Johannes 3:16 · New Testament
Zo lief had God de wereld: een nachtelijk gesprekA talk in the night
Het bekendste vers van de Bijbel sluit een nachtelijk gesprek af tussen Jezus en Nikodemus, een Joodse leraar. Het legt het beeld van de koperen slang uit en zegt meteen: niet om te veroordelen.
Än så länge finns förklaringarna till textavsnitt och böcker bara på nederländska. Bibeltexten och själva appen är på ditt språk; översättningar av förklaringarna är på väg.
Draft: not yet reviewedThis explanation was written with sources, but has not yet been checked by a second reader.Spotted a mistake? Tell us.
The story
Op een avond, als het al donker is, komt een man naar Jezus. Hij heet Nikodemus. Hij is een belangrijke leraar en weet veel over God, maar hij heeft vragen. Misschien komt hij 's nachts omdat hij niet gezien wil worden. Jezus zegt iets vreemds: 'Je moet opnieuw geboren worden.' Nikodemus snapt er niets van: hoe kan een volwassene opnieuw geboren worden? Jezus bedoelt een nieuw begin dat van God komt. Dan zegt Jezus de zin die veel mensen kennen: 'God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon gaf.' En meteen daarna: 'Niet om de wereld te veroordelen, maar om haar te redden.' Nikodemus gaat weg zonder dat we weten wat hij denkt. Later in het verhaal komt hij terug, en dan staat hij aan Jezus' kant.
A question for you
Nikodemus kwam 's nachts met zijn vragen. Heb jij een vraag over God die je moeilijk vindt om te stellen?
Do it together
Maak een 'vragenpot': iedereen schrijft een vraag over God of geloof op een briefje. Stop ze in een pot of doos. De volgende keer trekken jullie er één en praten er samen over. Geen vraag is te gek.
Often read as
Een losse samenvatting van het hele evangelie, op een spandoek of een tegeltje.
Read in context
Het antwoord op de vragen van een zoekende leraar die 's nachts komt. Het vers verklaart het beeld van de koperen slang (vs 14–15) en loopt meteen door: God zond zijn Zoon niet om te veroordelen (vs 17).
Johannes 3:16
Ty så älskade Gud världen, att han utgav sin enfödde Son, på det att var och en som tror på honom skall icke förgås, utan hava evigt liv.
For God so loved the world, that he gave his one and only Son, that whoever believes in him should not perish, but have eternal life.
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Ten verses before and after.
6Det som är fött av kött, det är kött; och det som är fött av Anden, det är ande. 7Förundra dig icke över att jag sade dig att I måsten födas på nytt. 8Vinden blåser vart den vill, och du hör dess sus, men du vet icke varifrån den kommer, eller vart den far; så är det med var och en som är född av Anden.» 9Nikodemus svarade och sade till honom: »Huru kan detta ske?» 10Jesus svarade och sade till honom: »Är du Israels lärare och förstår icke detta? 11Sannerligen, sannerligen säger jag dig: Vad vi veta, det tala vi, och vad vi hava sett, det vittna vi om, men vårt vittnesbörd tagen I icke emot. 12Tron i icke, när jag talar till eder om jordiska ting, huru skolen I då kunna tro, när jag talar till eder om himmelska ting? 13Och likväl har ingen stigit upp till himmelen, utom den som steg ned från himmelen, Människosonen, som var i himmelen. 14Och såsom Moses upphöjde ormen i öknen, så måste Människosonen bliva upphöjd, 15så att var och en som tror skall i honom hava evigt liv. 16Ty så älskade Gud världen, att han utgav sin enfödde Son, på det att var och en som tror på honom skall icke förgås, utan hava evigt liv. 17Ty icke sände Gud sin Son i världen för att döma världen, utan för att världen skulle bliva frälst genom honom. 18Den som tror på honom, han bliver icke dömd, men den som icke tror, han är redan dömd, eftersom han icke tror på Guds enfödde Sons namn. 19Och detta är domen, att när ljuset hade kommit i världen, människorna dock älskade mörkret mer än ljuset, eftersom deras gärningar voro onda, 20Ty var och en som gör vad ont är, han hatar ljuset och kommer icke till ljuset, på det att hans gärningar icke skola bliva blottade. 21Men den som gör sanningen, han kommer till ljuset, för att det skall bliva uppenbart att hans gärningar äro gjorda i Gud.»
