る。 11主は言われる、わたしがあなたがたに対していだいている計画はわたしが知っている。それは災を与えようというのではなく、平安を与えようとするものであり、あなたがたに将来を与え、希望を与えようとするものである。 12その時、あなたがたはわたしに呼ばわり、来て、わたしに祈る。わたしはあなたがたの祈を聞く。 13あなたがたはわたしを尋ね求めて、わたしに会う。もしあなたがたが一心にわたしを尋ね求めるならば、 14わたしはあなたがたに会うと主は言われる。わたしはあなたがたの繁栄を回復し、あなたがたを万国から、すべてわたしがあなたがたを追いやった所から集め、かつ、わたしがあなたがたを捕われ離れさせたそのもとの所に、あなたがたを導き帰ろうと主は言われる。
1Now these are the words of the letter that Jeremiah the prophet sent from Jerusalem to the residue of the elders of the captivity, and to the priests, to the prophets, and to all the people, whom Nebuchadnezzar had carried away captive from Jerusalem to Babylon, 2(after that Jeconiah the king, the queen mother, the eunuchs, the princes of Judah and Jerusalem, the craftsmen, and the smiths, had departed from Jerusalem), 3by the hand of Elasah the son of Shaphan, and Gemariah the son of Hilkiah, (whom Zedekiah king of Judah sent to Babylon to Nebuchadnezzar king of Babylon), saying, 4Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, to all the captivity, whom I have caused to be carried away captive from Jerusalem to Babylon: 5Build houses, and dwell in them; and plant gardens, and eat their fruit. 6Take wives, and father sons and daughters; and take wives for your sons, and give your daughters to husbands, that they may bear sons and daughters; and multiply there, and don’t be diminished. 7Seek the peace of the city where I have caused you to be carried away captive, and pray to Yahweh for it; for in its peace you shall have peace. 8For thus says Yahweh of Armies, the God of Israel: Don’t let your prophets who are in your midst, and your diviners, deceive you; neither listen to your dreams which you cause to be dreamed. 9For they prophesy falsely to you in my name: I have not sent them, says Yahweh. 10For thus says Yahweh, After seventy years are accomplished for Babylon, I will visit you, and perform my good word toward you, in causing you to return to this place. 11For I know the thoughts that I think toward you, says Yahweh, thoughts of peace, and not of evil, to give you hope and a future. 12You shall call on me, and you shall go and pray to me, and I will listen to you. 13You shall seek me, and find me, when you shall search for me with all your heart. 14I will be found by you, says Yahweh, and I will turn again your captivity, and I will gather you from all the nations, and from all the places where I have driven you, says Yahweh; and I will bring you again to the place from where I caused you to be carried away captive.
1Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel. 2(Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan); 3Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, den koning van Babel, zeggende: 4Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; 6Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. 7En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben. 8Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen. 9Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE. 10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. 11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting. 12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. 13En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart. 14En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