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22Därefter begav sig Jesus med sina lärjungar till den judiska landsbygden, och där vistades han med dem och döpte. 23Men också Johannes döpte, i Enon, nära Salim, ty där fanns mycket vatten; och folket kom dit och lät döpa sig. 24Johannes hade nämligen ännu icke blivit kastad i fängelse. 25Då uppstod mellan Johannes' lärjungar och en jude en tvist om reningen. 26Och de kommo till Johannes och sade till honom: »Rabbi, se, den som var hos dig på andra sidan Jordan, den som du har vittnat om, han döper, och alla komma till honom.»
6That which is born of the flesh is flesh. That which is born of the Spirit is spirit. 7Don’t marvel that I said to you, ‘You must be born anew.’ 8The windblows where it wants to, and you hear its sound, but don’t know where it comes from and where it is going. So is everyone who is born of the Spirit.” 9Nicodemus answered him, “How can these things be?” 10Jesus answered him, “Are you the teacher of Israel, and don’t understand these things? 11Most certainly I tell you, we speak that which we know, and testify of that which we have seen, and you don’t receive our witness. 12If I told you earthly things and you don’t believe, how will you believe if I tell you heavenly things? 13No one has ascended into heaven, but he who descended out of heaven, the Son of Man, who is in heaven. 14As Moses lifted up the serpent in the wilderness, even so must the Son of Man be lifted up, 15that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 16For God so loved the world, that he gave his one and only Son, that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 17For God didn’t send his Son into the world to judge the world, but that the world should be saved through him. 18He who believes in him is not judged. He who doesn’t believe has been judged already, because he has not believed in the name of the one and only Son of God. 19This is the judgment, that the light has come into the world, and men loved the darkness rather than the light; for their works were evil. 20For everyone who does evil hates the light, and doesn’t come to the light, lest his works would be exposed. 21But he who does the truth comes to the light, that his works may be revealed, that they have been done in God.”
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22After these things, Jesus came with his disciples into the land of Judea. He stayed there with them, and baptized. 23John also was baptizing in Enon near Salim, because there was much water there. They came, and were baptized. 24For John was not yet thrown into prison. 25There arose therefore a questioning on the part of John’s disciples with some Jews about purification. 26They came to John, and said to him, “Rabbi, he who was with you beyond the Jordan, to whom you have testified, behold, the same baptizes, and everyone is coming to him.”
6Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. 9Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet? 11Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan. 12Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen? 13En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is. 14En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 15Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. 18Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. 19En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. 20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. 21Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte. 23En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. 24Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. 26En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.
The text as a unit: Jezus en Nikodemus (Johannes 3:1–21).
1Men bland fariséerna var en man som hette Nikodemus, en av judarnas rådsherrar. 2Denne kom till Jesus om natten och sade till honom: »Rabbi, vi veta att det är från Gud du har kommit såsom lärare; ty ingen kan göra sådana tecken som du gör, om icke Gud är med honom.» 3Jesus svarade och sade till honom: »Sannerligen, sannerligen säger jag dig: Om en människa icke bliver född på nytt, så kan hon icke få se Guds rike.» 4Nikodemus sade till honom: »Huru kan en människa födas, när hon är gammal? Icke kan hon väl åter gå in i sin moders liv och födas?» 5Jesus svarade: »Sannerligen, sannerligen säger jag dig: Om en människa icke bliver född av vatten och ande, så kan hon icke komma in i Guds rike. 6Det som är fött av kött, det är kött; och det som är fött av Anden, det är ande. 7Förundra dig icke över att jag sade dig att I måsten födas på nytt. 8Vinden blåser vart den vill, och du hör dess sus, men du vet icke varifrån den kommer, eller vart den far; så är det med var och en som är född av Anden.» 9Nikodemus svarade och sade till honom: »Huru kan detta ske?» 10Jesus svarade och sade till honom: »Är du Israels lärare och förstår icke detta? 11Sannerligen, sannerligen säger jag dig: Vad vi veta, det tala vi, och vad vi hava sett, det vittna vi om, men vårt vittnesbörd tagen I icke emot. 12Tron i icke, när jag talar till eder om jordiska ting, huru skolen I då kunna tro, när jag talar till eder om himmelska ting? 13Och likväl har ingen stigit upp till himmelen, utom den som steg ned från himmelen, Människosonen, som var i himmelen. 14Och såsom Moses upphöjde ormen i öknen, så måste Människosonen bliva upphöjd, 15så att var och en som tror skall i honom hava evigt liv. 16Ty så älskade Gud världen, att han utgav sin enfödde Son, på det att var och en som tror på honom skall icke förgås, utan hava evigt liv. 17Ty icke sände Gud sin Son i världen för att döma världen, utan för att världen skulle bliva frälst genom honom. 18Den som tror på honom, han bliver icke dömd, men den som icke tror, han är redan dömd, eftersom han icke tror på Guds enfödde Sons namn. 19Och detta är domen, att när ljuset hade kommit i världen, människorna dock älskade mörkret mer än ljuset, eftersom deras gärningar voro onda, 20Ty var och en som gör vad ont är, han hatar ljuset och kommer icke till ljuset, på det att hans gärningar icke skola bliva blottade. 21Men den som gör sanningen, han kommer till ljuset, för att det skall bliva uppenbart att hans gärningar äro gjorda i Gud.»
1Now there was a man of the Pharisees named Nicodemus, a ruler of the Jews. 2The same came to him by night, and said to him, “Rabbi, we know that you are a teacher come from God, for no one can do these signs that you do, unless God is with him.” 3Jesus answered him, “Most certainly, I tell you, unless one is born anew, he can’t see the Kingdom of God.” 4Nicodemus said to him, “How can a man be born when he is old? Can he enter a second time into his mother’s womb, and be born?” 5Jesus answered, “Most certainly I tell you, unless one is born of water and spirit, he can’t enter into the Kingdom of God! 6That which is born of the flesh is flesh. That which is born of the Spirit is spirit. 7Don’t marvel that I said to you, ‘You must be born anew.’ 8The windblows where it wants to, and you hear its sound, but don’t know where it comes from and where it is going. So is everyone who is born of the Spirit.” 9Nicodemus answered him, “How can these things be?” 10Jesus answered him, “Are you the teacher of Israel, and don’t understand these things? 11Most certainly I tell you, we speak that which we know, and testify of that which we have seen, and you don’t receive our witness. 12If I told you earthly things and you don’t believe, how will you believe if I tell you heavenly things? 13No one has ascended into heaven, but he who descended out of heaven, the Son of Man, who is in heaven. 14As Moses lifted up the serpent in the wilderness, even so must the Son of Man be lifted up, 15that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 16For God so loved the world, that he gave his one and only Son, that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 17For God didn’t send his Son into the world to judge the world, but that the world should be saved through him. 18He who believes in him is not judged. He who doesn’t believe has been judged already, because he has not believed in the name of the one and only Son of God. 19This is the judgment, that the light has come into the world, and men loved the darkness rather than the light; for their works were evil. 20For everyone who does evil hates the light, and doesn’t come to the light, lest his works would be exposed. 21But he who does the truth comes to the light, that his works may be revealed, that they have been done in God.”
1En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; 2Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is. 3Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. 4Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden? 5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. 6Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. 9Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet? 11Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan. 12Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen? 13En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is. 14En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 15Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. 18Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. 19En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. 20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. 21Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
The whole chapter. The passage is lightly tinted.