The whole chapter. The passage is lightly tinted.
Brief aan de ballingen in Babel
1これは預言者エレミヤがエルサレムから、かの捕え移された長老たち、およびネブカデネザルによってエルサレムからバビロンに捕え移された祭司と預言者ならびにすべての民に送った手紙に書きしるした言葉である。 2それはエコニヤ王と太后と宦官およびユダとエルサレムのつかさたち、および工匠と鍛冶とがエルサレムを去ってのちに書かれたものであって、 3エレミヤはその手紙をシャパンの子エラサおよびヒルキヤの子ゲマリヤの手によって送った。この人々はユダの王ゼデキヤがバビロンに行かせ、バビロンの王ネブカデネザルのもとにつかわしたものであった。その手紙には次のように書いてあった。 4「万軍の主、イスラエルの神は、すべて捕え移された者、すなわち、わたしがエルサレムから、バビロンに捕え移させた者に、こう言う、 5あなたがたは家を建てて、それに住み、畑を作ってその産物を食べよ。 6妻をめとって、むすこ娘を産み、また、そのむすこに嫁をめとり、娘をとつがせて、むすこ娘を産むようにせよ。その所であなたがたの数を増し、減ってはならない。 7わたしがあなたがたを捕え移させたところの町の平安を求め、そのために主に祈るがよい。その町が平安であれば、あなたがたも平安を得るからである。 8万軍の主、イスラエルの神はこう言われる、あなたがたのうちにいる預言者と占い師に惑わされてはならない。また彼らの見る夢に聞き従ってはならない。 9それは、彼らがわたしの名によってあなたがたに偽りを預言しているからである。わたしが彼らをつかわしたのではないと主は言われる。 10主はこう言われる、バビロンで七十年が満ちるならば、わたしはあなたがたを顧み、わたしの約束を果し、あなたがたをこの所に導き帰る。 11主は言われる、わたしがあなたがたに対していだいている計画はわたしが知っている。それは災を与えようというのではなく、平安を与えようとするものであり、あなたがたに将来を与え、希望を与えようとするものである。 12その時、あなたがたはわたしに呼ばわり、来て、わたしに祈る。わたしはあなたがたの祈を聞く。 13あなたがたはわたしを尋ね求めて、わたしに会う。もしあなたがたが一心にわたしを尋ね求めるならば、 14わたしはあなたがたに会うと主は言われる。わたしはあなたがたの繁栄を回復し、あなたがたを万国から、すべてわたしがあなたがたを追いやった所から集め、かつ、わたしがあなたがたを捕われ離れさせたそのもとの所に、あなたがたを導き帰ろうと主は言われる。
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15あなたがたは、『主はバビロンでわれわれのために預言者たちを起された』と言ったが、―― 16主はダビデの位に座している王と、この町に住むすべての民で、あなたがたと共に捕え移されなかった兄弟たちについて、こう言われる、 17『万軍の主はこう言われる、見よ、わたしは、つるぎと、ききんと、疫病を彼らに送り、彼らを悪くて食べられない腐ったいちじくのようにしてしまう。 18わたしはつるぎと、ききんと、疫病をもって彼らのあとを追い、また彼らを地の万国に忌みきらわれるものとなし、わたしが彼らを追いやる国々で、のろいとなり、恐れとなり、物笑いとなり、はずかしめとならせる。 19それは彼らがわたしの言葉に聞き従わなかったからであると主は言われる。わたしはこの言葉を、わたしのしもべである預言者たちによって、しきりに送ったが、あなたがたは聞こうともしなかったと主は言われる』。―― 20わたしがエルサレムからバビロンに送ったあなたがたすべての捕われ人よ、主の言葉を聞きなさい、 21『わたしの名によって、あなたがたに偽りを預言しているコラヤの子アハブと、マアセヤの子ゼデキヤについて万軍の主、イスラエルの神はこう仰せられる、見よ、わたしは彼らをバビロンの王ネブカデレザルの手に渡す。王はあなたがたの目の前で彼らを殺す。 22バビロンにいるユダの捕われ人は皆、彼らの名を、のろいの言葉に用いて、「主があなたをバビロンの王が火で焼いたゼデキヤとアハブのようにされるように」という。 23それは、彼らがイスラエルのうちで愚かな事をし、隣の妻と不義を行い、わたしが命じたのでない偽りの言葉を、わたしの名によって語ったことによるのである。わたしはそれを知っており、またその証人であると主は言われる』」。
Semaja schrijft terug
24ネヘラムびとシマヤにあなたは言いなさい、 25「万軍の主、イスラエルの神はこう仰せられる、あなたは自分の名でエルサレムにいるすべての民と、マアセヤの子祭司ゼパニヤおよびすべての祭司に手紙を送って言う、 26『主は祭司エホヤダに代ってあなたを祭司とし、主の宮をつかさどらせ、すべて狂い、かつ預言する者を足かせと首かせにつながせられる。 27そうであるのに、どうしてあなたは、あなたがたに預言しているアナトテのエレミヤを戒めないのか。 28彼はバビロンにいるわれわれの所に手紙を送って、捕われの時はなお長いゆえ、あなたがたは家を建ててそこに住み、畑を作ってその産物を食べよと言ってきた』」。 29祭司ゼパニヤはこの手紙を預言者エレミヤに読み聞かせた。 30その時、主の言葉がエレミヤに臨んだ、 31「すべての捕われ人に書き送って言いなさい、ネヘラムびとシマヤの事について主はこう仰せられる、わたしはシマヤをつかわさなかったのに、彼があなたがたに預言して偽りを信じさせたので、 32主はこう仰せられる、見よ、わたしはネヘラムびとシマヤとその子孫を罰する。彼は主に対する反逆を語ったゆえ、彼に属する者で、この民のうちに住み、わたしが自分の民に行おうとしている良い事を見るものはひとりもいない」。
Brief aan de ballingen in Babel
1Now these are the words of the letter that Jeremiah the prophet sent from Jerusalem to the residue of the elders of the captivity, and to the priests, to the prophets, and to all the people, whom Nebuchadnezzar had carried away captive from Jerusalem to Babylon, 2(after that Jeconiah the king, the queen mother, the eunuchs, the princes of Judah and Jerusalem, the craftsmen, and the smiths, had departed from Jerusalem), 3by the hand of Elasah the son of Shaphan, and Gemariah the son of Hilkiah, (whom Zedekiah king of Judah sent to Babylon to Nebuchadnezzar king of Babylon), saying, 4Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, to all the captivity, whom I have caused to be carried away captive from Jerusalem to Babylon: 5Build houses, and dwell in them; and plant gardens, and eat their fruit. 