Jezus en Nikodemus
1Men bland fariséerna var en man som hette Nikodemus, en av judarnas rådsherrar. 2Denne kom till Jesus om natten och sade till honom: »Rabbi, vi veta att det är från Gud du har kommit såsom lärare; ty ingen kan göra sådana tecken som du gör, om icke Gud är med honom.» 3Jesus svarade och sade till honom: »Sannerligen, sannerligen säger jag dig: Om en människa icke bliver född på nytt, så kan hon icke få se Guds rike.» 4Nikodemus sade till honom: »Huru kan en människa födas, när hon är gammal? Icke kan hon väl åter gå in i sin moders liv och födas?» 5Jesus svarade: »Sannerligen, sannerligen säger jag dig: Om en människa icke bliver född av vatten och ande, så kan hon icke komma in i Guds rike. 6Det som är fött av kött, det är kött; och det som är fött av Anden, det är ande. 7Förundra dig icke över att jag sade dig att I måsten födas på nytt. 8Vinden blåser vart den vill, och du hör dess sus, men du vet icke varifrån den kommer, eller vart den far; så är det med var och en som är född av Anden.» 9Nikodemus svarade och sade till honom: »Huru kan detta ske?» 10Jesus svarade och sade till honom: »Är du Israels lärare och förstår icke detta? 11Sannerligen, sannerligen säger jag dig: Vad vi veta, det tala vi, och vad vi hava sett, det vittna vi om, men vårt vittnesbörd tagen I icke emot. 12Tron i icke, när jag talar till eder om jordiska ting, huru skolen I då kunna tro, när jag talar till eder om himmelska ting? 13Och likväl har ingen stigit upp till himmelen, utom den som steg ned från himmelen, Människosonen, som var i himmelen. 14Och såsom Moses upphöjde ormen i öknen, så måste Människosonen bliva upphöjd, 15så att var och en som tror skall i honom hava evigt liv. 16Ty så älskade Gud världen, att han utgav sin enfödde Son, på det att var och en som tror på honom skall icke förgås, utan hava evigt liv. 17Ty icke sände Gud sin Son i världen för att döma världen, utan för att världen skulle bliva frälst genom honom. 18Den som tror på honom, han bliver icke dömd, men den som icke tror, han är redan dömd, eftersom han icke tror på Guds enfödde Sons namn. 19Och detta är domen, att när ljuset hade kommit i världen, människorna dock älskade mörkret mer än ljuset, eftersom deras gärningar voro onda, 20Ty var och en som gör vad ont är, han hatar ljuset och kommer icke till ljuset, på det att hans gärningar icke skola bliva blottade. 21Men den som gör sanningen, han kommer till ljuset, för att det skall bliva uppenbart att hans gärningar äro gjorda i Gud.»
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22Därefter begav sig Jesus med sina lärjungar till den judiska landsbygden, och där vistades han med dem och döpte. 23Men också Johannes döpte, i Enon, nära Salim, ty där fanns mycket vatten; och folket kom dit och lät döpa sig. 24Johannes hade nämligen ännu icke blivit kastad i fängelse. 25Då uppstod mellan Johannes' lärjungar och en jude en tvist om reningen. 26Och de kommo till Johannes och sade till honom: »Rabbi, se, den som var hos dig på andra sidan Jordan, den som du har vittnat om, han döper, och alla komma till honom.» 27Johannes svarade och sade: »En människa kan intet taga, om det icke bliver henne givet från himmelen.» 28I kunnen själva giva mig det vittnesbördet att jag sade: 'Icke är jag Messias; jag är allenast sänd framför honom.' 29Brudgum är den som har bruden; men brudgummens vän, som står där och hör honom, han gläder sig storligen åt brudgummens röst. Den glädjen är mig nu given i fullt mått. 30Det är såsom sig bör att han växer till, och att jag förminskas. --
Die van boven komt
31Den som kommer ovanifrån, han är över alla; den som är från jorden, han är av jorden, och av jorden talar han. Ja, den som kommer från himmelen, han är över alla, 32och vad han har sett och hört, det vittnar han om; och likväl tager ingen emot hans vittnesbörd. 33Men om någon tager emot hans vittnesbörd, så bekräftar han därmed att Gud är sannfärdig. 34Ty den som Gud har sänt, han talar Guds ord; Gud giver nämligen icke Anden efter mått. 35Fadern älskar Sonen, och allt har han givit i hans hand. 36Den som tror på Sonen, han har evigt liv; men den som icke hörsammar Sonen, han skall icke få se livet, utan Guds vrede förbliver över honom.»
Jezus en Nikodemus
1Now there was a man of the Pharisees named Nicodemus, a ruler of the Jews. 2The same came to him by night, and said to him, “Rabbi, we know that you are a teacher come from God, for no one can do these signs that you do, unless God is with him.” 3Jesus answered him, “Most certainly, I tell you, unless one is born anew, he can’t see the Kingdom of God.” 4Nicodemus said to him, “How can a man be born when he is old? Can he enter a second time into his mother’s womb, and be born?” 5Jesus answered, “Most certainly I tell you, unless one is born of water and spirit, he can’t enter into the Kingdom of God! 6That which is born of the flesh is flesh. That which is born of the Spirit is spirit. 7Don’t marvel that I said to you, ‘You must be born anew.’ 8The windblows where it wants to, and you hear its sound, but don’t know where it comes from and where it is going. So is everyone who is born of the Spirit.” 9Nicodemus answered him, “How can these things be?” 10Jesus answered him, “Are you the teacher of Israel, and don’t understand these things? 11Most certainly I tell you, we speak that which we know, and testify of that which we have seen, and you don’t receive our witness. 12If I told you earthly things and you don’t believe, how will you believe if I tell you heavenly things? 13No one has ascended into heaven, but he who descended out of heaven, the Son of Man, who is in heaven. 14As Moses lifted up the serpent in the wilderness, even so must the Son of Man be lifted up, 15that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 16For God so loved the world, that he gave his one and only Son, that whoever believes in him should not perish, but have eternal life. 17For God didn’t send his Son into the world to judge the world, but that the world should be saved through him. 18He who believes in him is not judged. He who doesn’t believe has been judged already, because he has not believed in the name of the one and only Son of God. 19This is the judgment, that the light has come into the world, and men loved the darkness rather than the light; for their works were evil. 20For everyone who does evil hates the light, and doesn’t come to the light, lest his works would be exposed. 21But he who does the truth comes to the light, that his works may be revealed, that they have been done in God.”
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22After these things, Jesus came with his disciples into the land of Judea. He stayed there with them, and baptized. 23John also was baptizing in Enon near Salim, because there was much water there. They came, and were baptized. 24For John was not yet thrown into prison. 25There arose therefore a questioning on the part of John’s disciples with some Jews about purification. 26They came to John, and said to him, “Rabbi, he who was with you beyond the Jordan, to whom you have testified, behold, the same baptizes, and everyone is coming to him.” 27John answered, “A man can receive nothing, unless it has been given him from heaven. 28You yourselves testify that I said, ‘I am not the Christ,’ but, ‘I have been sent before him.’ 29He who has the bride is the bridegroom; but the friend of the bridegroom, who stands and hears him, rejoices greatly because of the bridegroom’s voice. This, my joy, therefore is made full. 30He must increase, but I must decrease.
Die van boven komt
31He who comes from above is above all. He who is from the earth belongs to the earth, and speaks of the earth. He who comes from heaven is above all. 32What he has seen and heard, of that he testifies; and no one receives his witness. 33He who has received his witness has set his seal to this, that God is true. 34For he whom God has sent speaks the words of God; for God gives the Spirit without measure. 35The Father loves the Son, and has given all things into his hand. 36One who believes in the Son has eternal life, but one who disobeys the Son won’t see life, but the wrath of God remains on him.”
Jezus en Nikodemus
1En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; 2Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is. 3Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. 4Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden? 5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. 6Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. 9Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet? 11Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan. 12Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen? 13En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is. 14En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 15Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. 18Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. 19En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. 20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. 21Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
Johannes de Doper: 'Hij moet groter worden'
22Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte. 23En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. 24Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. 26En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem. 27Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. 28Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben. 29Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. 30Hij moet wassen, maar ik minder worden.
Die van boven komt
31Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen. 32En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan. 33Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is. 34Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem de Geest niet met mate. 35De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. 36Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Where this passage sits in the structure of Johannes.
- 1:1–18
Proloog
'In den beginne was het Woord': het licht komt in de wereld.