6Take wives, and father sons and daughters; and take wives for your sons, and give your daughters to husbands, that they may bear sons and daughters; and multiply there, and don’t be diminished. 7Seek the peace of the city where I have caused you to be carried away captive, and pray to Yahweh for it; for in its peace you shall have peace. 8For thus says Yahweh of Armies, the God of Israel: Don’t let your prophets who are in your midst, and your diviners, deceive you; neither listen to your dreams which you cause to be dreamed. 9For they prophesy falsely to you in my name: I have not sent them, says Yahweh. 10For thus says Yahweh, After seventy years are accomplished for Babylon, I will visit you, and perform my good word toward you, in causing you to return to this place. 11For I know the thoughts that I think toward you, says Yahweh, thoughts of peace, and not of evil, to give you hope and a future. 12You shall call on me, and you shall go and pray to me, and I will listen to you. 13You shall seek me, and find me, when you shall search for me with all your heart. 14I will be found by you, says Yahweh, and I will turn again your captivity, and I will gather you from all the nations, and from all the places where I have driven you, says Yahweh; and I will bring you again to the place from where I caused you to be carried away captive.
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15Because you have said, Yahweh has raised us up prophets in Babylon; 16thus says Yahweh concerning the king who sits on the throne of David, and concerning all the people who dwell in this city, your brothers who haven’t gone with you into captivity; 17thus says Yahweh of Armies; Behold, I will send on them the sword, the famine, and the pestilence, and will make them like vile figs, that can’t be eaten, they are so bad. 18I will pursue after them with the sword, with the famine, and with the pestilence, and will deliver them to be tossed back and forth among all the kingdoms of the earth, to be an object of horror, and an astonishment, and a hissing, and a reproach, among all the nations where I have driven them; 19because they have not listened to my words, says Yahweh, with which I sent to them my servants the prophets, rising up early and sending them; but you would not hear, says Yahweh. 20Hear therefore Yahweh’s word, all you of the captivity, whom I have sent away from Jerusalem to Babylon. 21Thus says Yahweh of Armies, the God of Israel, concerning Ahab the son of Kolaiah, and concerning Zedekiah the son of Maaseiah, who prophesy a lie to you in my name: Behold, I will deliver them into the hand of Nebuchadnezzar king of Babylon; and he shall kill them before your eyes; 22and of them shall be taken up a curse by all the captives of Judah who are in Babylon, saying, Yahweh make you like Zedekiah and like Ahab, whom the king of Babylon roasted in the fire; 23because they have worked folly in Israel, and have committed adultery with their neighbors’ wives, and have spoken words in my name falsely, which I didn’t command them; and I am he who knows, and am witness, says Yahweh.
Semaja schrijft terug
24Concerning Shemaiah the Nehelamite you shall speak, saying, 25Thus speaks Yahweh of Armies, the God of Israel, saying, Because you have sent letters in your own name to all the people who are at Jerusalem, and to Zephaniah the son of Maaseiah, the priest, and to all the priests, saying, 26Yahweh has made you priest in the place of Jehoiada the priest, that there may be officers in Yahweh’s house, for every man who is mad, and makes himself a prophet, that you should put him in the stocks and in shackles. 27Now therefore, why have you not rebuked Jeremiah of Anathoth, who makes himself a prophet to you, 28because he has sent to us in Babylon, saying, The captivity is long: build houses, and dwell in them; and plant gardens, and eat their fruit? 29Zephaniah the priest read this letter in the ears of Jeremiah the prophet. 30Then Yahweh’s word came to Jeremiah, saying, 31Send to all them of the captivity, saying, Thus says Yahweh concerning Shemaiah the Nehelamite: Because Shemaiah has prophesied to you, and I didn’t send him, and he has caused you to trust in a lie; 32therefore thus says Yahweh, Behold, I will punish Shemaiah the Nehelamite, and his seed; he shall not have a man to dwell among this people, neither shall he see the good that I will do to my people, says Yahweh, because he has spoken rebellion against Yahweh.
Brief aan de ballingen in Babel
1Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel. 2(Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan); 3Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, den koning van Babel, zeggende: 4Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; 6Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. 7En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben. 8Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen. 9Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE. 10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. 11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting. 12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. 13En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart. 14En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
Over wie achterbleef, en twee valse profeten
15Omdat gij zegt: de HEERE heeft ons profeten naar Babel verwekt; 16Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis; 17Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. 18En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben; 19Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE. 20Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden! 21Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan. 22En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De HEERE stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde; 23Omdat zij een dwaasheid deden in Israel, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de HEERE.
Semaja schrijft terug
24Tot Semaja nu, den Nechelamiet, zult gij spreken, zeggende: 25Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Omdat gij brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, den zoon van Maaseja, den priester, en tot al de priesteren, zeggende: 26De HEERE heeft u tot priester gesteld, in plaats van den priester Jojada, dat gij opzieners zoudt zijn in des HEEREN huis over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis en in den stok. 27Nu dan, waarom hebt gij Jeremia, den Anathothiet, niet gescholden, die zich bij ulieden voor een profeet uitgeeft? 28Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen, en woont daarin en plant hoven, en eet de vrucht daarvan. 29Zefanja nu, de priester, had dezen brief gelezen voor de oren van den profeet Jeremia. 30Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende: 31Zend henen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt de HEERE van Semaja, den Nechelamiet: Omdat Semaja ulieden geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat gij op leugen vertrouwt; 32Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, den Nechelamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal, spreekt de HEERE; want hij heeft een afval gesproken tegen den HEERE.
Where this passage sits in the structure of エレミヤ書.
- 1
Roeping
Jeremia wordt jong geroepen: 'om uit te rukken en af te breken, om te bouwen en te planten.'
- 2–25
Oordeel over Juda en Jeruzalem
Aanklachten, waarschuwingen en Jeremia's eigen klachten tegen God.
- 26–29
Botsing met andere profeten
Jeremia tegenover profeten die snelle redding beloven, met de brief aan de ballingen.
The passage is here
- 30–33
Boek van de troost
Belofte van herstel en een nieuw verbond, 'in hun hart geschreven'.
- 34–45
De val van Jeruzalem
Verhalen over Jeremia's gevangenschap, de verwoesting en de vlucht naar Egypte.
- 46–51
Uitspraken over de volken
Oordeel over Egypte, de buurvolken en ten slotte Babel zelf.
- 52
Historisch slot
De val van Jeruzalem nog eens verteld, en koning Jojachin die in Babel vrijkomt.
- 1
Roeping
Jeremia wordt jong geroepen: 'om uit te rukken en af te breken, om te bouwen en te planten.'
- 2–25
Oordeel over Juda en Jeruzalem
Aanklachten, waarschuwingen en Jeremia's eigen klachten tegen God.
- 26–29
Botsing met andere profeten
Jeremia tegenover profeten die snelle redding beloven, met de brief aan de ballingen.
The passage is here
- 30–33
Boek van de troost
Belofte van herstel en een nieuw verbond, 'in hun hart geschreven'.
- 34–45
De val van Jeruzalem
Verhalen over Jeremia's gevangenschap, de verwoesting en de vlucht naar Egypte.
- 46–51
Uitspraken over de volken
Oordeel over Egypte, de buurvolken en ten slotte Babel zelf.