- 1:19–12:50
Boek van de tekenen
Zeven tekenen en de gesprekken erbij: Nikodemus, de Samaritaanse vrouw, Lazarus.
The passage is here
- 13–20
Boek van de verheerlijking
Voetwassing, afscheidsrede, lijden, dood en opstanding.
- 21
Epiloog
Aan het meer: Petrus wordt opnieuw geroepen.
- 1:1–18
Proloog
'In den beginne was het Woord': het licht komt in de wereld.
- 1:19–12:50
Boek van de tekenen
Zeven tekenen en de gesprekken erbij: Nikodemus, de Samaritaanse vrouw, Lazarus.
The passage is here
- 13–20
Boek van de verheerlijking
Voetwassing, afscheidsrede, lijden, dood en opstanding.
- 21
Epiloog
Aan het meer: Petrus wordt opnieuw geroepen.
- 1:1–18
Proloog
'In den beginne was het Woord': het licht komt in de wereld.
- 1:19–12:50
Boek van de tekenen
Zeven tekenen en de gesprekken erbij: Nikodemus, de Samaritaanse vrouw, Lazarus.
The passage is here
- 13–20
Boek van de verheerlijking
Voetwassing, afscheidsrede, lijden, dood en opstanding.
- 21
Epiloog
Aan het meer: Petrus wordt opnieuw geroepen.
Immediate context
What comes before
Na de tempelreiniging geloven velen in Jezus om de tekenen die Hij doet, 'maar Jezus vertrouwde Zich niet aan hen toe' (2:23–25). Dan komt Nikodemus, een Farizeeër en leider, 's nachts naar Jezus. Jezus zegt dat je 'opnieuw' of 'van boven' geboren moet worden; Nikodemus begrijpt het niet. Jezus verwijst naar Mozes, die in de woestijn een koperen slang omhoog hief: wie ernaar keek, bleef leven (Num. 21). 'Zo moet de Mensenzoon verhoogd worden' (3:14).
What comes after
Vers 17 zegt meteen dat God zijn Zoon niet zond om de wereld te veroordelen, maar om haar te redden. Daarna gaat het over licht en duisternis: mensen hadden de duisternis liever dan het licht (3:19–21). Nikodemus verdwijnt uit beeld, maar komt later terug: hij neemt het op voor Jezus (7:50–51) en helpt bij zijn begrafenis (19:39).
Three layers
Text, background and interpretation
Kept apart, so you can see what the text says, what we know about the background and what is interpretation.
What the text says
God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon gaf, opdat wie in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Het volgende vers zegt dat God niet kwam om te veroordelen, maar om te redden.
Historical background
Nikodemus was een Farizeeër en lid van de Joodse leiding ('een leider van de Joden'). Farizeeën waren een lekenbeweging die de wet van Mozes ernstig nam in het dagelijks leven. Het evangelie werd waarschijnlijk tegen het einde van de eerste eeuw geschreven, toen de verhouding tussen synagoge en Jezus' volgelingen gespannen was. Dat kleurt hoe Johannes over 'de Joden' spreekt.
Literary background
Johannes werkt graag met misverstanden: het Griekse 'anōthen' betekent zowel 'opnieuw' als 'van boven'. Nikodemus hoort het eerste, Jezus bedoelt het tweede. Ook 'verhoogd worden' heeft een dubbele bodem: aan het kruis gehangen én verheerlijkt. Het gesprek gaat halverwege over in een monoloog, en het is niet duidelijk waar Jezus' woorden eindigen en de verteller begint.
Interpretation and application
Christenen lezen hier de kern van hun geloof: Gods liefde is de bron, de gave van de Zoon het middel, leven het doel. In verband gelezen gaat het vers over een God die de wereld zoekt die zich van Hem afkeert, en over geloof dat groeit. Nikodemus heeft daar een heel evangelie voor nodig.
This is interpretation, not fact. Traditions sometimes read it differently.
Where scholars differ
- Het oude Grieks kent geen aanhalingstekens. Of vers 16–21 nog woorden van Jezus zijn of een toelichting van de evangelist, beslissen vertalingen elk op hun manier.