- 52
Historisch slot
De val van Jeruzalem nog eens verteld, en koning Jojachin die in Babel vrijkomt.
- 1
Roeping
Jeremia wordt jong geroepen: 'om uit te rukken en af te breken, om te bouwen en te planten.'
- 2–25
Oordeel over Juda en Jeruzalem
Aanklachten, waarschuwingen en Jeremia's eigen klachten tegen God.
- 26–29
Botsing met andere profeten
Jeremia tegenover profeten die snelle redding beloven, met de brief aan de ballingen.
The passage is here
- 30–33
Boek van de troost
Belofte van herstel en een nieuw verbond, 'in hun hart geschreven'.
- 34–45
De val van Jeruzalem
Verhalen over Jeremia's gevangenschap, de verwoesting en de vlucht naar Egypte.
- 46–51
Uitspraken over de volken
Oordeel over Egypte, de buurvolken en ten slotte Babel zelf.
- 52
Historisch slot
De val van Jeruzalem nog eens verteld, en koning Jojachin die in Babel vrijkomt.
Immediate context
What comes before
In hoofdstuk 28 belooft de profeet Hananja dat de ballingen binnen twee jaar thuis zijn. Jeremia spreekt dat tegen. Daarna stuurt hij deze brief naar wie in 597 v.Chr. met koning Jojachin naar Babel werd weggevoerd: bouw huizen, plant tuinen, trouw, en bid voor Babel (29:4–7). Luister niet naar wie snelle redding belooft. Pas 'als zeventig jaar voor Babel vol zijn' (29:10) komt de terugkeer.
What comes after
God belooft dat wie Hem zoekt, Hem zal vinden, en dat Hij het volk zal terugbrengen (29:12–14). Daarna volgt oordeel over wie in Jeruzalem achterbleef en over twee profeten in Babel die leugens vertelden (29:15–23). Het hoofdstuk eindigt met Semaja, die vanuit Babel een brief tegen Jeremia stuurt (29:24–32).
Three layers
Text, background and interpretation
Kept apart, so you can see what the text says, what we know about the background and what is interpretation.
What the text says
God zegt dat Hij de plannen kent die Hij voor zijn volk heeft: plannen voor vrede en niet voor onheil, om hun toekomst en hoop te geven. De zin staat midden in een brief met praktische opdrachten en een duidelijke tijdsaanduiding.
Historical background
In 597 v.Chr. voerde de Babylonische koning Nebukadnessar koning Jojachin, zijn hof, ambachtslui en priesters weg naar Babel. Jeruzalem stond nog; de verwoesting volgde in 587/586 v.Chr. In die tussentijd verwachtten velen een snelle terugkeer, gevoed door profeten als Hananja. Jeremia schreef een brief die met een officieel gezantschap meereisde (29:3).
Literary background
Hoofdstukken 27–29 vormen een eenheid over ware en valse profetie. De brief (29:4–23) is opgebouwd als opdracht (vs 4–7), waarschuwing (vs 8–9) en belofte (vs 10–14). Vers 11 is dus het slot van een argument, geen losse spreuk. Het woord 'shalom' (vrede, welzijn) komt in vers 7 drie keer voor en keert terug in vers 11.
Interpretation and application
Veel christenen lezen de tekst ook als woord voor vandaag: God is trouw aan zijn mensen, ook in een situatie die ze niet kozen. In verband gelezen gaat die trouw vaak via wachten en via het zoeken van het goede op de plek waar je bent, niet via een snelle uitweg. Toepassing op het eigen leven kan dus, maar dan als deel van een gemeenschap en met die lange adem.
This is interpretation, not fact. Traditions sometimes read it differently.
Where scholars differ
- Of de 'zeventig jaar' letterlijk bedoeld zijn (bv. van ca. 605 tot 538 v.Chr., of tot de herbouw van de tempel in 516) of als rond getal voor een mensenleven, wordt verschillend gezien.
- De Griekse versie van Jeremia (Septuagint) heeft op enkele plaatsen in dit hoofdstuk een kortere tekst. Hoe het boek gegroeid is, blijft onderwerp van onderzoek.
Family moment
Reading together, about ten minutes
For a family, a couple or a few friends. Pick the questions that suit you.