- Wie het evangelie schreef en wanneer, is niet zeker. De traditie noemt de apostel Johannes; veel onderzoekers denken aan een kring rond 'de leerling van wie Jezus hield'.
Family moment
Reading together, about ten minutes
For a family, a couple or a few friends. Pick the questions that suit you.
1Read together
Johannes 3:1–3, Johannes 3:16–17
In your language's Bible translation. Feel free to read slowly; the explanation below is in plain words.
1Men bland fariséerna var en man som hette Nikodemus, en av judarnas rådsherrar. 2Denne kom till Jesus om natten och sade till honom: »Rabbi, vi veta att det är från Gud du har kommit såsom lärare; ty ingen kan göra sådana tecken som du gör, om icke Gud är med honom.» 3Jesus svarade och sade till honom: »Sannerligen, sannerligen säger jag dig: Om en människa icke bliver född på nytt, så kan hon icke få se Guds rike.» 16Ty så älskade Gud världen, att han utgav sin enfödde Son, på det att var och en som tror på honom skall icke förgås, utan hava evigt liv. 17Ty icke sände Gud sin Son i världen för att döma världen, utan för att världen skulle bliva frälst genom honom.
2Understand together
Op een avond, als het al donker is, komt een man naar Jezus. Hij heet Nikodemus. Hij is een belangrijke leraar en weet veel over God, maar hij heeft vragen. Misschien komt hij 's nachts omdat hij niet gezien wil worden. Jezus zegt iets vreemds: 'Je moet opnieuw geboren worden.' Nikodemus snapt er niets van: hoe kan een volwassene opnieuw geboren worden? Jezus bedoelt een nieuw begin dat van God komt. Dan zegt Jezus de zin die veel mensen kennen: 'God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon gaf.' En meteen daarna: 'Niet om de wereld te veroordelen, maar om haar te redden.' Nikodemus gaat weg zonder dat we weten wat hij denkt. Later in het verhaal komt hij terug, en dan staat hij aan Jezus' kant.
3Talk together
- Children
Nikodemus kwam 's nachts met zijn vragen. Heb jij een vraag over God die je moeilijk vindt om te stellen?
- Teens
Vers 17 zegt dat Jezus niet kwam om te veroordelen. Verandert dat hoe je vers 16 hoort, of hoe christenen het soms gebruiken?
- Adults
Nikodemus komt stap voor stap dichterbij (Joh. 3, 7 en 19). Waar sta ik in zo'n proces? En is traag geloof ook geloof?
- Children
4Do together
ReflectionMaak een 'vragenpot': iedereen schrijft een vraag over God of geloof op een briefje. Stop ze in een pot of doos. De volgende keer trekken jullie er één en praten er samen over. Geen vraag is te gek.
Go deeperFor parents, to read beforehand
Het woord 'anōthen' (vs 3) is een bewuste woordspeling: 'opnieuw' en 'van boven'. Johannes laat mensen vaak iets letterlijk opvatten wat Jezus figuurlijk bedoelt, zoals het water bij de Samaritaanse vrouw (hfst. 4). Zo wordt de lezer uitgenodigd om dieper te kijken dan Nikodemus.
De koperen slang (Num. 21:4–9): Israël klaagt in de woestijn, er komen giftige slangen, en Mozes maakt op Gods bevel een koperen slang op een paal. Wie gebeten is en ernaar kijkt, blijft leven. Johannes gebruikt dat beeld voor het kruis: redding komt via wat 'verhoogd' wordt.
'Eeuwig leven' betekent bij Johannes niet alleen leven na de dood, maar ook een kwaliteit van leven nu: 'Dit is het eeuwige leven: dat zij U kennen' (17:3).
Nikodemus' weg (3:1–21, 7:50–51, 19:39) is een van de weinige verhalen over geloof dat langzaam groeit. Hij komt eerst in het donker, en brengt uiteindelijk openlijk zo'n honderd pond mirre en aloë voor Jezus' begrafenis.
Bo's quiz
Do you remember? Three questions about the story.