1Read together
エレミヤ書 29:4–7, エレミヤ書 29:10–11
In your language's Bible translation. Feel free to read slowly; the explanation below is in plain words.
4「万軍の主、イスラエルの神は、すべて捕え移された者、すなわち、わたしがエルサレムから、バビロンに捕え移させた者に、こう言う、 5あなたがたは家を建てて、それに住み、畑を作ってその産物を食べよ。 6妻をめとって、むすこ娘を産み、また、そのむすこに嫁をめとり、娘をとつがせて、むすこ娘を産むようにせよ。その所であなたがたの数を増し、減ってはならない。 7わたしがあなたがたを捕え移させたところの町の平安を求め、そのために主に祈るがよい。その町が平安であれば、あなたがたも平安を得るからである。 10主はこう言われる、バビロンで七十年が満ちるならば、わたしはあなたがたを顧み、わたしの約束を果し、あなたがたをこの所に導き帰る。 11主は言われる、わたしがあなたがたに対していだいている計画はわたしが知っている。それは災を与えようというのではなく、平安を与えようとするものであり、あなたがたに将来を与え、希望を与えようとするものである。
2Understand together
Lang geleden werden veel mensen uit Jeruzalem gevangen genomen en meegenomen naar Babel, een groot land ver weg. Ze wilden heel graag terug naar huis. Sommige profeten zeiden: 'Binnen twee jaar zijn jullie thuis!' Maar Jeremia schreef hen een brief met een ander bericht. Hij schreef: bouw huizen, plant tuinen, trouw en zorg goed voor de stad waar je nu woont. Bid zelfs voor die stad. Pas na zeventig jaar mochten ze terug. Dat is langer dan de meeste mensen leven. Midden in die brief staat de bekende zin: 'Ik weet welke plannen Ik voor jullie heb: plannen voor vrede, om jullie een toekomst en hoop te geven.' Het is een belofte voor een hele groep mensen. Ze zegt dat God hen niet vergeten is, ook al duurt het lang.
3Talk together
- Children
Stel je voor dat je moet verhuizen naar een land waar je niet wilt wonen. Wat zou je missen? Wat zou helpen om je er toch een beetje thuis te voelen?
- Teens
God zegt 'wacht zeventig jaar' en tegelijk 'zoek het goede voor de stad'. Hoe blijf je hoopvol als iets heel lang duurt?
- Adults
Waar leef ik in een situatie die ik niet koos? Wat zou 'de vrede van die stad zoeken' daar concreet betekenen?
- Children
4Do together
ActionKies samen één klein ding dat je deze week doet voor je straat of buurt: een kaartje bij de buren, een groet, samen zwerfvuil rapen. Noem daarna je gemeente bij naam in een kort gebed.
Go deeperFor parents, to read beforehand
In de Statenvertaling staat in vers 11 'de gedachten, die Ik over u denk'; nieuwere vertalingen kiezen 'plannen'. Het Hebreeuwse woord kan beide betekenen: het gaat om wat God van plan is met zijn volk.
De tegenstelling met Hananja (hoofdstuk 28) is de sleutel. Hananja brak het houten juk van Jeremia's nek en beloofde bevrijding binnen twee jaar. Jeremia's antwoord was een ijzeren juk: de ballingschap zal duren. De brief in hoofdstuk 29 maakt duidelijk dat echte hoop soms betekent dat je de korte oplossing loslaat.
Opvallend is de opdracht om te bidden voor Babel (vs 7). Het welzijn van de ballingen hangt samen met het welzijn van de stad die hen onderdrukt. Christenen lezen hier ook hun eigen roeping in: Petrus noemt gelovigen 'vreemdelingen' die in hun omgeving het goede doen (1 Petr. 2:11–12). Voor veel kerken is 'zoek de vrede van de stad' een reden om zich in te zetten voor hun buurt.
Later leest Daniël 'in de boeken' over de zeventig jaar van Jeremia en begint te bidden (Dan. 9:2). Ook 2 Kronieken 36:21 verwijst ernaar. Het getal werd dus al in de Bijbel zelf opnieuw geïnterpreteerd.
Bo's quiz
Do you remember? Three questions about the story.